Het
is zo kalm en rustig in het dorp
waar enkel nog een stem ontbreekt
om dakpannen in twee te klieven
opdat het enig kind in dat jaar wordt geboren.
Het bos durft niet meer naar ’t korenveld te gaan
uit schrik een enkele steel te breken
en elke aar wil naar de velden trekken
die dromen van de dag en nacht in de luzerne.
De bloemen trachten zonlicht te bewaren
zodat de avond niet heel donker wordt
en vogels waarvan schaduw over aarde schiet
gaan rusten op de bomen die ze kruisen.
De brug waarvan het heel gewicht rust op de stroom
is slechts een hoopje stenen op de weg
die als een kat met ruimte speelt die als een prooi
zichzelf vernietigt in haar klauwen.
De velden worden groter door de wegen weg te duwen
vanuit de kracht van honderdduizend grassen
die van de bronnen open ruimten maken
zodat de wereld al het daglicht binnen laat.