|
Om
tot de zon te spreken die weer alles samenbrengt
en zich nog verre houdt als zat zij op een stelling
zoekt
oogst vergeefs naar woorden die haar aren
aan
de wind niet zeggen durft omdat ze hen omver zal blazen.
In
stilte waarrond stenen op wat stapels ligt
als
in een schacht, klopt het te grote hart
van
steden waar honderd duizend mensen samen wakker worden
en
voor een keer als broeders op mekaar gelijken.
De
dag komt op, weerspiegelend
het bloed dat moeizaam naar de slapen stijgt
en
aders in de polsen op doet lichten
wanneer
de zon de weg van bloed ontstopt.
De
ochtend komt te voorschijn tussen struiken
en
weet dat niets haar aan mijn oog onttrekt
behoudens
dan de schaduw van mijn hand op lucht
of
van een boom die aarde in twee helften splijt.
|