|
Met
elke stap verlaat de aarde mij,
met wat ik zeg krijgt leven weer zijn vorm,
met elke kus vind ik mijn naaktheid weer.
En op mijn voorhoofd is een hemelboog gevormd.
En alles wat verlangen kan vervullen
verlaat mij als een stroom die van haar bronnen
vlucht.
De dag wordt door mijn wimpers niet weerhouden
en vrouwen sluiten zich rond alsmaar mooier heupen.
In mij roert de eenzaamheid als steen
die in een put het water raakt dat niet meer zichtbaar is.
Mijn handen zijn zo leeg als bomen
die hun bladeren vergooiden in de wind.
Mijn lichaam herbergt minder warmte
dan fundering van de muur waarin ik dring.
Bestrooit met linnengoed, hun vruchtvlees en
geslacht,
passeren vrouwen als een oogst die nimmer eindigt.
Een ademstoot volstaat om alle lucht te zuigen
uit een vallei die als een wonde opengaat.
Uit graven waar de aarde langzaam van kwetsuren heelt
stijgt nu een stem op die aan niemand toebehoort.
|