Niets om leven - 18/49

 

 

Français

Alleen nog naakte regen kleeft op tegels,
naakt op handen, naakt op tranen.
Alleen de vrouwen blijven die men liefhad met een blik
ook al gaan zij verder zonder mij een blik te geven.
 
Met elke schrede baken ik de wegen af
en sluit een graf dat niet het mijne is.
Met lippen droog van modder komt de tijd eraan
dat ik geen steun meer vind onder een veel te hoge hemel.

Mijn leven zal niet vlug geschitter kennen
van dauw bij eerste zonneschijn
en ruimte zal haar als een ademtocht gedenken 
die als een blad kwam trillen in mijn mond.

Van mijn verscheurde  lijf ontstijgen planten
waarvan scheuten op mijn blik gelijken.
Maar niemand weet dat ik herleef in hen
zoals de laatste plas aanwezig op de aarde.

Het bloed wordt drup voor drup geteld door andere slapen
en al mijn as vermengt zich met het stof op meubels
wachtend tot ik weer eens levend uit mijn kleren stap
zoals die dag dat heel de wereld voor mijn hoofd terugtrok.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard