|
Het vuur van lampen broedt in steden
neergeslagen door een hemel waarvan nacht de aarde raakt.
Het licht hijst zich achter het luik naar boven
om gans naakt terug te vallen in de slaap van mensen.
Langs de muren die als afgesneden halzen bloeden
staan de wandelaars waarvan de nek de wereld draagt
ter plaatse omdat zij tot het inzicht kwamen
dat zij alleen maar laken zijn in bloed gedrenkt.
En als dan alle hoofden zich tezamen heffen
op een hoek waar straten zalen zijn
gehouwen in de diepte van verlaten staties,
begint er een als volgt te praten:
“Nooit zien wij elkander nog terug
want dood is tussen ons aanwezig
als het voegsel tussen stenen.”
Hier en daar in deze stille stad
gaan deuren open en wie drempels overschrijdt
valt van het leven in de leegte.
Eén wandelaar gaat niet meer binnen in de huizen
want niets blijft over om hun bek te vullen
zijn leven is al vastgeklonken aan de wereld
doordat zijn kop zijn regenjas ontstijgt.
|