|
De
wind slaat gras als was het een span paarden
dat beekjes sneller wil doen lopen.
Geen levende kan zich aan dood onttrekken
omsloten in zijn huls van straten en van aders.
Het is vergeefs
naar eilanden te gaan,
van continent tot continent, van stad tot stad
want alles wat gebeurt met mensen
gaat van zijn slaap naar pols in één slag van het hart.
De zon weet niets van mensenzorgen
waarop hij af en toe zijn licht laat schijnen
een ogenblik met al de liefde van de wereld
waaraan hij enkel vasthangt met een dunne draad van lucht.
Ondanks haar mooie lichte bouwwerk
is dag niet meer dan blaadje in de nacht
waar lampen schijnen van heel hoge daken
met sleutelgaten als hun
zwakke plek.
Om op die lach van helderheid te reageren
rest enkel nog de bron met kiezelstenen hart,
een glasscherf van een fles vol schittering
het helle licht in struiken vol met netels.
|