|
Het
koren wacht op mensen die in avondlicht
het
drummen van de kudde leiden, roepend met een stem
die
langzaam zwakker wordt maar niet verdwijnt
waarna zijzelf gaan spreken tot de ochtendstond.
De
mens is zonder nieuws van godverlaten dorpen
nog
voor de sterren lichten in de avond
en
enkel een paar lampen lichten
die op muren schijnen zodat zij op ruïnes lijken.
Zoals
de beken opgejaagd door nevels
in
hun vlucht naar avond, herfst of zee,
loopt
hij naar deuren ingepakt door licht,
en opent hen, herademt, vind alzo zijn schaduw weer.
Door
vensters hoort hij een moment het ruisen
van een populier die met de winden vecht
waarna
de slaap hem overvalt als beeld gelegen op een bed
waar al zijn ouders leven zagen en ook stierven.
|