Zomer zonder eind

Stenen in de zon - 12/18

 

Français

Een schoof temidden schoven die hij recht zet  
voelt de boer zich meester van de zon
zodat zij enigszins blijft schijnen boven koren
waarboven ochtend fris herboren wordt.

Zij gaan naar dorpen als een kudde vol gebel,
met achter hen, het vierkant van een lege lucht
waar binnenkort de dorsmachine komt

met een lawaai dat ’s avonds niet versmoort.

Ontdaan van angst rust aarde tussen wortels
want stromen en een venster waken in haar plaats
tot aan de dag dat, stijgend naar de kruin van bomen,
zij met voeten in de lente baadt.

Het verste veld krijgt van de ploeg een naam
die zij altijd herhaalt, wanneer ze op en af gaat
in de zomer zonder eind, met wijsjes
die allang vergeten zijn in ’t eerste dorp dat zij doorkuist.

Het dal is vlug gevuld met veel te grote nachten
hier en daar ontzegeld door wat lampen,
enige gezelschap voor wie eenzaam is
als deuren in de muur hun draaien stoppen.

  

© Lucien Becker, L'été sans fin, Editions de Chaumeane, 1961