|
Het
graangewas dat naar de heuvel stijgt
om haar te overhalen
als een schuit te stranden
in een zomer zonder grond, werpt tevergeefs zich op een weg
die
slaapt in schaduw van de bomen.
De
dag dringt binnen in het mooiste onweer,
gaat dan naadloos over in de nacht,
de
zon komt even weer en kleurt de laatste wijnstok
of
meet zich met de felste bliksemschicht.
Hij
leert aan stenen zich te wassen in de ochtend
in
dauw die langs de wegenboorden ligt,
maar
velden kunnen zonder haar gaan stappen
gelijk op weg als boer en paard.
De avond heeft nog krachten over voor geschitter
als lucht met al zijn zwaarte op haar rust,
in oogjes van een slecht
verstopte vogel
temidden vruchten die men zeer nabij kan zien.
|