|
Het enige wat zichtbaar is in steden
waar vensters sterren zijn in hoge muren
is licht van een paar lampen
die straat bedekken als een waterfilm.
De laatste mens op straat loopt met gebogen hoofd
en werpt zich in een deur die dichtgaat zonder slag
ver in een lange gladde gang
die als een tunnel onder bergen loopt.
Nooit komt hij aan het eind van dit verduisterd gat
met een bestaan te zwaar om heel alleen te dragen
omdat hij weet dat op de laatste trede
hij aan steeds hetzelfde einde komt: de eenzaamheid.
Hij weet dat duizend vrouwen
waar dan ook ter wereld liggend op hun bed
de brandende kwetsuur ontdekken in hun lichaam
voor liefde van een kus, de aandrang van omarmen.
Het plaasterlaken valt weer op zijn kamer.
Waarom het venster opendoen
waardoor de lente met de armen vol komt kijken
en hem doet denken dat hij weer niet mee mag feesten.
Temidden sterren schijnt zijn lamp nog lange tijd.
Maar denk niet dat hij nog gedichten schrijft:
hij wacht eenvoudig tot de nacht gaat liggen
om te trachten op een dag als iedereen te zijn.
|