|
Voorbij
de wereld op de weg
die avond afsnijdt van zonsondergang
krijgt wie de nacht voorafgaat
alle tijd om aan de dood te wennen.
Zij zijn niet meer dan verse stekken
bovenop het eigen hart
dat uitrust met een marmerhuid
als water tussen stenen.
Gebalde handen zijn verwonderd
voor het eerst zo leeg te zijn.
Verscholen achter blikken ligt nog angst
zoals bij vogels voor de dageraad die komt.
Gevangen tussen muren onder luchten
die als tunnels naar een helder leven leiden,
naar een leven dat gebeiteld is in lichtend steen,
zo willen zij gaan lopen maar enkel ketens schudden
waaraan voetstap is gekluisterd.
De dingen zijn voor eeuwig weggestopt in maskers,
en in 't heelal stelt aarde helemaal niets voor,
van straat tot straat gaat iedereen voorbij
aan vreugde die naar buiten komt langs halfgesloten deuren.
|