|
Een
schoof
temidden schoven die hij recht zet
voelt
de boer zich meester van de zon
zodat
zij enigszins blijft schijnen boven koren
waarboven
ochtend fris herboren wordt.
Zij
gaan naar dorpen als een kudde vol gebel,
met
achter hen, het vierkant van een lege lucht
waar
binnenkort de dorsmachine komt
met een lawaai dat ’s avonds niet versmoort.
Ontdaan van angst rust aarde tussen wortels
want
stromen en een venster waken in haar plaats
tot
aan de dag dat, stijgend naar de kruin van bomen,
zij met voeten in de lente baadt.
Het verste veld krijgt van de ploeg een naam
die
zij altijd herhaalt, wanneer ze op en af gaat
in de zomer zonder eind, met wijsjes
die allang vergeten zijn in ’t eerste dorp dat zij doorkuist.
Het
dal is vlug gevuld met veel te grote nachten
hier
en daar ontzegeld door wat lampen,
enige gezelschap voor wie eenzaam is
als deuren in de muur hun draaien stoppen.
|