Niets om leven - 16/49

  

 

Français

Het hart dreunt in mijn borst,
een trein die over ijzer rijdt,
zo haast ik mij te leven
en voor een keer, nog voor een laatste keer 
de ondergaande zon te zien van in mijn kindertijd.

Zoals papier gedrenkt in modder
in deze stad geruimd door wind
draait onderhuids mijn leven rond
besprenkelt met mijn bloed.

Voor mij een gapend gat:
dat noemt men wereld
en achter mij een gapend gat:
dat noemt men graf.

En dan het bed waar ik misschien in sterven zal 
het enig eiland waar ik voet aan wal kan zetten.
Medusa’s vlot was niet veel groter
maar toch voldoende om aan land te gaan.

O jij die ik aan einders telkens tegenkom
je hoort niet en je wilt niet horen
van de dood, die als getijde
tot je halsslagader stijgen zal.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard