|
De
lucht rust ’s middags op het slapend koren
en wind kan aren niet doen spreken.
Niets verbreekt hun rij behalve dan een stad
waarvan de eerste lamp de nacht verdrijft.
Wanneer zij keer op keer rondom haar velden loopt
houdt zij soms voor de bloemen halt
die buigen over haar als gracieus danseuse
en zo de harde wegen op de zomer wint.
Wanneer de bliksem gekgedraaide drijfstang is
in ’t hartje van een onweer dat de heuvels ondersteunt,
legt het zich neer zodat de leeuwerik een nestje vindt
gesloten graf terwijl het messen regent.
Het gaat voorop in karren die draaien over stoppelveld
zodat het in triomf de korenschuur bereikt.
En dag en nacht zijn pannen die er waken,
om haar wat te verstrooien voor wanneer de dorser komt.
Het voetpad dat weer vrijkomt dwaalt er hele nachten rond,
keert op zijn stap terug als hij aan wegen komt
die naar de stad gaan zonder dat de zon gaat liggen
behalve dan van ruiten die elkaar bestaren.
|