|
De wind
ontsteekt het
licht
dat van de nacht een hoge wortel maakt.
De dingen laten schouders hangen, zonder hoofd,
en strekken dan hun vingerloze handen.
Armen duwen talrijk tegen muren
tot de kamer schudt en bijna om zal slaan.
En jij waarvan ik hou, ontwaar ik, met gesloten mond
geleidelijk ontbloot doorheen je eigen schijnen.
Je lichaam is een watervlak
waar zon in al zijn naaktheid schittert.
En in jou blik schuilt er een duisternis die brandt
als vuur dat is verzonken in een kleurrijk glas.
Als alle lichten doven worden werelden een blok
zodat ik er aan twijfel of jij wel bestaat
dicht aangedrukt met heel je lichaam
krijg jij vorm op mij als sterke plant.
Rondom ons wordt de nacht verdicht
zodanig dat, geklemd tegen elkaar,
wij voelen dat de nacht ons scheidt
van alles wat misschien verschilt van onze huid.
|