|
Ver
van gestolde dorpen en van wegen,
gehaast om zonneschijn te zien op een fabriek,
gaan wij naar diepten van de zomer
als naar de bodem van een duikersklok.
Het hart, herrezen uit de dood,
laat toe dat zon zich vasthecht aan je ogen.
In open handen berg ik je gelaat
een schat die ik niet meer verlaat.
Je blik met zware wimpers is heel fijn en diep
gereed om aan mijn leven horizon te geven.
Met het gewicht van weidsheid om mijn nek,
geef jij je vrij langs kussen op mijn lippen.
Het zal ons jaren kosten
om weer die vogelschicht van licht te zien
die elke ochtend tegen ramen vloog,
en die we ’s avonds in de spiegel vonden, dood.
|