|
Meer
dan ooit is aarde onder mijn gestap gesloten
omringd door dwaas verlangen van de oogst.
Ik leef slechts in het donker van een kamer
op eender welk verdiep in heel de wereld.
Het woord dat ik niet zeggen kan of mag,
gezichten die niet passen in mijn hoofd
verteren mij zo hevig als een vuur
dat elke dag weer in mij oplaait en weer dooft.
Mijn hele leven zoek ik naar het woord
dat mijn gelaat verbindt met dat van jou.
Mijn hoofd dat amper even hoog is als een hand,
bevat de hemel die in stukken valt.
Verlangen is een warme adem die me klemt
en op mij plakt als was het wind:
geen bloed blijf in mijn huid gevangen
dat minder helder samengaat met dit verlangen.
Verlangen is als houtlijm in mijn vlees,
zoals het woud dat is in volle grond.
Hij is het die me dwingt mijn levenslied te zingen
als dood nog harder slaat dan heel mijn hart
en zich reeds lijf aan lijf op mij heeft
uitgestald.
|