|
Wat moet er van mijn blik
ver weg van steden die mijn leven uitvergroten,
ver weg van jou en mijn ontheemd verlangen
overhoop gehaald als jij mijn naaktheid meet.
Ver weg van ruiten in de avondval
die jou omringen met hun helse gloed,
ver weg van faren die met mij je oog viseren,
ver weg van razernij die harteklop versmoort.
De zon kan met gemak de bron beschijnen
met al haar kracht van levendige ster,
het gras wacht met geduld de winter af
die soms de einder dompelt in de regen.
Het fruit kan amper lachen
als het rijp is voor de pluk,
met moeite kijken bomen achter zich
als ik het zomers dorp ontvlucht.
|