Niets om leven - 36/49

  

 

Français

Na afloop van een dag als alle andere verspild
met wachten in de kamer waar hij werkt,
dringt hij de nachten binnen
die hem voor losgeld vrouwen geven.

Eenzelfde nacht vol lichtkonvooien
nachten draaiend onder zuilen wind
nachten die de blikken blinkend maken
nachten rustend op de ogen als de zeeën op een schelp.

De mannenhand is pas echt levend
als zij tussen dijen dringt
op zoek naar een geslacht
dat zich ontdekken laat als was het vrucht in gras.

Dit vlees dat ik betast en naar mij trek
als een te zwaar beladen tak
dit vlees dat huivert
wanneer het linnengoed wordt uitgedaan
zoals men jonge scheuten
van het leem ontdoet dat hen bedekt
dit vlees, het enige gebied
waar ik mijn anker werpen kan.

Dit vlees is enig perspectief
dat leidt naar een verlangen
dat nieuw en lichtend is als ijzer dat men smeedt.
Zoals een mol wroet dit verlangen in de vrouw
die ademhaalt met heel haar buik.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard