|
Dicht bij jou
zocht ik de zin van leven,
en ik vond alleen een lichaam waar mijn mond
van keerde met eenzelfde kus van
staal
hetzelfde onbeschaamd wanhopig vuur.
Wanneer de wereld weer tot leven kwam in handen
en in kloppen van mijn aangeschoten buik
liet ik een schreeuw van vreugde rollend op een wezen
als was het op de hoogste golf in zee.
Ik trachtte bovenuit dat vlees te komen
maar zij bleef een bergpas op haar plaats
getekend door een weinig lentedauw,
als zonnesplit in ‘t hart van deze wereld.
De woorden die ik sprak om ruimte te creëren
daalden als een vogel neer
in blikken waar de hemel werd weerhouden
en liefde nestelt niet te grijpen tussen ogen.
Je lichaam loste stapsgewijs haar aangezicht,
en gans de wereld sloot zich één moment om mij
en in het helderste van deze vrouw die
aarde voor me borg,
vond ik een woud van tederheid,
en waren wij zo ver weg van elkaar
als licht wanneer het stenen raakt.
In onze naaktheid vonden wij elkaar als in een spiegel
die geen daglicht nodig heeft zichzelf te zien.
In volle eeuwigheid, in eindeloze val,
van berg tot berg, van laar tot laar,
verbond ons lichaam zich als takken met elkaar
die van haar borsten naar mijn schouders liepen.
Ons naakte vlees steeg als een ochtend in de ruiten
met één straal naar twee gezichten
die ervan verschoten in hun blik geen einde meer te zien.
Niets scheidde ons nog met gesloten ogen.
Het genot was nieuw als gieten van metaal.
Jij bent alleen nog vrucht gevallen in het gras
en om te proeven zoek ik enkel naar je mond,
en overlaad me met je sekse en je borst.
Eén kus en ons bestaan verliest haar zwaarte
Eén lach en liefde is in alle dalen uitgespreid
Eén blik en alle zeeën vloeien boven ons
Eén woord en aarde sluit zich langzaam onder onze
voeten.
|