|
Als ik je tegenkom in overdekte plaatsen
of op een weg die door de nacht gesloten is,
of in een kamer afgebakend door vier muren
dan weegt je lijf zoveel als wind
die op een morgen van zich horen liet vol zon en dauw.
In bundels kussen die jij aan me geeft
ontdek ik stap voor stap de trekken van je aangezicht,
en als ik dan mijn lippen in de jouwe drenk
is het je lichaam dat zich opent rond zijn pit.
Vanuit mijn leven naar het jouwe is een blik niet nodig
omdat je uitgestrekt ligt op je bed
zoals een beetje hemel aangehaakt aan ruimte,
omdat je lichaamshuid een bad neemt in het mijne
huiverend zoals een vlakte opklaart in het licht.
Zoals men elke avond weer te horen krijgt
hoe oceanen aan de stranden stijgen,
hoort men in de kamer enkel
golven
die mijn lichaam naar het jouwe drijven.
|