Niets om leven - 37/49

  

 

Français

Zij lag met borsten hard als harnas
in de volle zomer van een mannelijk omarmen.

Met effen huid rondom haar sekse
die zij met haar handen grijpen kan
zodat hij hoger dan haar lichaam kwam,
en bossen haar ontstegen
met simpel stoten van haar lenden.

De wasem die haar huid bedekt
zoals op onbezoedeld fruit
laat toe te blinken als een pas gepoetste ruit.

Men zocht het beukennootje in haar lijf
zoals een bron aanwezig in het bos
waarin de hitte van de wereld drijft.

Met lange teugen, zonder stoppen,
dronk de man de vrouw haar borst.
Het was betoverend van dauw
en handen, armen, benen
stampten zacht en langzaam in het rond.

Als zij de ogen sloot
school heel de wereld in haar ooglid,
als zij dijen sloot
begon in haar een boomstam wortels aan te maken.
Haar haren drongen in de bodem
en kwamen vrij als kruid.

Zij was zo uitgestrekt als licht
dat schittert boven nevels.
Zij was zo mooi omdat zij ogen had,
zij was zo levend om haar mond,
zij was zo vrouw omwille van de man die in haar opschoot als een plant.

Met hoofden enkel vast langsheen een ader,
een hoofd dat uitkeek boven diepte,
ontvouwde zij haar huid en die van hem
om hen dichtbij aaneen te wrijven
als vochtig laken komend van het bleken.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard