|
Het
bos telt een voor een de regendruppels
met een stem die vogels in doet slapen.
Niettemin applaudisseren zij wel eens de wind
die aandrong om met hen te dansen.
Van
boom tot boom gaat loof naar wegen
tegen wie zij soms te pletter loopt, verminkt als gras
waar
dikwijls een door koude neergevallen bij
de
zon verzoekt haar weer het vliegen aan te leren.
De
regen nevelt traag van dorp tot dorp
op hoge broze poten van insect
om
dan in klare wijdten neer te vallen
zonder nog een spoor te laten dan wat dauw.
Het
beekje geeft een zetje aan de brug
zodat
haar bodem vol is van het gras dat om haar lacht
alsook
aan wegen die uit zicht verdwijnen
dichtbij hoeven waar de avond langer kan verwijlen.
|