Niets om leven - 28/49

  

 

Français

Al lopend in de nacht
is licht rondom mij uitgegaan
en is mijn aangezicht geschaafd
terwijl de nieuwe dag het helen kan.

Het is een onbeschermd gelaat
geheid op mijn ontheemde lijf
terwijl de wereld ochtend zoekt
in vuilniszakken op de straat.

De vensterramen zijn als gaten
waarin luchten dichter komen
dan alle torens hier op de aarde:
leunend op hun schaduw sta ik recht.

Als zon verschijnt
geloof ik dat zij mij helpt leven
maar in mij verduurt mijn bloed,
vanuit het hart dat nooit een dag begroet.

Wanneer een vrouw verschijnt die mooi moet zijn
en dichter komt dan alle licht ter wereld,
ben ik verzekerd dat ik haar beminnen kan
moest zij niet in de armen van de massa liggen.

Een vrouw wacht op mij in een kamer
waarvan het lichaam open komt voor mij
in één moment met zulk een volheid
dat niets ook niet de dood het kan begrenzen.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard