|
Een
slaper zonder naam ligt onderaan een boom
gestrekt
op aarde waar niets meer beweegt
behalve
af en toe een bosje gras
dat
zoekt naar lucht om uit te blazen.
Men
ziet de stenen uit hun schuilplaats komen
gespannen
kijkend naar het niet te grijpen licht
dat
komt en gaat van aar tot aar
zonder
ooit geheel op een te blijven zitten.
De
horizon is enkel nog een dunne streep van vuur
die
flakkert als men er te lang naar kijkt
vanwaar
het zacht en ingewikkeld land vertrekt
naar
daken waar elke avond zon op valt.
Ver
van het dorp waar muren dutten
vindt
men wegen die men niet meer vergeet
omdat
men hen van boom tot boom gevolgd is,
als
loopbrug uitgeworpen op de aarde.
|