De mannen draaien rond
eenzelfde vrouw
als zeeën rond een eiland.
Zij is heel mooi en boven iedereen verheven
met blikken die zich in je slapen boren.
Fixeren in je ogen doet zij met gemak
als iemand voor wie dood geen zin meer heeft.
Haar schoonheid spreekt zo voor zichzelf
als oogst gericht naar zonneschijn.
En niemand weet of zij een plant is
door de aarde aangemaakt verlangen te benoemen.
Veel mannen brengt zij met een kus tot leven
maar loopt dan verder zonder het te weten.
Om haar te volgen moet men telkens stoppen. Zij
gaat binnen
in een grijs gebouw gelijk aan alle huizen van de
straat.
Die vrouw is zeker van de wereld: zij woont
daarboven in een lage kamer.
Want zolderingen zijn op alle plaatsen laag
met enkel hoge gevels om ze steun te geven.
Veel lichter wordt het als men deze vrouw bezoekt
aan bedden waar zij in haar naaktheid straalt.