|
Mijn
nagels drukken in mijn huid
zodat
ik nog besef te leven
wanneer mijn vingers ervan schrikken
het gebeente
te omsluiten dat veel liever dood zou zijn.
Wat
blijft er van mijn veertig jaar
behalve
dan herinnering aan ondergaande zon
op
avonden waarvan geen plaats of dag bekend is,
en koren dat, kaarsrecht, op weg is naar de nacht?
De
zon geeft aan niet weg te komen
uit de waterschermen boven steen en weg,
uit
ogen van verliefde meisjes
waarin een mannenblik voor 't eerst verdwijnt.
Zij
komen dichterbij vol twijfels of de muren lichten
door het lichaam dat hen nadert en verwarring zaait
zoals
een ruimteschip dat naar de aarde vaart,
een
felle schicht waaraan de horizon zich brandt.
Verstrooiend
licht heeft enkel steun
aan
handen toegereikt door nachten
waardoor
mijn vlees gaat stralen en zich rekt
ver weg van duistere gebieden van mijn hart.
|