|
Ik hou van jou zoals men houd van mooie zomerdagen,
zinderend en ver geopend tussen ochtend en de avond.
Ik denk aan jou op zulk een sterke wijze
dat je afwezigheid een deur is die nog klappert in
de wind.
Behalve de gedachte die mij denken doet aan
streling
waarbij jou lichaam dat van mij omvatten kan
zoals een ondoordringbaar woud
dat evenwel het drukken van je lijf niet kan
vervangen.
Ik zoek in mij naar jou als in een stad die is
verlaten
nochtans kom ik je altijd tegen
zoals de aarde elk moment zijn bronnen voelt
maar het is koud wanneer je hand mij niet verwarmt.
Je stem, je stem die me doet leven
zoals de vlam een vuurgloed wekt,
je stem is nergens meer te vinden, niet in mijn
mond
waarin ze zich vermengde tot een kus verstomd.
|