|
De
zon vliegt onvermoeibaar over sporen
voorafgaande aan de trein die haar pas ‘s avonds krijgt.
De
zon verbindt de kleine staties
tussen hommels afgeschoten als een kogel van de berm.
De
boer geraakt niet meer vooruit in haver
gevangen
door de ruimte die hem klemt
en
als hij zijn gelaat richt naar de hemel
beseft
hij dat hij niet alleen is om te kijken.
Want van het topje op een heuvel,
ziet
hij veraf vensters blinken
waar
als bron het landschap uit te voorschijn komt
van
veel te mooie gaarden verlaten door de bijen.
Zijn
hoofd drijft zonder moeite over oogst
als
ging het om een dobber in de zee
terwijl
het dorp dat verder ligt een eiland is
waar men pas ’s avonds bij het lage tij kan komen.
|