De Kopervreters
De geschiedenis van de zinkarbeiders in de
Noorderkempen, Staf Henderickx, 2000, EPO

Mail  Staf Henderickx   Inhoud    Home

Omslagontwerp: Compagnie Paul Verrept, Vormgeving: EPO, Druk: drukkerij EPO, © Staf Henderickx en uitgeverij EPO vzw, 2000, Email: uitgeverij@epo.be, Isbn 90 6445 171 0 D 2000/2204/8 Nugi 661 Verspreiding voor Nederland: Centraal Boekhuis BV Culemborg

Web-versie: met blz, doorlopend  
 PDF-versie:  met blz, doorlopend  

Inhoudstafel en voetnoten (*-tjes 
omgezet in voetnoten) zijn interactief

Inhoud - Top

Deel I Het boek van Jon Van Bommel

Hoofdstuk 1  1860-1872  Boerenleed
Hoofdstuk 2  1872-1896  Fabrieken op de hei
Hoofdstuk 3  1896-1909  Schulte
Hoofdstuk 4  1909-1911  Kapelaan Jans
Hoofdstuk 5  1911-1914  August Dewinne
Hoofdstuk 6  1914-1918  Wereldoorlog I

Deel II Het boek van Piet Poppeliers

Hoofdstuk 1  1970           Lej Jacobs
Hoofdstuk 2  1971           De staking
Hoofdstuk 3  1920-1940  De flessenfabriek
Hoofdstuk 4  1940-1944  Wereldoorlog II
Hoofdstuk 5  1971           De rijkswacht
Hoofdstuk 6  1971           De nieuwe professoren
Hoofdstuk 7  1971           De stemming
Hoofdstuk 8  1971           Loodziekte

Hoofdstuk 9  1971-1972  De vakbond
Hoofdstuk 10 1973-1991  De nieuwe tijden
Slot

Noten
Historische figuren
Geraadpleegde boeken en bladen
Achterblad

Staf Henderickx

Enkel met de hulp van velen kon dit boek geschreven worden. Daarom wil ik hen allemaal danken en vooral Lieve Bergmans, Ingrid Van den Berk, Viviane Willekens, Theo en Chris, Dirk Schoofs en Jef Geys. Uiteraard hebben ook de families Poppeliers, Jacobs en Van Bommel me geholpen met hun levensverhalen en foto’s.

Deel I - Inhoud

Het boek van Jon Van Bommel - Inhoud

Hoofdstuk 1 - Boerenleed (1860-1872) - Inhoud

In 1860 liet hij zijn eerste schreeuw in een lemen hut met strooien dak op de Heuvelse hei als zoon van een Lommelse dagloner. ‘Adriaan’ werd zijn doopnaam, maar iedereen noemde hem hier ‘Jon’. Toen hij nog een broekventje was, kon je over de heipaadjes lopen van Lommel tot Balen, Beringen of Overpelt. Hei, hei en nog eens hei, zo ver je kon zien. Als de kleine Jon op de ‘Eikesberg’ klom, tuurde hij als een schipper over een purperen zee met witte duinenkoppen. Wegen waren er niet tussen die dorpen, alleen karrensporen, die in bochten hun weg zochten in het zand of het slijk. Er was de weg van Hasselt tot ’s Hertogenbosch en van Antwerpen tot Breda. Verder niets. In oude atlassen zag je in ’t midden van Afrika een witte vlek met de vermelding ‘woestenij’. Wel, zo stond dat ook op Belgische kaarten van die tijd, maar dan voor de Kempen en met de vermelding ‘hei’.

In 1860 liet Jon zijn eerste schreeuw in een lemen hut met strooien dak op de Heuvelse Hei als zoon van een Lommelse dagloner.

Elk dorp was op zichzelf aangewezen en lag als een groene oase midden die zandzee. Om zand en hei buiten de wei te houden, werd elk stuk weiland omzoomd met een houtkant van els, hazelaar, beuk en eik. De boeren overleefden met wat hun eigen land voortbracht. Alleen roggebrood, aardappelen en boekweit, soms wat spek of boter kwamen op de plank. Met de wol van de schapen en het linnen van vlas kleedden ze zich. Ook herders zwierven met hun kudde schapen rond op die heivlakte.

Elf open bekken moesten de ouders van Jon voeden, maar dat was toen gewoon. Moeder kloeg nooit, al kregen de kinderen meer kletsen dan eten. De pastoors preekten, de boeren kweekten. Het was de wil van God. Kerk, Koning en Kapitaal wikten en God beschikte. Want zelfs koningen stierven. Op 75-jarige leeftijd overleed in de winter van 1865 de eerste Belgische Koning Leopold I. Naast zijn nicht Koningin Victoria van Engeland en de halve adel van Europa, begroetten zelfs enkele handelaars van Lommel samen met een half miljoen Belgen de plechtige rouwstoet. De rijkelijk aangeklede zwarte hengst van de koning hinkte achter de kist aan. Kwatongen beweerden dat het strijdros opzettelijk werd gewond om het spektakel nog meelijwekkender te maken. Marieke, Jons ouder zusje, stierf datzelfde jaar aan moeraskoorts. De vennen en moerassen krioelden van het ongedierte. Een jaar later verdronk zijn jonger broerke, Fonske, in de beerput. Zijn moeder was efkes de was ophangen. Een kindje in de wieg en een ander in de kist.

‘God zalft ook, waar hij slaat’, troostte de pastoor zijn ouders.

Toen hij in de hei was verdwenen, vloekte Jons vader hem na: ‘Alleen pastoors krijgen verdomme geen koorts. Ik ben dat slaan en zalven beu!’

De pastoor had het gelukkig niet gehoord.

Alleen al aan cholera stierven er dat jaar 1866, 30.000 mensen, vooral in de krottenwijken van de steden. De bewoners van de rijke herenhuizen in de centra bleven gespaard.

‘Het zijn hier brave mensen in de Kempen’, herhaalde de pastoor dikwijls na de zondagsmis. Dan keek Jon vlug de andere kant op en dacht bang aan de uithaal van zijn vader.

Op kerkbanken heeft Jonneke veel gezeten, op schoolbanken weinig. Als eind april het schoon weer begon, moest hij helpen op de boerderij. Zijn vader ging als dagloner op de Groote Hoef werken. Voor elf uren labeur verdiende hij 1,2 frank, zonder kost en inwoon. Daarom kon moeder thuis elk handje gebruiken. Ook al hadden ze maar twee koeien, één os en tien schapen, werk was er altijd. Samen met zijn broers kapte Jon strooisel en heiplaggen voor de stallen of staken ze turf voor de haard. Ook het

hoeden van de koeien en de schapen behoorde tot hun karweien. Zijn zussen hielpen moeder bij het melken van de koeien, het boteren van de melk en het stoken van de koeketel. Driemaal per dag vulden ze de ketel met water, roggemeel, vlasballen en rapen. Daarna hing die uren in de open haard te pruttelen.

Mensen troosten zich soms aan de nog grotere miserie van anderen. Jons moeder was zo iemand. ‘Als ge ziet wat nonkel Hein en nonkel Zjang is overkomen, dan mogen wij nog niet klagen.’

Oom Hein werd als landloper opgepakt en opgesloten in de tuchtkolonie van Wortel. Oom Zjang trok tweemaal per jaar naar de Walen om daar bij herenboeren de oogst te pikken en de bieten te rooien. Jon was er steeds als de kippen bij om hem mee uit te wuiven aan het station. Hij voelde zich een prins op die glanzende banken van het nieuwe station van Lommel-Kattenbos. Alles was er zo blinkend en proper. Zijn klompen moest hij buiten aan de deur laten staan.

Jon voelde zich als een prins op die glanzende banken van het nieuwe station van Lommel.

‘Dat is hier geen varkensstal’, riep de stationschef tegen een boerke dat verstijfde van de schrik. Met een groepje van negen seizoenarbeiders troepten ze samen. Elk had zijn gerief in een blauwe lijnwaden zak samengebonden aan een stok: verse kleren, wat tabak en zeep. Nu lachten ze nog, maar ginder was het zwoegen en zweten zolang het een beetje licht bleef.

‘Ik heb ooit in drie weken mijn kleren niet uitgehad. Bij die laatste boer sliepen we in de koeienstal’, blufte nonkel Zjang.

Jon wou ook weg uit dit godvergeten gat, maar al die straffe verhalen schrikten hem eerder af. Hij drukte zijn neus plat tegen een raampje in de hoop als eerste de rookpluim te bespeuren.

Zijn oom merkte het: ‘Ja, ja, Jonneke, die spoorlijn loopt van Antwerpen tot aan de Rijn.’

Eindelijk hijgde, pufte en stampte de stoomtrein het station binnen. De locomotief piepte en kraakte en stopte vlak voor de neus van kleine Jon. De stoommachine brieste als een paard. Jonneke zag of hoorde niemand meer. Dit stalen reuzenpaard was een dromenfabriek.

‘Jon, gaat ge nog mee naar huis of blijft ge hier wonen?’ wekte zijn vader hem uit zijn dagdroom. De trein en nonkel Zjang waren verdwenen.

Hun klompen kletterden over de nieuwe kasseiweg van het station tot aan de kerk. Thuis wachtten moeder en de kinderen ongeduldig voor het avondmaal. Toch bad vader even traag en devoot als altijd het gebed voor het eten. Na het tweede kruisteken reikten acht houten lepels naar de papblok. Traag sopte Jon de dikke boekweit met brokken roggebrood in de zoete pap. Zijn gedachten dwaalden opnieuw af naar verre landen. De indringende geur van de stal, de koeketel en het turfvuur brachten zijn voeten terug op Kempense bodem.

‘Het is hier nog niet zo slecht’, probeerde Jon zijn onrust weg te duwen.

Ook ’s avonds als Jon in de hei bij zijn schapen waakte en in de verte het gefluit van de trein hoorde, maakte hem dat onrustig. Vroeger was er den Heuvel en Lommel. Dat was de wereld. Je werd hier op de hei geboren en je werd er ook in begraven. Niemand vertrok hier, niemand kwam hier toe. Ja, soms een scharenslijper of een teut (1), maar van de boeren, geen kat. Die trein opende de poorten naar de wereld. De dag dat ook jonge mannen en vrouwen vertrokken, veranderde alles. Elk jaar waren ze met 284 in Lommel. In 1900 herbergde het Luikse bekken reeds 60.000 ingeweken Vlamingen. Maar ook Luik was geen poort naar de hemel...

Niemand vertrok hier, niemand kwam hier toe. Ja, soms een scharenslijper of een teut.

Als de hele buurt tijdens de lange winteravonden in het gele licht van het haardvuur urenlang zat te uchteren(2), kwam buurjongen Gust op de proppen met sombere verhalen over Luik en over de koolmijnen van Ougrée:

‘Boven leven we in het vagevuur, beneden wroeten we in de hel. Twaalf uur per dag: mannen, vrouwen, kinderen en paarden, maar die geraken nooit meer uit die hel... en als we ons boven roeren, dan schiet de gendarmerie ons naar den hemel. Verleden jaar 20 doden in Epine, dit jaar 2 in Seraing. En wie denkt ge dat voor de rechtbank moest verschijnen? Niet de moordenaars, maar de slachtoffers. Zo werkt dat hier in België.’

‘En die nieuwe koning, Leopold II, is hij niet tussenbeide gekomen?’ vroeg een goedgelovige buurman zich hardop af.

‘Hij eist nog meer geld voor de gendarmerie en het leger... om ons tegen een inval van de Hollanders of de Luxemburgers te beschermen zeker?’

‘Gust, als ge zo blijft praten, gaat ge echt in de hel belanden’, waarschuwde zijn moeder.

‘Moeder, van god noch gebod ben ik bang. Toen Leopold II te paard op weg was naar het parlement, hebben betogers een pak pamfletten tegen zijn kop gekeild. De vorst stuikte bijna van zijn paard. Dat zijn pas kerels. Die durven.’

Bij die woorden van Gust sloeg zijn moeder een kruisteken en prevelde een schietgebed.

Toen de aangedikte verhalen van Gust vader ter ore kwamen, verbood hij Jon alle contact met de onruststoker.

Ploegen, mesten, eggen, zaaien, oogsten, dorsen, malen en bakken. Elk jaar opnieuw vocht de familie Van Bommel voor haar stuk roggebrood. Rogge was zowat het enige wat deze arme zandbodem prijsgaf. Op de vruchtbaarste stukken van de rijkere boeren gedijde wat haver. Die diende voor de aanmaak van havermout of als voer voor hun paarden. Het koren en de patatten hebben veel mensenlevens gered.

Soms verkocht Jons moeder niet alle boter en stond er op zondag ook een klompke op tafel. Dan was het kermis. Het feest was nog groter omdat vader dan thuis bleef. Op de dag des Heren mocht niemand werken. Als controleur van God wandelde de pastoor die dag door de velden.

‘Kijk eens, mijnheer pastoor, mijn roggeveld. Wat staat het schoon... door hard werk van deze handen.’

‘Maar ook door het stille werk van Onze-Lieve-Heer, boer Van Bommel.’

‘Kijk daar eens, mijnheer pastoor, mijn patattenveld. Wat staat het schoon... door hard werk van deze handen.’

‘Maar ook door het stille werk van Onze-Lieve-Heer, boer Van Bommel. Maar... die plek daar met onkruid en distels, is die ook van u, boer Van Bommel?’

‘Ja, mijnheer pastoor, dat is waar, maar daar heb ik Onze-Lieve-Heer alleen zijn werk laten doen zonder mijn handen.’

De pastoor vond het een godslasterlijke grap.

’s Zondags was Jons vader ook altijd goed geluimd. Na de hoogmis gingen de mannen pinten pakken in café De Kroon.

‘Hij mag ook iets hebben. Als hij voor het noenmaal maar thuis is’, troostte moeder zichzelf. Bij mooi weer pakte Jons vader zijn harmonica, zette zich in de schaduw tegen de eikenboom en zong. Als schaapjes troepten de kinderen rond hem samen. Ze duwden en trokken om het dichtst bij hem te zitten. Meestal waren zijn liedjes droef. Moordenaars, landlopers en armoedzaaiers waren zijn helden. Zijn stem kloeg en weende:

Doodarm, versleten Kempisch wijfke,
gij woont ginds op de rosse hei,
in uw armzalig lemen hutje,
gedekt met halm, gevloerd met klei.

Wie heeft er uw verrimpeld wezen
sinds vijftig jaren nog bedacht,
uw knekelhand een druk gegeven,
 uw eenzaamheid een groet gebracht?

Gij leeft van alleman vergeten.
Een schrale geit, een dove kat,
een hin of drie is al ‘t gezelschap
dat gij, arm scharminkel, ooit bezat.

Voor mondkost hebt ge een halster koren,
een kruikske smout, een kroegske vet,
voor brand, wat turf en dennenvulsel,
wat hooi op ’tschelfke voor uw met.

Voor huisraad enige aarden potten,
Een strooien bed, een waggelend schap,
voor kleedsel een katoenen mantel,
een rok, een lijfke, lap op lap.

Uw kamerpronk? Een koperen kruisbeeld,
Een houten blok, een pint of drij,
de Moeder Gods, het kindje Jesus
en Sint-Donatus nog daarbij.

Aldus bedeeld, zo sleept ge uw leven
 jaar in jaar uit, gelijk ge al kondt,
en lijdt misschien niet minder honger
dan menig paard en menige hond.

De laatste tijd slenterden op zondag ook vaak soldaten door het dorp. Midden de eindeloze hei tussen Lommel en Beringen had het jonge Belgische leger een nieuw oefenterrein voor artillerie in beslag genomen: het Kamp van Beverlo, het latere Leopoldsburg. Vermits de woonkazernes voor de soldaten nog niet klaar waren, lagen vele soldaten ingekwartierd bij de rijkere boeren of handelaars in het dorp. Soms lokte de harmonica van Jons vader enkele soldaten naar de meute onder de eikenboom. Als zijn moeder de soldaten bemerkte, trok ze met een smak de deur toe. Niets wou ze met die vreemde snuiters te maken hebben. Zijn oudere zussen beseften dat vanaf dat moment al hun blikken, gegiechel en gefriemel werden bespied.

Als het geroep en gelach te vrolijk werd, slofte moeder terug naar buiten. Haar ogen dwongen. Moeder morde tegen de soldaten: ‘Sinds gij hier in Lommel zijt aanbeland, zijn er drie dingen verdorven: de honden, de kinderen en de jonge vrouwen. De honden zijn niet meer trouw aan hun meester en hollen de soldaten achterna. Zelfs vlees voedert ge hen. Schande! De kinderen worden door u te veel vertroeteld en de jonge vrouwen...

ge weet wat ik gezegd heb.’ Die woorden waren vooral bedoeld voor de oren van Jons grote zussen.

Hier in de Kempen aan de grens met Holland zijn er altijd soldaten geweest: eerst Franse huzaren tegen de Hollanders, dan Hollandse troepen tegen de Belgen en nu Belgische soldaten tegen de Hollanders. De regimenten bestonden uit Vlaamse en Waalse soldaten.

De Katholieke Partij ijverde voor gescheiden Vlaamse en Waalse regimenten uit schrik voor de opruiende invloed van de Waalse arbeiders op de Vlaamse boerenjongens.

‘Soldaten blijven soldaten’, argumenteerde moeder.

‘Maar vrouwke, wij zijn ook maar uitgeloot en naar de andere kant van het land gestuurd. Geeft gij me het geld om me af te kopen? Als mijne pa een baron was, dan zat ik nu geen acht jaar in dit vervloekte Kamp van Beverlo.’

Met een zwaar Frans accent vervolgde zijn wapenmakker: ‘Ik kom van Verviers en daar hebben de mensen tegen de nieuwe militiewet betoogd. De gendarmerie heeft de spandoeken afgenomen en op de betogers geschoten. Eén man, Lambert Gillis, bleef dood op de straat achter.’

De Belgische soldaten verschenen pas in 1839 op het Lommelse toneel, toen het Hollandse Lommel werd omgeruild tegen het Belgische Luyksgestel. Dat liet de eerste Belgische Koning Leopold I in 1842 toe graafwerken te starten voor een Maas-Scheldekanaal zonder al te veel bochten. Voor het eerst werd de eeuwige hei in tweeën gespleten. Zoals het mes van de slager de witte huid van een varken rood openrijt, zo sneed een gele kloof de purpere hei open. Over een traject van 20 km gingen 2.000 schoppen op en neer. Voor elke 100 meter 20 man. Elke dag opnieuw begon de waanzinnige wedloop naar de diepte. Hoe dieper er was gegraven, hoe hoger het dagloon. Daarom schommelde dat tussen 1 en 1,80 frank per dag. Als mieren duwden de gravers hun kruiwagens langs de haarspeldbochten omhoog. Om dit labeur vol te houden werd deze calvarie verdeeld in estafettes van 20 meter. Per 100 meter kanaal moest 15.000 kubieke meter grond worden uitgegraven. Eén kubieke meter was 20 kruiwagens. Dus 20 man moesten voor 100 meter 300.000 kruiwagens zand omhoog kruien. Na 2 jaar was het kanaal gegraven.

De meeste kanaalwerkers kwamen uit Antwerpen. Voor de Kempense boer waren dat vreemdelingen. Ze sliepen in barakken vol vlooien en ratten. De ploegbazen zochten zich een kamer of een bakhuis bij de boeren. Tot laat in de nacht klonk hun zat gelal over de hei.

Enkele jaren had Jons vader nog als grondwerker geholpen bij de graafwerken. Vader stoefte tegen de soldaten: ‘Als grondwerker werden we goed betaald. Toen al verdiende ik 1,50 frank per dag. Voor den eerste keer was er hier werk in de streek: kanalen werden gegraven, wateringen aangelegd, bossen geplant en de wegen gekasseid. Van overal kwamen ze: de hei zat hier vol vreemde luizen. Zij noemden ons toen plagend schupteuten(3).’

‘Met het geld dat ik toen heb gespaard, heb ik dit boerderijtje kunnen pachten. Anders had ik nooit kunnen trouwen met ons Mai.’

Met een militaire groet onderstreepte vader zijn fierheid. Bruusk, maar met een lachje op haar lippen, draaide moeder zich om. Ze stapte terug naar binnen en roerde de koeketel.

Een zus van Jons vader, Tante Net, die op een afstand stond te luistervinken, droop nu ook stilletjes af. Haar matte ogen verraadden jaren diepe droefheid. Ze zuchtte. Die laatste woorden dreven haar op de vlucht en wekten slapende honden in haar jaloerse geest. Op weg naar huis tolden steeds dezelfde gedachten door haar hoofd: waarom ben ik nooit kunnen trouwen? Mijn schoot heeft ooit geschreeuwd om kinderen.

Soms schrok ik wakker en hoorde ik peuters in mijn nachtmerries huilen. Maar als ik de dreumes uit zijn wiegje wou nemen, werd ik kletsnat van het zweet wakker. War, een knecht op de Eltenhoef, zit me ’s zondags in de kerk wel altijd te beloeren. Bij het verlaten van de kerk probeert hij vlak naast mij langs de middenbeuk mee naar buiten te schuiven. Maar wat heb ik aan een man zonder hofstee? En daarbij, zelfs ’s zondags ruikt hij naar den bok. Onze va spelt ons altijd de les: eerst een kot en dan een varken!

Nog twee ooms en een tante van Jon deelden hetzelfde lot. Samen woonden ze nog onder het ouderdak. Jon noemde zijn suikertante ook steeds ‘moei’, moeder. De liefde was geen vrije keuze voor de jongeren. De armoede kooide hun vrijheid en ketende hun dromen. Sommige boerendochters en -zonen ontvluchtten het harde boerenbestaan en werden non of pater. Tante Anna verdween zo achter de poorten van de Arme Klaren in Herentals. Tante Clara was amper veertien toen ze naar de stad ging dienen. Tweemaal per jaar kreeg ze toelating om haar ouders te bezoeken. Samen met andere kinderen holde Jon dan langs de kar die haar van het station naar de boerderij van zijn grootouders voerde. Tante Clara wist wat dat betekende. Ze grabbelde in haar tas en wierp enkele snoepjes naar de bende joelende kinderen.

De voorbije winter kwam tante Clara voor het kerstfeest naar Lommel afgereisd. Zoals steeds zat ze ook die keer naast Jons grootvader vooraan op de kar. Ze wuifde niet, ze lachte niet, ze wierp geen snoepjes... Verstijfd, met rode, gezwollen ogen, staarde ze doelloos voor zich uit. ’s Anderendaags ’s morgens hebben ze Clara na lang roepen en zoeken gevonden... opgehangen aan een balk in de hooischelft. Vader was woedend op ‘die heren van ’t stad’. Moeder fluisterde tegen de buurvrouwen dat het een eeuwige schande was.

Op haar terugweg naar huis kruiste tante Net enkele boerinnen. Ze groetten haar, maar Net merkte hun verwonderde blikken niet. Stiekem was Jon haar achternagelopen. Eind juni waren de kersen rijp in de boomgaard van zijn grootouders. Als Jon haar hand nam, schrok ze. Een traan zocht zijn weg over haar bleke wang.

‘Wat scheelt er, tante Net?’

‘Niets jongen, niets...’

Jon probeerde het liedje van zijn vader na te zingen, maar fantaseerde een tekst. Zijn tante glimlachte voorzichtig. Als ze de boerderij van zijn grootouders genaderd waren, rukte Jon zich los en holde met zijn snelle beentjes de boomgaard in. Als een kat klauterde de knaap in een kerselaar.

‘Val er niet uit!’ waarschuwde zijn tante. Als enig antwoord spuwde Jon een kersenpit naar beneden.

Vanuit de kruin van die kerselaar kon hij in de verte de kerktoren van Lommel zien. Voor zijn neus bengelde een dode spreeuw aan het eind van een boonstaak. Op zondagmiddag leek het of de wereld indoezelde. De zon deed de lucht boven de weilanden zo hevig trillen dat ze aan de horizon plassen schilderde. Ver weg loeiden dorstige koeien moeizaam.

Achter zijn rug drong het geroep door van schelle jongensstemmen. Hun donkerblauwe handdoeken zwaaiden ze als vlaggen heen en weer. Hun stemmen verdwenen in de hei. Als een eekhoorn gleed Jon naar beneden en holde hen achterna. Op zondagmiddag verzamelden de jongens aan het kanaal. Als kwakende kikkers plonsten de bengels in het water. De grootste waaghalzen doken onder de voorbijvarende aken en zwommen zo naar de overzijde.

Hoofdstuk 2 - Fabrieken op de hei (1872-1896) - Inhoud

De dag na zijn twaalfde verjaardag, 4 juli 1872, veranderde de wereld van Jon. Die morgen nam zijn vader hem mee om net als hij, als dagloner te werken op de boerderij van een rijke burger in het gehucht Bartier. Aan deze vroegere grenspost met Nederland stond een koetshuis met een boerderij. Ook het postkantoor van Lommel bevond zich in dit statige gebouw. Van Luik naar ’s Hertogenbosch donderden hier vroeger dagelijks tientallen postkoetsen voorbij. Sinds de spoorweg er gekomen was, daalde ook de bedrijvigheid aan het Barriershuis.

De heer van het Barriershuis was eigenaar van veel weiland in de ‘Wateringen’. Deze weiden werden op de hei veroverd door de aanleg van bevloeiingsbeekjes. Het werk in de Wateringen was een jaarlijks terugkerend ritueel: het haren, maaien en breken; het hooien, wennen en teilen; het heukelen, opperen en wegvaren.(4)

Op de terugweg naar de boerderij klommen de jongste knechten langs de sponnen op de hooikar. Als bij jonge vogels in hun nest staken hun hoofdjes boven de hooiberg uit.

Onder de hoede van zijn vader viel het werk als boerenknechtje wel mee. Na het melken van de koeien stuurde de boerin Jon op pad om bij enkele burgers in het dorp melk, eieren en boter te leveren. Alles was er properder, netter en rijker in hun stenen huizen. De dochtertjes met hun gebloemde jurken en roze haarstrikken durfde hij niet aan te kijken. Zelfs als ze hem één cent aanreikten als fooi, bleven zijn ogen naar de grond gericht. Onder mekaar spraken ze Frans. Als ze giechelden, voelde het boerenknechtje zich vernederd. Hij wou hun cent in het kanaal gooien, maar die was te zuur verdiend. Jon stond immers zijn volledig dagloon af aan zijn moeder. Om toch eigen zakgeld te verdienen, ging hij in de zomer 's zondags stiekem dennenappels plukken of miereneieren zoeken. In het dorp kon hij die voor enkele centen wel kwijt aan één of andere sjacheraar. De dennenappels waren bestemd voor Duitsland. De miereneieren werden verkocht aan de zoo van Antwerpen.

Als jonge kerels kenden ze altijd geldgebrek, want behalve het karige loon van een dagloner viel er weinig te rapen in de streek. De Kempense grond gaf moeizaam zijn vruchten prijs. Tot een schipper, die zand vervoerde op het kanaal, bemerkte dat het zand op het stort(5) van betere kwaliteit was dan hetgeen hij zelf vervoerde. Latere onderzoekingen bevestigden zijn spontane bevindingen. De gemeente zelf zag brood in die zandontginningen. In 1887 startte ze met de ontginning van een eerste zandgroeve op de Maatheide aan het gehucht Blauwe Kei.

Arbeiders in de zandgroeve van Kattenbos. Het zand werd met schepnetten uit het water gesleurd. Pas in 1906 kocht de gemeente een eerste baggermolen. Met paard en kar vervoerden de ‘klappers' het zand naar het station of tot aan het kanaal.

Jon was er als de kippen bij om zich op het gemeentehuis aan te bieden als grondwerker. Met 2 frank per dag verdiende hij bijna dubbel zoveel als de boerenknechten. Daarvoor moest hij maar 11 uren kloppen. Ondanks het feit dat het zand werd bovengehaald met pure handenarbeid, bracht het toch een aardige duit in de gemeentekas. Die winsten klonken Baron Stanislas Emsens elk jaar als muziek in de oren. Daarom begon hij in 1896 zelf een gemechaniseerde zandgroeve in Stevensvennen. Zijn stoommachine zou al vlug de handenarbeid onverbiddelijk wegconcurreren. De gemeentelijke zandgroeve van de Blauwe Kei moest nog hetzelfde jaar noodgedwongen haar exploitatie stoppen.

Drie jaar lang stapte jonge Jon dagelijks met zijn schoftzak door de hei naar zijn werk aan de zandgroeven op de Maatheide. Net als zijn vader droeg hij dezelfde blauwe boerenkiel en broek van Turks leder en liep hij op dezelfde klompen. Alleen had hij andere gedachten. Zijn droom was niet gedoofd door het uitputtend gewoel en gezwoeg van den boerenstiel. Alle franken die hij mocht behouden, spaarde hij voor zijn droom. Na de zondagsmis, als zijn kameraden gingen potten pakken, holde hij door de velden naar huis. Als een kat die muizen wou vangen, zo stil sloop hij naar de slaapkamer, schoof de beddenbak weg en stak het geld onder een losse plank van de vloer. Vooraf telde hij het telkens opnieuw en kuste het even ingetogen als de boerinnen de voeten van de heiligen in de kerk. In het station van Lommel vertrok zijn droom per trein naar Antwerpen...

‘Ik zal mijn zondagskostuum van zwart Mols Laken dragen. Mijn leren schoenen zullen kleppen op de vloer van het station. Met mijn zijden hoed zal ik zwaaien. Mijn moeder zal wenen. Mijn vader zal mijn hand drukken en enkele onverstaanbare woorden stamelen. Mijn zusters zullen joelend wuiven en mijn broers schijnbaar onverschillig grijnzen. In Antwerpen op de Meir zal ik wit brood, gezouten spek en kaas kopen. Op het dek van de stoomboot, hoger dan het hoogste huis in het dorp, zal ik met mijn zakdoek zwaaien. Als ik de kathedraal onder het getoet en gestamp van mijn transatlantiek zal zien verschrompelen, zal ik geen traan verpinken. Mijn droom is Canada...’

Een paar jonge boeren waren al vertrokken. Hun brieven waren als boodschappen uit de hemel. Daar hadden de boeren land zo ver ge kunt zien. De koeien kreegt ge onmogelijk geteld en bij hun boerderij stond een echt huis van steen, zoals in het dorp. Waarom bleven de boerkes hier zo arm, dat ze geen nagel hadden om hun gat te krabben? Nog een paar jaar en Jon zou deze uitzichtloze armoe ontvluchten. Met niemand sprak hij over zijn droom. Hij zag zijn kameraden al vanuit de cafédeur lachen en joelen: ‘Hé, Jon, hebt ge uw boot naar Amerika gemist?’

Arbeiders ontvluchtten de slavenarbeid in eigen land en droomden van landen waar hun arbeid beloond werd met welstand en geluk. Koningen droomden van landen waar slavenarbeid hun rijkdom en macht zou vermenigvuldigen. Jon had een droom, een miserabele droom in vergelijking met die van zijn Koning Leopold II. Die had op hetzelfde moment een machtige droom: een eigen kolonie. Neen, geen Belgische kolonie, maar een kolonie die van hem was, alleen van hem. Koste wat kost zou hij die droom realiseren.

Zijn oog viel op een witte vlek op de kaart van Centraal-Afrika. Van zodra Livingstone in de rapporten van zijn expeditie melding maakte van fabelachtige rijkdommen, was het startschot gegeven voor de wedloop om Congo in te pikken. De Portugezen vanaf de westkust, de Fransen in het noorden, de Engelsen in het zuiden en de Duitsers in het oosten, drongen dieper en dieper door in het hart van Afrika. Na een mislukte Belgische expeditie in 1878 nam Leopold II drie jaar later de ervaren Stanley in dienst. Dat jaar legde Stanley de eerste steen van Leopoldstad, genoemd naar zijn broodheer. Niet minder dan 400 verdragen sloot deze Engelsman met plaatselijke stamhoofden. In 1885 besloten de Europese staten om de Afrikaanse koek te verdelen. Op de Conferentie van Berlijn werd Leopold II erkend als hoofd van de Onafhankelijke Congostaat. Zijn droom om ook koning te worden over een rijke kolonie werd werkelijkheid. Voor de Congolezen zou deze droom een nachtmerrie worden.

In het noorden van België ploeterde Jon ondertussen verder in het ‘zand’ der aarde.

‘Jon, zoudt ge niet voor werk gaan zien op die nieuwe fabriek in Overpelt? Het schijnt dat ze daar nog dertig centiem per dag meer betalen dan op de zandgroeve.’

Jons vader was oud en maakte zich meer en meer zorgen over zijn kinderen. Vijf van hen verbleven nog onder het ouderlijk dak. Ze kibbelden en ruzieden tot ’s nachts toe, als de een de ander wakker hield met zijn gesnurk. Door zijn dagdromerijen baarde Jon zijn vader nog de meeste zorgen. Het werk in die stinkfabrieken sprak Jon helemaal niet aan. Wel zou hij door het hogere dagloon meer kunnen sparen voor zijn reis naar Canada.

De fabriek van Lommel-Werkplaatsen. De arseenfabriek Schulte en Co. deed haar deuren open in 1888. Ze lag op de grens tussen Overpelt en Lommel. In 1904 liet Schulte een zinkfabriek bouwen op de Maatheide in Lommel en tegelijk 160 woningen, een school en een klooster.

Op tien jaar tijd hadden zich vier grote fabrieken rond Lommel gevestigd. Als eerste verscheen er in de Dorperheide op de grens van Lommel en Balen een Franse dynamietfabriek. Acht jaar later in 1902 zou ze voor de eerste, maar niet voor de laatste keer in de lucht vliegen. De arseenfabriek Schulte en Co., later ook zinkfabriek, deed haar deuren open in 1888. Geldschieter was de Duitse bank Beer und Sundheimer. De ligging op de Houtmolense Heide tussen Lommel en Overpelt was ideaal. Langs het kanaal werden ertsen aangevoerd uit Spanje en Australië. De noodzakelijke steenkool kwam langs de spoorweg uit het Ruhrbekken.

Het jaar daarop was de zinkfabriek Vieille Montagne in Balen startklaar. Ingenieurs en directie van dit Belgische bedrijf kwamen uit Brussel en Wallonië.

Ten slotte vestigde zich de chemische meststoffenfabriek Unitas vlak naast de fabriek van Overpelt. Deze leverde het voor de productie noodzakelijke zwavelzuur. De zetel van Unitas bevond zich in de Duitse stad Neuwied.

23

Al deze fabrieken hadden één ding gemeen: ze waren gevaarlijk en ongezond. Daarom kozen hun geldschieters de verlaten heidegronden van de Noorderkempen uit als ideale vestigingsplaats. De arme keuterboerkes waren daarenboven bereid hun lijf en hun ziel voor enkele franken meer aan deze duivelse fabrieken te verkopen. Rond de eeuwwisseling werkten in die vier fabrieken reeds 1.400 arbeiders van wie 400 uit Lommel.

Vóór die tijd brachten de door paarden getrokken aken het gouden zand van de Kempen naar de stad en keerden terug met mest voor de dorre Kempense zandgrond. Treinen vervoerden boerenjongens en -meisjes van de Kempen naar mijn- en havensteden en keerden terug met soldaten naar de grensgarnizoenen. Vandaag brachten die kanalen en spoorwegen de stad zelf naar hier. Midden in de hei verrezen bakstenen gebouwen en reuzenhangars met rokende schoorsteenpijpen, gloeiende ovens, krakende pletmolens en dampende koeltorens. Zevenentwintig fabrieksschouwen braakten een wrange rook uit over bossen, velden en dorpen. Als een walgelijk spook met duizenden slierten sloop het gifgas binnen in het sap van de planten en het bloed van de mensen. Op het kanaal verschenen wonderlijke boten vol buizen en kranen. Bijtend zwavel- en arsenicumzuur was hun gevaarlijke lading.

Heren met bolhoed en paraplu stapten uit roodfluwelen treincoupés recht in statige koetsen. Zelfs de pastoor nam voor hen zijn hoed af. Stonden deze heren nog hoger op de ladder naar de hemel? Misschien wel, want om in de hemel te geraken kon je aflaten kopen bij de pastoor. Om in de fabriek binnen te geraken was zelfs een brief van goed gedrag en zeden vereist van diezelfde pastoor.

Ah, Jon, ga toch zitten. Wat kan ik voor u doen?’ De pastoor stak een sigaar op en vlijde zich neer in zijn verende bureaustoel.

‘Mijnheer pastoor, onze vader zou graag hebben dat ik in de fabriek van mijnheer Schulte in Overpelt ga werken.’

De priester trok zwijgend aan zijn sigaar. Hij genoot zichtbaar van de wolkjes die hij kussend één voor één uit zijn mond liet ontsnappen. Plots veerde hij recht en preekte: ‘Jon, vriend, dit nieuwe werk houdt vele gevaren in. Waarom denkt ge dat zoveel schilders en dichters de boerenstiel verheerlijken? Omdat de boer na de priester het dichtst bij God staat. Wij zorgen voor het zielenheil, de boeren voor het lichamelijk welzijn. Daarbij, wanneer de zinnen enkel op de arbeid staan, vindt de zonde moeilijk toegang tot de ziel. Begrijpt ge?’

Jon knikte herhaaldelijk zoals de zwarte negerkopjes die als spaarpotjes voor het missiewerk overal op de winkeltogen stonden. Zonder hem aan te kijken vervolgde de pastoor zijn sermoen. Jon boog zijn hoofd. Zijn vingers draaiden zijn pet rond.

‘Ik weet dat de voldoening van allerlei driften de dag van vandaag door sommige lieden als lokaas voor de werkman wordt uitgeworpen. Onthoud goed, Jon, er is geen mooiere opdracht dan zoals Christus iedere dag weer gekruisigd te worden. Alleen door de christelijke broederlijkheid ontstaat er tussen meester en knecht gelijkheid.’

Nu begreep Jon er niets meer van. Toch knikte hij weer slaafs. Enkele weken geleden predikte de pastoor nog dat de joden Jezus-Christus hadden vermoord en Schulte was een jood en toch zou de christelijke broederlijkheid tussen hem en Schulte...

‘Luistert ge, Jon?’ verstoorde de pastoor zijn filosofische bedenkingen.

‘Ja, mijnheer pastoor. Ja, ja!’

‘Goed, Jon, ik weet dat gij een stille en brave jongen zijt. Ik weet dat ge niet drinkt of achter het vrouwvolk aanzit. Ik zal u een brief voor directeur Schulte meegeven.’

Schulte las het briefje van de pastoor vlug en oppervlakkig. Hij staarde de kandidaat over zijn monocle aan.

‘Sta eens recht, Van Bommel. Draai u eens om. Laat uw tanden eens zien. Ge lijkt me nogal goed gebouwd. Goed. Volgende week maandag kunt ge beginnen. De eerste week 12 uren per dag, de week daarop nachtpost van 12 uren en de tweede zondag zijt ge steeds vrij. Als ik content ben, moogt ge later misschien in entreprise.’

Wat dat laatste betekende, wist Jon niet, maar hij durfde helemaal geen uitleg te vragen. Schulte had daar ook niet opgewacht. Voor Jon het goed besefte was zijn verschijning weer verdwenen.

Later vernam Jon dat ‘in entreprise’ betekende dat ge dan vroeger naar huis mocht gaan, als uw werk maar gedaan was. Zo mochten de arbeiders die zink trokken naar huis als hun oven klaar was. Daarom moesten deze ovenmannen slechts 6 tot 8 uur werken, maar wel elke dag, zonder verpozen of zondagsrust. Het was hollen, vloeken en stompen om zo vlug mogelijk de oven leeggetrokken te krijgen. De ovenpremie werkte deze competitie nog in de hand: hoe meer zink getrokken, hoe groter de premie. Daarna startte de koers naar huis waar het werk op de boerderij wachtte. Die ovenmannen hadden immers thuis allemaal nog een koe, wat geiten, een klein gewin.

25

De ovenmannen moesten slechts zes tot acht uur werken, maar wel elke dag, zonder verpozen of zondagsrust.

De pastoor had gelijk. Elke dag werd Jon gekruisigd. Een mooie opdracht kon hij het met de beste wil van de hemel niet vinden. Na enkele maanden mocht hij aan de zinkoven in entreprise. Daar kwamen de duivels uit de grond gekropen. De hitte verschroeide hun haren en verschrompelde hun huid. Hun ogen pikten en traanden door de bijtende dampen. Het speeksel plakte, maar smaakte toch zoet. Zuur brandde diep in de neus alle geuren weg. Metalen lawaai teisterde hun oren. Roepen was niet voldoende. Ze schreeuwden en maakten grote gebaren als clowns in een circus. Dit was het circus van de nacht. Zoals de kolengloed de metalen uit de ertsen joeg, één voor één, zo joeg hij ook het bloed uit hun aderen.

Jons hart bonsde in zijn hoofd. Hij was zeiknat van het zweet, maar rilde toch als een espenblad. Mijn God, dit was de zwaarste straf op aarde. Hij hijgde, hapte, zweefde en struikelde. Een klets water wekte hem buiten op de kruiwagen. Wazig draaide het gezicht van de ploegbaas rond. Hij lachte. Hij praatte. Jon zag zijn lippen bewegen, maar hoorde hem niet. Hij sloot opnieuw zijn ogen. Hij hoorde hem spreken, maar begreep hem niet.

‘God, gij hebt me ogen, oren, een neus, een mond, een hart gegeven, maar hier rammelt de duivel mijn lichaam door mekaar.’

Klagen kon niet. Dit was de wedloop uit de hel. Iedereen vertrappelde iedereen als in de vlucht uit een brand.

De dood waarde door de werkplaatsen. Hij achtervolgde deze slaven als een laffe schaduw die onverwacht toesloeg. Louis Nijs ruimde de gestolde overblijfsels van de loodovens op. Hij merkte een scheur in één van de ovens. Louis wou ze dichtstoppen. Zijn ladder sloeg om en hij viel in een bak met gloeiend metaal. Ogenblikkelijk stond zijn kiel in vuur en vlam. Hij schreeuwde en brulde het uit. Zijn makkers droegen hem op hun schouders naar het gasthuis. Afgrijselijk was hij verminkt. Brandwonden door zuur of door gloeiend metaal waren dagelijkse kost.

Samen met Jef Desair trokken ze de laatste zink uit de moffels van de zinkoven. Plots, na een doffe knal, spuwde de oven een roodgloeiende straal metaal als uit de muil van een draak. De duivels dansten. Jef sloeg tegen de grond en kromp in mekaar.

Zo werden de zinkarbeiders gebrandmerkt zoals vroeger de slaven. Soms waren deze brandmerken dodelijk. Zoals bij Door Eerdekens uit Geel die recht in een pot gloeiend metaal viel. Soms sleepten de zinkarbeiders ze heel hun leven mee als een tatoeage uit de hel. Putjes op de handen en in het gezicht waren voor een zinkwerker als de ratel voor een melaatse. Pierre Mannaerts tuimelde van een platform boven de ovens. Zijn toestand was bedenkelijk.

In de nacht van 11 februari viel plots alle licht uit. Frans Cauwenberghs uit Geel reed op dat moment met een wagentje over een stelling. Hij stopte om te zien wat er gaande is. Van een hoogte van 5 meter stortte Frans naar beneden. Enkele dagen later overleed hij in het hospitaal van de fabriek aan de vele breuken en kneuzingen. Frans Mertens, eveneens uit Geel, was verver in de hal. Eén misrekening en hij verkrampte enkele seconden later met een gebroken rug op de grond.

Dat was geen litanie van heiligen, wel van martelaars. Dat was geen heilige oorlog, maar een oorlog om den brode. Jon wou van dit slachtveld wegvluchten. Nog enkele jaren wou hij op zijn tanden bijten tot hij voldoende geld gespaard zou hebben om naar zijn droomland te varen.

‘Jon, zoudt ge u niet laten opschrijven op de wachtlijst om een huis van de fabriek te krijgen? Ge vrijt nu al zes jaar met Betje. Nu ze al een jaar op de Poeder in Balen werkt en ook verdient, zoudt ge aan trouwen kunnen denken?’

Jon beet zijn vader af: ‘Va, bemoei u er niet mee! Bij de Luiksen(6) gaan huizen zeker?’ Zijn verre droom verlamde alle thuisplannen. Trouwen, een huis huren, kinderen krijgen... het kon allemaal stokken in de wielen steken om naar Canada uit te wijken. Daarom reageerde de dromer zo nukkig op z'n vader. Maar vader had steeds gelijk. Jon liet zich opschrijven, al was het maar voor de vorm.

Jon en Betje trouwden. Een halfjaar later kregen ze een huis toegewezen van de fabriek. Het waren mooie stenen huizen. Ze lagen niet kriskras door mekaar zoals de boerderijtjes langs de kronkelende karrensporen. De straten waren kaarsrecht. Het huisje van de Van Bommels bestond uit drie kamers, een keuken en een kelder. Een achterbouwke bood ruimte aan een stal voor een varken of wat geiten. Vooraan was er plaats voor een bloementuintje, achteraan voor een groentetuin met een waterput. Daar heeft Jon nooit veel kunnen winnen. De bladgroenten sloegen rossig uit alsof de herfst onverwacht in de zomer begon. De tomaten waren bevlekt zoals de gezichten.

In de wijk liet Schulte ook een school, een kerk, een kliniek en zelfs een feestzaal bouwen. De fabriek bezat niet alleen de handen van de arbeiders, maar ook uitgestrekte gronden en al wat erop groeide. De patroon heerste over het leven en de pastoor over de ziel: een onderdrukte geest in een onderdrukt lichaam.

‘Ge woont hier toch maar chic, Betje’, herhaalde Jons moeder telkens ze op bezoek kwam. Haar klompen liet ze buiten aan de achterdeur staan. Elke keer keek ze nog even verwonderd rond. De deuren, de ramen, zelfs de kolenkachel streelde ze met zulke zachte handen zoals haar man ze waarschijnlijk nooit gevoeld heeft.

Elf maanden na het trouwfeest werd hun eerste kindje in de voorplaats geboren. In de vale schijn van een petroleumlamp spartelde en krijste een blauw en bloederig wezentje.

‘Jon, ge hebt een dochter’, riep Francine Sprengers hem triomfantelijk toe. Zij was aangesteld als de vroedvrouw van Lommel. Gelukkig wou ze toch tot in Overpelt-fabriek komen, want het was de gemeente Lommel die haar een loon van 300 frank per jaar uitbetaalde.

Die dag, 10 oktober 1892, was Jon blij en bang tegelijk: blij om hun eerste kindje, bang dat deze eerste boreling weer een stap weg was van zijn droom.

‘Is er iets, Jon?’ vroeg Betje met een gefronst voorhoofd.

‘Neen, neen, ik pieker maar over de verkiezingen van verleden week.’

In feite raakten die verkiezingen zijn koude kleren niet, maar hij durfde haar niet meer over Canada spreken. Van zodra Betje wist dat ze zwanger was, smeekte ze hem over dat verdoemde land te zwijgen.

‘Jon, alsjeblieft, Canada, Canada... ik kan het niet meer horen. We hebben het hier toch ook goed?’

Nu haakte ze terug in op zijn woorden: ‘Hier hoor ik toch overal zeggen dat die verkiezingen een zaak zijn van de rijke mensen?’

‘Dat is het nu juist, Bet. Vindt gij dat normaal? In Lommel waren er 138 stemgerechtigden voor de verkiezing van 11 gemeenteraadsleden. En daarbij was er maar één lijst. Katholieken en liberalen, het is allemaal één pot nat. De rijke boeren en de middenstand die maken het schoon weer op het gemeentehuis. Waarom mogen wij niet gaan stemmen?’

Jon voelde dat zijn eigen drogreden hem nu zelf begon te enerveren.

‘Roep niet zo hard, Jon. De muren hebben oren.’

Meer en meer stierf Jons Canadese droom af. Als een gevangen tijger die loert en zoekt om te ontsnappen, had hij jaren op en neer gelopen langs zijn tralies. Nu lag hij weg te kwijnen in een donkere hoek van zijn kooi.

Met de droom van zijn Koning Leopold II ging het beter en beter. Zijn droom werd werkelijkheid. In alle kranten las Jon hoe goed de koning wel voor de negerkes zorgde. Hij verdreef de Arabische slavenhandelaars uit

Men schat dat de Belgische koning in totaal 20 miljoen dollar winst haalde uit de ivoor- en rubberhandel... ten koste van 5 miljoen Congolezen, de helfi van de bevolking.

Vertaling van geschreven tekst op oude postkaart: ‘Boma 8 augustus 1904. Ontvang, mijnheer Blaikens, mijn beste wensen uit Conga. Ik ben goed toegekomen en ik begin me hier thuis te voelen. Boma is een mooie stad. We beschikken hier over alle comfort.

Congo en liet havens en spoorwegen aanleggen. In stilte vroeg Jon zich af: was dit een kwestie van goed of kwaad of eerder van centen, heel veel centen? De Arabische slavenhandelaars stalen immers zijn werkvolk voor de rubberplantages? En om al die rijkdommen diep uit Congo naar Europa te verslepen, had Leopold II toch havens en spoorwegen nodig?

In een socialistische krant ontdekte Jon een rapport van de Brit Morel. Het had als titel: ‘Rode Rubber’. Wat daar over onze koning geschreven werd, kon hij haast niet geloven. Morel beweerde dat de ambtenaren en soldaten van de koning de Congolezen dwongen om rubber, ivoor, bananen en andere vruchten voor zijn profijt te winnen. Wie niet voldoende rubber aanbracht, werd de handen afgehakt. Wie vluchtte in het woud, werd verscheurd door de wilde dieren of stierf door Belgische kogels. Vrouwen werden geketend tot hun man terugkwam. Bij de aanleg van de eerste 15 kilometer spoorweg van de haven van Matadi naar Katanga dwars door het M’Pozzogebergte vielen 5.000 doden onder de zwarte dwangarbeiders.

Met zijn Conferentie van Brussel in 1889 tegen de slavernij van de Arabieren wou Leopold II zijn eigen slavernij verdoezelen. In 1903 kwam er reeds 812.525 kilogram rubber in de haven van Antwerpen toe, goed voor een opbrengst van 3 miljoen frank! Men schat dat de Belgische koning in totaal 20 miljoen dollar winst haalde uit de ivoor- en rubberhandel... ten koste van 5 miljoen Congolezen, de helft van de bevolking. Koningsdromen waren duur en wreed.

Hoofdstuk 3 - Schulte (1896-1909) - Inhoud

Met zes zat de familie Van Bommel aan tafel. Ze smulden van stamppot met een gekookt eitje. Jon was ondertussen 36 jaar en werkte al 6 jaar op Overpelt-fabriek. Traag en met gebogen rug stond hij als eerste recht. Zwaar plofte hij neer in zijn zetel en nam zijn krant. Vanavond las hij niet meer met dezelfde bezetenheid elk artikel. Hij staarde wezenloos naar de dansende letters, duwde plots de krant weg en riep naar Betje in het achterkeukentje.

‘Bet, ik denk dat ik me ook laat aansluiten bij de Sint-Jozefsmaatschappij voor Lijfrente van kapelaan Jans. Hem vertrouw ik graag mijn spaargeld toe. In het dorp wordt verteld dat er al 304 leden zijn. We moeten toch aan onze oude dag denken, Betje.’

‘Het is in elk geval beter besteed dan aan die vuile drank. Daarstraks zag ik uw broer Sus weer door het dorp zwalpen. Schande! Als water kapt hij de jenever naar binnen. Waar gaat dat naartoe? Er zijn de laatste jaren meer cafés dan bakkers in Lommel. Groot gelijk heeft de burgemeester dat hij de cafés verplicht om 10 uur ’s avonds te sluiten.’

Betje vond al vlug een reden om het verhaal van zatte nonkel Sus aan te snijden. Sinds de grote fabrieken in de Kempen waren gekomen, verdronken veel arbeiders hun miserie in de herbergen. Jon werd overvallen door schuldgevoelens als zijn broer ter sprake kwam.

‘Bet, begin weer niet over onze Sus te zagen. Het is schandalig dat drinken, maar de jongen heeft ook geen geluk gekend. Ik had hem nooit in die verdoemde fabriek mogen binnenhalen. Amper twee jaar was hij aan het werk toen zijn hand werd afgerukt. Als een hond hebben ze hem aan de deur gestampt. Schulte betaalt hem nu een aalmoes van een halve frank per dag. Ge zoudt u voor minder zat zuipen.’

‘Neen, Jon, neen. Ge moet uw broer niet schoonpraten. Zijt ge al eens naar de Maathei gaan kijken in wat voor een krot hij daar huist. Nog een geluk dat hij zo’n goeie vrouw en brave kinderen heeft. Elke koopdag plakken die zatlappen als vleermuizen aan den toog.’

Sus van Bommel, Jons broer, werkte in de zinkfabriek te Lommel. In 1895 verloor hij bij een zwaar arbeidsongeval zijn rechterarm. Onmiddellijk werd hij door Schulte ontslagen. De aanhoudende stakingsgolven deden de katholieke regering besluiten met mondjesmaat sociale toegevingen te doen. De wet van 1889 op kinderarbeid: tussen 12 en 16 jaar mocht de werkdag maximaal 12 uren bedragen. De wet van 1890 op arbeidsongevallen: een nationale verzorgingskas kwam tussenbeide in een deel van de kosten. Voordien betaalde een arbeider zijn eigen handamputatie.

‘Morgen fiets ik naar Lommel om me in te schrijven. Het schijnt ook dat de gemeente voor 100 frank boeken heeft aangekocht en dat ge die voor weinig geld kunt lenen’, veranderde Jon van onderwerp in de hoop het gezeur van Betje over zijn broer te stoppen. De gedachte aan het fietsen fleurde hem op. Van een ingenieur van de fabriek had hij een tweede- handsfiets kunnen kopen. Daarmee was Jon als eerste bewoner van de fabriekswijk de trotse bezitter van een fiets.

‘Boeken lenen... wat gaat dat kosten? Hebt ge nu nog niet genoeg aan die gazet?’

‘Bet, laat me toch nog een beetje dromen.’

Wreede moord
te Lommel
aan het nieuw fabriek of
een drama der dronkenschap

Woorden van Corn. Janssens Wijze: Het Bastaardkind

1. Een droeve ontdekking gedaan
In d’heide, aan een der fabrieken:
Een aak’lig lijk, hoe kan ’t bestaan?
(Waarvoor z’aanstonds alarm mieken)
Vond men met messteken doorboord
En in zijn bloed reeds gansch versteven.
Waar was den dader heen gedreven?
Die darmen suk’laar had vermoord?

Refrein

Het is weer den drank, beste vrienden,
Die de schuld is van dezen misdaad (bis)
’t Brengt ons in opgewonden staat,
Hetgeen tot goed nooit iemand diende.

2. Den drank leid tot twist en gevecht,
Zooals het hier weer is gebleken,
En ook tot moorderij ’t is echt.
Een arme werkman werd gesteken
Zoo wreed, dan hij badend in ’t bloed
En stervend zonk ter aarde neder,
Waar men het lijk vond ’s morgens weder,
Het nieuws verspreidde zich met spoed.

3. Zijn borsten buik wasgansch doorploegd
Met messen, is zulks geene zonden.
Werkman, nadat gij moê gezwoegd
Zijt,... overdekt worden met wonden?
En door de schuld al van den drank
U aan twist, gevecht overgeven,
Hetgeen gekost heeft uw jong leven,
Gevallen tegen wil en dank.

4. Men hield den woesten dader aan
En tevens ook zijn echte vrouwe.
Wat die heeft met die zaak ontstaan
Weet God: maar ’t dorp is gansch in rouwe
De daders zuchten in ’tgevang;
Te laat zij hun misdaad beklagen,
’t Is een voorbeeld dat ‘k voor koom dragen
Mijdt u vooral van twist en drank.

____
Per inwoner werd er 10 liter sterke drank en 250 liter bier door de keel gekapt. In dat jaar 1904 telde België maar liefst 197.000 cafés: Eén café voor 36 inwoners. De regering profiteerde van die toestand om de belasting op sterke drank met de helft te verhogen, zogezegd om het drankverbruik af te remmen, maar vooral om haar kas te spekken.

‘Zorg dat ge van uw gedroom maar niet zot wordt. Ge ziet er de laatste tijd niet goed uit.’

Dat Jon veel las, maakte Betje bang. De meeste boeren of arbeiders lazen weinig of nooit, als ze al konden lezen of schrijven. Er waren trouwens maar twee klassen in het ‘wit schooltje’: in de klas van meester Frans Smeulders zaten 95 leerlingen en in de tweede klas bij hoofdonderwijzer Ferdinand Theuwissen 66. Vele vergaten dan ook vlug het weinige wat ze tot 10 jaar op de school hadden geleerd.

Als buren met een brief kwamen aankloppen om die door Jon te laten voorlezen, vond Bet dat wel tof. Zo kwam ze veel te weten zonder te horten(7).

Maar als Jon ongelooflijke gebeurtenissen uit steden en verre landen voorlas, bracht dat haar wereld in verwarring.

Elke dag stapten de zinkarbeiders de poorten van de hel binnen. Als duivels toverden ze groen, wit en geel goud uit rotsen. Als mensen waren ze niet van tel, niet in de fabriek en niet in het land. Het labeur was ondraaglijk, de vernedering onverdraagbaar. Overal in het land smeulde opstand. Toch verwierp op 11 april 1893 de Kamer het Algemeen Stemrecht.

‘Eén man, één stem!’

Overal botsten de stakers op de rijkswacht en de burgerwacht. Deze schoot op 17 april in Bergen 7 stakers dood. In Borgerhout vielen de volgende dag 6 betogers onder de kogels van de rijkswacht. Iedereen wachtte op het sein om de kazernes te bestormen.

De BWP (Belgische Werklieden Partij) riep echter op tot kalmte en startte geheime onderhandelingen met de Liberale en de Katholieke Partij. Er kwam een Belgisch compromis uit de bus: het Algemeen Meervoudig Stemrecht. Iedere man boven de 25 jaar mocht gaan stemmen, maar wie rijk was, kreeg meerdere stemmen. De BWP-leiding blies de algemene staking af. Voor de zinkarbeiders veranderde dit verkapte stemrecht weinig of niets.

Tot op 5 april 1895 de ketel ontplofte: Overpelt was in staking. De angst, de afdankingen, de rijkswacht, de burgemeester en het gebrek aan een organisatie joegen de metaalarbeiders met gebogen hoofd terug binnen. Vijf jaar later staakten de arbeiders van Balen ook zonder tastbaar resultaat...

Sinds 1873 teisterden crisissen met de regelmaat van de klok de Belgische economie.

In 1891 was een expeditie van de Onafhankelijke Congostaat tot in Katanga kunnen doordringen. Slechts op het nippertje waren ze de Engelse expeditie van de schatrijke Rhodes te snel af. Rhodes was de voorzitter van de Britse ‘Zuid-Afrikaanse Compagnie’. Geen maand later werd de Compagnie du Katanga opgericht die voor 99 jaar het alleenrecht kreeg voor de ontginning van de enorme bodemrijkdommen. De heerlijke geur van nieuwe winsten scherpte de appetijt van de Belgische bankiers aan. Toch had Leopold II nog een lening van 25 miljoen frank losgekregen van de Belgische staat. Met Belgisch belastinggeld werd de fenomenale verrijking van de koninklijke familie gesponsord. Leopold II liet met de opbrengsten uit Congo het paleis van Laken, het Justitiepaleis en de triomfboog van het Jubelpark bouwen, parken en lanen aanleggen en kocht ontzaglijke domeinen aan de Azurenkust... terwijl het werkvolk crepeerde van honger en miserie.

In 1900 werd Jon 40 jaar, maar voelde zich versleten. De oude boerkes in de streek waren letterlijk krom gewerkt. Soms moesten hun armen en benen gebroken worden om hen in hun doodskist te duwen. Maar ovenmannen stierven jong. Van de mannen die met Jon waren gestart, lagen er al veel rond de kerk. Jons huid kleurde brons en stond vol bruine arseenknobbels. Door het verlies van zijn haar en tanden staarden zijn uitgebluste ogen naar de dood, ’s Nachts kreunde Jon van de branderige pijn in handen en voeten. Als hij het in zijn bed niet meer kon keren, waggelde hij door de slaapkamer. Hij botste tegen de kast en de deurstijl. Zijn voeten voelden doof aan. Jon liep op kussens. Soms plaste hij de laatste druppel bloed uit zijn zwakke lijf. Terug in bed schrok zijn vrouw wakker van dit bevroren lichaam. Magere Hein met zijn zeis spookte rond hun huisje. Jon wou weg aan die ovens. Dat vuurspuwend monster van een fabriek vrat hem op met huid en haar. Soms bonkte de stakker ’s nachts met zijn hoofd tegen de muur van de koppijn. Betje schreeuwde dan op te houden. De kinderen huilden mee. Zelfs de hond bracht hij aan het blaffen. Andere keren schoot hij wakker uit een nachtmerrie. Hij baadde in het zweet. Dan zag hij telkens Schulte op een brandende koets door de fabriekshal vliegen en schaterlachen als een duivel. Die fabriek martelde, brandde, verminkte, vergiftigde en doodde. Jon besloot om morgen de dokter te bezoeken.

De enige dokter in Lommel was dokter Neeckx. Hij woonde op de Overpelterkiezel in een statige villa met hoge ramen versierd met prachtige gordijnen.

Met moeite was Jon fietsend tot aan zijn deur geraakt. Dokter Neeckx onderzocht hem.

‘Van Bommel, ge zult in de kliniek moeten, man. Gij hebt bloedarmoede en uw nieren zijn bijna geblokkeerd. Het is beter dat ge wat op krachten komt.’

Vier weken werd Jon door de nonnekes verzorgd. Als het venster openstond, spatten bruine stippels op de sneeuwwitte lakens. Als het sneeuwde, schudde Jeezeke zijn beddeke uit. Hier schudde blijkbaar de duivel zijn beddeke uit. Toch wou Jon terug aan de slag. Met die frank ziekengeld per dag sprong hij niet ver.

Dat jaar moesten alle arbeiders zich verplicht aansluiten bij de Ziekenen Lijfrentekas der Metaalfabrieken van Overpelt, Lommel en Balen. Jon had zijn lidmaatschap van Jans’ kas reeds opgezegd. Toch was Jans hem komen bezoeken. ‘Het fietske’ was zijn bijnaam. Op zijn tweewieler kuierde hij inderdaad van her naar der rond. Duwend op de pedalen en sleurend aan het stuur, zijn zwarte soutane wapperend in de wind dook hij op tot in de smalste veldwegeltjes. Toen de kapelaan vertrok, neep hij even in Jons arm. Met enige aarzeling in zijn stem zei hij: ‘We gaan binnenkort werkmansvergaderingen samenroepen. Komt ge daar naartoe, Jon? De boeren hebben allang hun gilden. Waarom kan zoiets niet voor de arbeiders? Ik laat nog wel iets van me horen.’

In de kliniek had Jon veel tijd om te piekeren. De vraag van kapelaan Jans liet hem niet meer los. Jon bedacht dat de pastoor gelijk had: ze moesten zich organiseren. In zijn krant had Jon al wat over nieuwe werkmansverenigingen gelezen. Als een magneet werden zijn ogen aangetrokken door artikels over die verenigingen. Zijn broer Pol, die in de koolmijn van Blegny werkte, bracht af en toe oude kranten mee. Hij wist dat Jon er verzot op was en zo leerde hij nog een mondje Frans. Want alle gekheid op een stokje: Le Courrierdu Limbourgwerd in Hasselt in het Frans uitgegeven en De Verbroedering verscheen als ‘Weekblad voor de Provinciën Luik en Limburg’ in het Nederlands. Die laatste gazet stopte hij weg achter een balk in de stal. Pol had hem gewaarschuwd: ‘Als de Schulte weet dat gij een rooie gazet leest, stampt hij u op straat.’

Jon vreesde dat zijn broer gelijk had. In de katholieke Courrier las hij: ‘In het belang van henzelf en van alle eerlijke arbeiders, kunnen de patroons best alle arbeiders, die oor hebben voor de voorstellen van de socialisten, uit hun werkplaatsen uitsluiten. Daarenboven weigeren ze best elk werk aan een arbeider die om bovenstaande reden op een andere werkplaats is ontslagen.’

In Overpelt-fabriek regeerde de Duitser en liberaal Schulte. Daar waar liberale patroons de lakens uitdeelden, viel het voor de socialistische kiezers nogal mee. Waar de BWP zelf niet met een kiezerslijst opkwam, had ze haar mensen immers aangeraden voor de liberale partij te stemmen.

Betje lachte haar man uit: ‘Jon, mooie socialisten zijn dat. Verleden jaar zwoeren ze nog bij het algemeen stemrecht, ook voor ons, vrouwen. Vandaag vrijen ze de liberalen op om toch maar in de regering te geraken.’

Bet was ook niet van gisteren, maar ze wou haar man vooral beschermen tegen politieke avonturen. Katholieke of liberale patroons, overal moesten de arbeiders op hun tellen passen.

In de fabriek van Vieille Montagne in Balen zwaaide directeur Bellefroid de plak. Voor hem en zijn familie waren er vooraan in de kerk zeven stoelen gereserveerd. Ze hadden geen gewone rieten zitjes, maar prachtig houtsnijwerk en roodfluwen kussens. Meer dan eens kwam de familie Bellefroid te laat. Toch wachtte pastoor Valgaeren tot de Bellefroids met opgeheven hoofd in prachtige kleren door de middenbeuk van de kerk naar hun voorbehouden stoelen paradeerden. Valgaeren preekte ook meestal in het Frans zodat de gewone mensen alleen konden gissen hoe ze in de hemel konden geraken. Wie door directeur Bellefroid maar enigszins verdacht werd van socialistische sympathieën, werd op staande voet de toegang tot de fabriek, de kerk, de kliniek, de school en zelfs zijn eigen huis ontzegd. Zijn ganse familie werd vogelvrij verklaard.

Vooral in Luik en in Tongeren stonden de socialisten van de BWP sterk. In de streek kende Jon er geen enkele. Wel had hij over hun lot in Bree gehoord. Daar werd in 1889 voor het eerst in de geschiedenis van Limburg een socialist in de gemeenteraad gekozen: Lambertus Kreeft, pottenbakker en herbergier, trouwe lezer van de krant de Vooruit. Fier keek Bert vaak naar de rode vlag aan zijn herberg. Die werkte echter als een rode lap op een stier. De Katholieke Partij zag haar alleenheerschappij in Limburg in gevaar en organiseerde grootse tegenbetogingen met vaandels en banieren.

Toen in 1900 twee volksvertegenwoordigers van de BWP, Camille Huysmans en Edward Anseele, een meeting planden in het café van de Kreeft, zagen zijn vijanden de kans schoon. De sigarenfabrikanten van Bree hadden hun werklieden opgestookt, drank geschonken en een dag vrij gegeven. Toen de socialistische delegatie van de stoomtram stapte, werd ze op gehuil en gefluit onthaald. Om 11 uur ’s morgens begon de belegering van de herberg van ‘rode Bert’. De opgezweepte massa bonsde op vensters en deuren, tierde en schreeuwde. Pas toen een regen van stenen de ruiten aan diggelen sloeg, kwam de gendarmerie opdagen samen met de burgemeester. Ze gaven de sprekers de raad voor hun eigen veiligheid Bree te verlaten. Voor 15 toehoorders ging de meeting toch door. Anseele riep hen op ‘de kapitalistische maatschappij te bestoken met aardappelen en broden’, een beeldspraak om de oprichting van eigen coöperatieven aan te moedigen. Hun politieke tegenstanders gebruikten minder slappe wapens. Bij het verlaten van het café kreeg Camille Huysmans een steen in de nek. De rijkswacht keek toe. Zelfs lopend langs de tramraampjes joelde de losgeslagen massa verder. Het café en de pottenwinkel werden kort en klein geslagen. Zoals honden een dier verscheuren, reten ze de rode vlag aan flarden. Twee dochters van de oude Kreeft werden geslagen en mishandeld. Zonder nog één woord te zeggen was de pottenbakker in bed gekropen. Hij is er niet meer uitgekomen. Vier dagen later is hij gestorven. Telkens Jon aan het verhaal terugdacht, liepen koude rillingen over zijn rug.

Die woelige dagen maakten Jon bang, maar tegelijk duwde zijn nieuwsgierigheid de angst weg. Hij wou eens horen wat kapelaan Jans hierover te vertellen had. Met 24 man zaten ze aan een lange tafel in een hoek van de zaal van burgemeester Van Ham. Wat bezielde kapelaan Jans om hen hier samen te brengen?

De priester kuchte even en stond recht. De groep veerde recht, maakte een kruisteken en bad het onzevader. ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt, geef ons heden ons dagelijks brood...’ Na veel geschuif van stoelen en gebotter van klompen keerde de stilte weer. Jans fronste de wenkbrauwen.

‘Beste vrienden, ik heb u allen bij mij laten roepen om u over belangrijke gebeurtenissen te spreken. In de kerk hebt ge mij horen preken over de nieuwe encycliek Rerum Novarum die onze paus in 1891, reeds elf jaar geleden, heeft uitgevaardigd. Tot op heden hebben wij in de Kempen de pauselijke oproep om werkmansverenigingen op te richten in de wind geslagen. In Gent is reeds hetzelfde jaar een Anti-Socialistische Werkliedenbond opgericht.

Nu dwingt de toestand in het land ons om niet langer bij de pakken te blijven zitten. Godsdienst, huisgezin en eigendom mogen als waarden bij de werkers niet verloren gaan. Vandaag bedreigen goddeloze verenigingen de ziel van onze Kempense mensen. In Tongeren bestaat er al een Socialistische

Een antisocialistische tegenbetoging in Bree. De katholieke partij zag haar alleenheerschappij in Limburg in gevaar en organiseerde grootse tegenbetogingen met vaandels, kartels en banieren.

Werkliedenbond. Zij preken haat en klassenstrijd. Wij preken verzoening en klassensamenwerking. Zopas hebben alle pastoors van onze Luikse bisschop, Monseigneur Rutten, een herderlijk schrijven ontvangen. Ik lees er een stukje uit voor:

‘De priester heeft opzichtens den werkman bijzondere plichten te vervullen. Hij moet meer en meer het volk naderen. Hij moet alle invloed gebruiken om het dien welstand te doen geven waarop het recht heeft.’

Daarover vrienden wil ik het met u vanavond hebben. Vruchteloos probeerde de kapelaan met nieuwe tussenkomsten hun tongen los te weken.

Iedereen zweeg. Zat hier onder hen geen spion van de burgemeester of van Schulte? Iedereen besefte dat morgen zijn woorden als schurftige honden met stokken en stampen door de straten werden opgejaagd. Jans bedoelde het goed. Zelfs door hier samen met een katholiek priester rond de tafel te zitten riskeerden ze morgen voor ‘socialisten’ te worden uitgemaakt.

Als Jon de kapelaan bij het buitengaan de hand schudde, merkte hij de ontgoocheling in zijn ogen.

Sinds Jons opname in de kliniek ging zijn gezondheid verder bergaf. Zieke en verzwakte arbeiders werden op de boerderij van de fabriek tewerkgesteld. Daar werden vooral aardappelen gewonnen die de patroon aan de arbeiders verkocht. Als ovenman verdiende Jon 4 frank per dag. Nu moest hij het stellen met 2,70 frank. Ook al moest hij 12 uren werken, de buitenlucht deed hem goed. Hij bleef ook de vergaderingen van Jans volgen.

Grotendeels waren het monologen van de kapelaan. Toch wou Jon weten wat Jans te vertellen had. Meestal had de kapelaan ook recente kranten bij. Daar was Jon verzot op. Gisteren had hij het aangedurfd de pastoor te vragen of hij er enkele mocht lenen. Jans gaf hem De Gids op Maatschappelijk Gebied mee. Van die gazet had hij nog nooit gehoord. In die krant werd onlangs een eigenaardige prijskamp uitgeschreven: ‘Hoe zullen we het socialisme voorkomen in de Kempen?’ De winnaar argumenteerde: ‘Er zijn katholieke bonden in onze Kempendorpen: gilden, fanfares, spaarmaatschappijen, boerenbonden... Men houde ze staan en make ze degelijk. Maar, zo haast het pas geeft, stichte men kringen bij, bijzonder vakverenigingen. Zodanig dat al ons volk tot een of andere kring behoort.’

Nooit had Jon de kapelaan toevertrouwd dat hij ook stiekem een gazet van de Socialistische Bond las. Daarin werd de Katholieke Partij een partij van volksbedriegers genoemd, onder andere omdat ze 100 miljoen per jaar aan het leger besteedde. Als Jon ’s zondags de militaire werken in het Kamp van Beverlo ging bewonderen, was hij geneigd dat te geloven. Op de heide werd daar voor officieren en soldaten een ganse stad uit de grond gestampt. Leopoldsburg was de nieuwe naam.

Als Betje Jon in zijn kranten zag snuffelen en piekeren, verweet ze hem vaak: ‘Jon, gij wordt nog eens zot met al die gazetten.’

Een beetje had ze wel gelijk. Twee kampen verscheurden immers zijn gedachten. Hij wou de socialisten gelijk geven, maar waarom geloofden ze niet in God? Het kon toch niet dat er van een mens na zijn dood niets overbleef? Maar, waarom liet God hen hier zo creperen? Waarom liet Hij toe dat jonge mannen sterk als eikenbomen na 15 jaar fabriekswerk verschrompelden tot dolende schimmen? Waarom bezorgde God de rijken een hemel op aarde en strafte Hij de armen met deze hel?

Jon wou lezen, zoeken, weer lezen om aan die verscheurende onrust te ontsnappen.

Toen in 1894 in Quaregnon de BWP een congres hield, had Jon Betje fier uit het Charter van Quaregnon voorgelezen: ‘De rijkdommen zijn de vrucht van de arbeid en moeten dus logischerwijze beschouwd worden als eigendom van de mensheid.’

De directie van de arseen- en zinkfabrieken Schutte en Co. Voor de tafel zittend van links naar rechts: Willy Schulberg, Willy Schulte junior, Otto Baldiu. Zittend van links naar rechts: Ludwig Beer, Willem Schulte senior (de directeur). Jozef Schulte en Jan Elias, de boekhouder.

‘En gij denkt dat Schulte en Bellefroid hun fabrieken aan ons zullen cadeau geven? Maar Jon toch, in geen honderd jaar! Uw rooie sossen slapen bij die blauwe baronnen en wie bij den hond slaapt krijgt zijn vlooien. Allebei hebben ze het op de kattenkoppen gemunt, maar alleen om zelf in Brussel de lakens uit te delen.’

De eerste auto’s verschenen in het straatbeeld. In 1900 reden er in België een duizendtal auto’s rond. In Lommel was dokter Norbert Neeckx een van de eerste fiere bezitters van een auto. Alleen rijke mensen konden zich een auto permitteren. Aan de rubberen autobanden kleefde Afrikaans aangeboord: koper, goud, zilver en zink. Om de ertsen uit Katanga weg te halen, waren spoorwegen nodig. De Belgische spoorwegmaatschappijen waren in privé-handen en koortsachtig op zoek naar nieuwe winstgevende projecten. De nood aan spoorwegen in Congo was voor hen een geschenk uit de hemel. In 1903 werd de eerste spoorlijn vanuit Katanga dwars door Angola naar de haven van Benguela gerealiseerd. Reeds drie jaar nadien werd de beroemde Union Minière du Haut-Katanga opgericht met drie grote aandeelhouders: de Congostaat van Leopold II, de Société Générale en de Tanganyka Concessions Ltd. van Robert Williams. Vanaf nu moest de koning zijn Afrikaanse koek delen. Emile Franqui van de Société

Meer en meer zagen de Belgische bankiers van de Société Générale met Franqui op kop ook brood in Congo: ze bepleitten daarom een overdracht aan de Belgische staat. In de Katholieke Partij van minister de Brocqueville vonden zij een excellente spreekbuis. De socialisten met Vandervelde als Congo-expert ontpopten zich in het parlement totfervente tegenstanders van de Congostaat. Maar tegelijkertijd brak Vandervelde een lans voor de annexatie van Congo door de Belgische staat. Zijn argumenten? Bevrijding en beschaving brengen voor de negers. De vrije handel in Congo organiseren om de plaatselijke bevolking werk en welstand te brengen. In 1907 ging Vandervelde nog een stap verder. Hij verdedigde botweg dat kolonialisme ook vooruitgang betekende. (Cartoon Leopold II bij de aanhechting van Congo’ uit Le Cri du Peuple, Brussel, 15 september 1907.)

Générale en niet Leopold II werd de eerste voorzitter. Williams zorgde vanuit Rhodesië voor de technologie en voor de aanvoer van de eerste mijnwerkers.

In kracht overtrof de trein de olifant, in snelheid de luipaard. Apen en papegaaien vluchtten voor hem weg in de buidel van het tropenwoud. De trein veroverde de wereld. Toch had Jon nog maar één keer in zijn leven per trein gereisd. Hij spoorde tot in Antwerpen en slenterde uren langs de Scheldekaden. Eén keer in zijn leven aanschouwde hij de poort van zijn droom. Bij het zien van de stoomboten snotterde hij als een klein kind. Als een bal die onder water tussen zijn benen gevangen zat, steeg zijn verdrongen droom onhoudbaar naar de oppervlakte en dreef verloren met de schepen stroomafwaarts naar zee.

Jons koning daarentegen had ontelbare keren per trein gereisd. Van zijn paleis in Laken, langs zijn Chinese pagode, naar het koninklijk paleis in Brussel tot aan zijn kasteel in Tervuren. Zijn Afrikaanse droom was een reuzenboom, zo hoog dat zijn kruin de hemel raakte en zijn vruchten goddelijk smaakten. Maar rapporten van een Belgische onderzoekscommissie over zijn gruweldaden strooiden roet in zijn eten. De koning voelde nattigheid. Om de meubelen nog te redden, bracht hij vlug zijn geld en bezittingen onder in de Stichting van de Kroon.

In 1908 stemde een parlementaire meerderheid voor de overdracht. Na 23 jaar was Leopold II zijn droom kwijt, maar hij en zijn koninklijke nazaten hielden er fortuinen aan over.

De droom van Jon was uit zijn hoofd weggebrand door de verschroeiende vuurgloed van de zinkovens. Zijn leven werd een nachtmerrie.

Op een winterse dag van datzelfde jaar 1908 liet een bediende van Schulte, de heer Van Baecken, Jon wegroepen van de boerderij.

‘Van Bommel, we zullen u moeten afdanken. Veel kunnen we niet meer met u aanvangen. Daarbij is er in de winter niet veel werk meer op de boerderij.’ Jon antwoordde niet. Hij vroeg niets. Hij zweeg.

‘Wat staat ge me zo aan te gapen, Van Bommel? Hier zijn uw papieren. Ge kunt vertrekken.’

Hij bleef zwijgen. Zijn benen weigerden te gaan. Jon haatte hem. Jon haatte Schulte. Jon haatte zichzelf omdat hij nooit naar Canada was vertrokken. In enkele seconden flitste zijn leven voorbij. Hoe en wanneer hij thuis beland was, herinnerde hij zich niet meer. Poepeloerezat hebben makkers hem ’s avonds op een kruiwagen naar huis gevoerd. Zijn Bet timmerde met haar vuist op zijn hoofd. Jon zong onverstoord verder. Alleen gebral en geroep borrelde uit zijn mond.

’s Anderendaags vernam hij dat het één tirade was tegen Schulte. Jon had hem uitgescholden voor ‘dwalm(8), vrek, moordenaar van Christus...’ Toen hij ook voor de villa van de directeur stond te brullen dat ‘als al de mensen die gij vermoord hebt, Schulte, uit hun graf zouden opstaan, het halve kerkhof zou leeglopen’, toen vond de champetter het welletjes. Bij zijn zatte kraag had hij hem gevat en terug in het café gesleurd. De arm der wet had ermee gedreigd hem in het cachot onder het gemeentehuis te stoppen.

‘Mijn God, wat moeten we nu beginnen?’ Wie op de straat werd gesmeten, moest ook na enkele maanden ophoepelen uit het huis van de fabriek. De Van Bommels huurden het voor 7 frank per maand. Waar ging Jon nog werk en zijn gezin een dak boven het hoofd vinden? Door de hoofdpijn en de sufheid van zijn kater kon hij niet helder denken.

De woede van Bet was vlug afgekoeld toen ze de reden van zijn zatlapperij vernam. ‘Jon, ga naar kapelaan Jans. Ga hem vragen wat ge kunt doen. Gij vergadert toch regelmatig met hem. Gij kent hem toch goed.’

Jon stond kwaad recht en sloeg zo hard op de tafel dat de borden ronddansten. ‘Wat kan die pastoor daaraan doen. We zullen moeten bidden zeker... en hopen, hopen dat we met die 22 centiem per dag van den Onderstand van Sint-Vincentius niet van honger omkomen...’

Hij kreeg geen beet door zijn strot. Uren zat hij nog voor zich uit te staren. Betje was geschrokken van zijn opstandigheid. Met een bochtje liep ze om hem heen. Als de vroege duisternis zijn gemoed nog meer versomberde, vluchtte de stakker het huis uit. Hoe lang en waar hij in de gietende regen had rondgefietst, herinnerde hij zich niet meer. Drijfnat trok Jon te hard aan de bel van de pastorij. Met een vieze blik keurde de pastoorsmeid in witte schort zijn gehavend plunje.

‘Als ge voor een aalmoes komt, moet ge in het Godshuis zijn’, vernederde ze hem.

‘Kapelaan Jans moet ik spreken, nondedju!’

Zijn geroep galmde zo luid door de gang dat de meid van schrik naar achter vluchtte. Met vragende ogen en vlugge tred stapte de kapelaan op hem af: ‘Wat scheelt er allemaal, Van Bommel?’

‘Ik ben ontslagen, mijnheer pastoor.’ Het wenen stond hem nu nabij. Met kleine schokjes ontsnapte alleen een diepe zucht.

‘Kom binnen, kom binnen.’ Doornat zat Jon voor de kapelaan te rillen.

‘Seffens nog zal ik naar burgemeester Van Ham gaan. Die kent Schulte goed. Ik zal een goed woordje voor u placeren. Jon, ik weet het, het is niet rechtvaardig. Het is daarom dat we met die werkliedenbonden moeten beginnen.’

Traag fietste Jon naar huis. Niemand groette hij. Met zijn hoofd naar de grond meed hij elk oogcontact. ‘Ze kunnen me allemaal de pot op. Mijn droom is me afgepakt, nu ook nog mijn laatste stukje zelfrespect.’

Even kwam het in hem op om langs de villa van zijn ingenieur te fietsen. Elk jaar, als in de winter een varken werd geslacht, droeg hij zijn dochter Tilleke op om één hesp naar de ingenieur en een tweede naar de pastoor te brengen. Bekocht en bestolen voelde hij zich nu. Niet één keer heeft de ingenieursvrouw hem bedankt. Hij zou hen de huid willen volschelden: ‘Dieven, dieven zijt ge. Ge steelt het beste van mijn gezondheid, het beste van mijn leven en zelfs het beste van mijn varken.’

Die avond zocht de afgedankte naar een koord. In de stal vond hij een stevige balk. Binnen hoorde Jon zijn kinderen lachen. Een lach redde Jons leven. Hij veegde zijn tranen weg en stapte zwijgend naar binnen.

Kapelaan Jans duwde triomfantelijk de achterdeur open. ‘Jonneke, ik heb goed nieuws. Burgemeester Van Ham heeft bekomen dat ge op de ziekenkas kunt gaan. Ge moet u alleen morgen bij dokter Neeckx aanbieden. Hij zal u een papier geven en daarmee moet ge op de fabriek naar het kantoor van de Ziekenkas der Metaalfabriek gaan. Gij weet beter dan ik waar dat is.’

Jon wou blij zijn, maar het lukte niet. Jon wou de priester bedanken, maar zijn woede was nog niet uitgedoofd. Betje voelde dit spontaan aan en sprong bij. ‘Bedankt, mijnheer pastoor, bedankt. Wat kunnen we voor u doen?’

‘Niets, niets, ik ben blij dat ik u kan helpen. Of, Jon, misschien toch... blijf naar de vergadering van de werkmansgilde komen.’

Als Jans de deur uit was, borrelde zijn blijheid als een luchtbelletje omhoog. ‘Ge kunt toch al weer lachen’, betrapte Bet hem.

‘Dit is een pak van mijn hart, Jon. Nu beurt ge toch veel meer, niet?’

Van de ziekenkas kreeg zijn gezin 2 frank per dag. De werkmanswoning van de fabriek moest de familie Van Bommel ontruimen. Dat was het lot van elke familie waarvan de vader werd ontslagen, ziek viel of op pensioen ging. Soms namen de ongelukkigen hun intrek bij familie. De Van Bommels zochten terug een huisje in Lommel. Dat was niet zo eenvoudig: 1.262 gezinnen en maar een duizendtal woningen. Een halfjaar hokten ze in een vervallen boerderijtje in Lutlommel. Jon kon en wou die ellendige fabriek niet meer zien. Met zijn spaarcenten konden ze de volgende zomer een kleine werkmanswoning bouwen in het dorp. Jon vulde zijn dagen met tuinieren en wandelen. Wie hij het meest tegenkwam was ‘het Fietske’, kapelaan Jans. Overal toerde die rond. Na het lof s zondags wandelde Jans met een groep jonge priesters door de velden. Jans was hun grote bezieler. Jon was hem erg veel dank verschuldigd. Alleen al daarom bleef hij zijn bijeenkomsten volgen.

Hoofdstuk 4 - Kapelaan Jans (1909-1911) - Inhoud

‘Dit jaar willen we een werkliedenbond voor de metaalbewerkers oprichten. Eerwaarde Heer Ruften heeft een reglement laten drukken. Ook heeft hij ons een propagandist gestuurd, Eerwaarde Heer Goetgebuer, die enkele maanden de toestand van de metaalbewerkers en hun noden zal onderzoeken. Hij zal onze propaganda onder de loep nemen. Zo kunnen we eindelijk onze vakverenigingen tot bloei brengen.’

Jans knikte naar Goetgebuer. Met arendsogen tastte deze jonge priester zijn toehoorders af.

Op een congres voor katholieke propagandisten in Brussel had Georges Goetgebuer aandachtig geluisterd naar de toespraak van Eerwaarde Heer Janssens. Het was op 26 januari 1909. Janssens was bestuurder van de Katholieke Sociale Werken van Turnhout. In een vlammende toespraak wees hij op de hoogdringendheid om de zinkbewerkers uit de Kempen te verenigen. Wat was er gebeurd? Bij de staking van de papierbewerkers van Turnhout hadden de patroons 200 arbeiders ontslagen. De meesten hadden zich aangesloten bij de socialistische vakvereniging. Wat Janssens erger vond, een groot aantal van hen had werk gevonden in de zinkfabrieken van Lommel en Overpelt. Op de eerste rij van de congresgangers besefte de jonge Goetgebuer dat daar zijn roeping lag. Reeds enkele jaren werkte hij als propagandist in de werkhuizen van Gent. Bij de gedachte aan het zedenverval in die arbeiderswijken gruwelde hij nog. Hij gaf zich meteen op als vrijwilliger. Op 4 april werden op een bijeenkomst in Mol twee nieuwe propagandisten voor de Kempen aangesteld. Eén van de twee was Georges Goetgebuer. De spanning in de Kempen steeg. Nieuwsgierig als Jon was, wou hij alle nieuwsgraantjes mee oppikken. De volgende maanden kruisten de wegen van Goetgebuer en Jon mekaar meermaals.

Op 25 april riep Goetgebuer 30 priesters uit de streek samen. Het besluit van deze vergadering was duidelijk: om het werk in de zinkfabrieken echt te leren kennen, zou Georges best enkele maanden in de fabriek zelf aan de slag gaan. Zo kon hij rechtstreeks met de werklieden voeling krijgen en het makkelijkst hun vertrouwen winnen. Na die vergadering kaartte de kersverse propagandist nog lang na met kapelaan Jans. Met hem sprak hij af om een paar werkmansvergaderingen in Lommel bij te wonen.

Een aantal weken werkte de jonge priester in de zinkfabriek van Budel, juist over de grens in Nederland. Zo hoopte hij nadien makkelijker in de Belgische zinkfabrieken aangenomen te worden. De bisschop van Limburg, monseigneur Rutten, had hem nochtans gewaarschuwd: ‘Op voorspraak van hooggeplaatste personen hoeft u niet te rekenen.’

Hoe dikwijls Goetgebuer zich ook in de 3 zinkfabrieken aanbood, overal snauwden de bedienden hem toe: ‘Geen volk nodig!’ of‘Kom volgende week maar eens terug’. Koppig zocht de propagandist naar andere wegen om in de geesten van de werkmensen binnen te dringen. Hij besloot in werkmanskleren een week de trein te nemen van Neerpelt tot Herentals.

In de wachtzaal van het station zat een geestesgestoorde die tijdens een van zijn woedeuitbarstingen zijn vrouw met een riek had gestoken. Twee rijkswachters hadden hem geboeid weggebracht naar een gesticht van de Broeders van Liefde.

Goetgebuer ergerde zich mateloos aan de opmerkingen van de werkmensen: ‘Het zijn zotten die werken, maar het zijn nog groter zotten die voor niks moeten werken. Zo zullen die broeders wel rijk worden! En dan krijgen ze daar nog geld van de staat voor.’ De week voordien had de liberaal, dokter Terwagne, hierover geïnterpelleerd in de Kamer. Hij schatte de jaarlijkse opbrengst op 1 miljoen. De pendelaars lachten en spotten zelfs met twee Zusterkes van Liefde die vergeefs poogden de deur van een tweedeklaswagon te openen: ‘Wat meer spek eten en wat meer oefenen, maseurke!’

Vele werkmensen waren kwaad op de zwarte handel van de kloosters. In 1830 telde België slechts 300 paters en nonnen, in 1909 was hun aantal gestegen tot 37.923. Onder de dekmantel van liefdadigheid en onder het voorwendsel van vakopleiding werden de kloosters omgetoverd tot fabrieken. Bier en kaas, kant en zelfs sexy-lingerie rolden de kloosterpoorten buiten. In het Urselinenklooster van Lier werkten meisjes vanaf de leeftijd van 9 jaar aan een loon van 5 centiemen per uur. Honderden wezen en gevallen meisjes bevolkten hun ateliers. De lage loonkost in die kloosters trok de lonen in veel sectoren naar beneden.

Alleen als Goetgebuer zijn medereizigers aansprak over de noodzaak om verenigingen op te richten, waren zij één en al oor. Maar dan waren zij het die Goetgebuer paaiden: ‘Dat is zeker! Maar veel van die Kempense boerkes zijn bang. Als een socialist hen dat vraagt, vrees ik dat ze ’s anderendaags gaan biechten dat den duvel voor hen is verschenen.’

Vlug verbeterde hij de spreker: ‘Om u te verenigen hoeft ge toch geen socialist te zijn. Samen met onze priesters kunnen we toch ook christelijke vakverenigingen oprichten. ’

Iedereen troepte nu rond Goetgebuer samen. De verwijten vlogen door de lucht: ‘Dat die pastoors naar ons komen. Hebben ze ooit iets om ons gegeven? Onze pastoor preekt over zondagsrust. Ik mag van hem op zondag niet in mijn hof werken, maar wel 24 uur op de fabriek...’

Goetgebuer voelde zich zwaar gekrenkt in zijn priesterschap, maar zweeg. Plots werd hij bang om als vermomde priester ontmaskerd te worden. Gelukkig stapte in Mol een schoon meiske op zodat de aandacht van hem werd afgeleid. De zedeloze praat die hij daarna nog machteloos moest aanhoren, deed zijn bloed koken.

De volgende dagen verging het de strijdlustige priester al niet veel beter. Als hij zijn medereizigers wees op het feit dat er dankzij de werkmansgilde van Lommel nu in de fabriek toch regelmatig een arbeidsopzichter kwam, lachten ze hem zelfs vierkant uit. ‘Voor hij op inspectie gaat, zit hij met zijn voeten onder tafel in de villa van Schulte. In de fabriek maakt hij zijn kostuum nog niet vuil, wat zou hij zijn handen vuil maken!’

Moedeloos werd Goetgebuer van die treinreizen. Die ‘goedendag mijnheer pastoor’ met de pet in de hand, beoordeelde hij vanaf nu als een schijnheilige bedoening van die brave Kempenaar. Over zijn bevindingen schreef hij een scherp rapport in de hoop zo vele collega’s wakker te schudden. Hij noteerde zorgvuldig alle opwerpingen van de werkmensen: ‘Als de socialisten aan het bewind zijn, zullen we alle treincoupons gratis krijgen. Zonder de socialistische vakvereniging zouden er nog meer ongevallen in de fabrieken gebeuren. Dat de burgemeesters van Lommel en Overpelt de wet op de fabriek niet laten toepassen is geen toeval. Zij kochten zelf aandelen van die fabrieken.’

Hij besloot zijn rapport met raadgevingen voor het katholieke propagandawerk in de Kempen: ‘De onbewustheid van de arbeiders nopens hun slechte morele toestand en het winstbejag van sommige nijveraars zijn de grote oorzaken van het mislukken van onze propaganda voor de vakverenigingen. Hoog tijd is het dat een nieuwe kruistocht in de Kempen gepredikt wordt. Besef goed dat, als we onze wapens nog moeten zoeken terwijl de onchristelijke volksmenners in aantocht zijn, we te laat zullen komen.’

En inderdaad. Ook de vijand waakte en vergaderde. Terwijl Goetgebuer dit schreef, eindigde in de herfst van 1909 het congres van de Socialistische Internationale in Brussel. Een der belangrijkste deelnemers was Lenin. Hij maakte brandhout van de opvattingen van Anseele over de rol van coöperatieven en van Vandervelde over de rol van de staat.

Overal in de Kempen zullen de nieuwe kruisvaarders van propagandist Goetgebuer het socialisme bekampen als een nieuw duivels gevaar voor de mensheid. Op de vergaderingen der werkmansgilde las kapelaan Jans delen uit zijn rapporten voor.

Niet alleen de menselijke gedachten leken voor Jon in een stroomversnelling te komen, ook de menselijke uitvindingen. België telde reeds twaalf autoconstructeurs. Elke auto die door de Kerkstraat reed, werd door een bende joelende kinderen achtervolgd. De aanblik van vliegtuigen, bestuurbare ballonnen en luchtschepen nagelde de Kempense mensen aan de grond van verbazing. De eerste telefoons verschenen in kastelen en fabrieken. In Brussel opende de eerste bioscoop zijn deuren. De menselijke greep op tijd en ruimte scheen jaar na jaar te vergroten.

De wereld veranderde snel en kapelaan Jans wou vermijden dat in deze stormen zijn geliefde kerk zonk naar de bodem der geschiedenis. Jans was een doorzetter. Zijn werkmansgilden doopte hij één voor één om in arbeiderssyndicaten. Ze volgden mekaar op: op 5 september 1909 de Sint-Barbaravereniging van de bouwvakkers en grondwerkers, op 31 oktober de Christelijke Houtbewerkers en tenslotte de Sint-Annavereniging, het syndicaat van de kleermakers en -maaksters.

Jaren had Jans moeten optornen tegen de opvattingen van Eerwaarde Heer Delvoie, die in Hasselt secretaris was van het Huis van Onderlinge Bijstand in de Tramstraat. Meer dan eens werd Jans daar op het matje geroepen. Delvoie sloeg hem dan rond de oren met citaten van professor Helleputte van de Leuvense Universiteit. Deze zetelde tevens in de Kamer voor de Katholieke Partij. Op alle congressen over Rerum Novarum bleef de professor hardnekkig de ‘gemengde verenigingen’ verdedigen, waarin patroons en arbeiders samen zetelden. Zijn ideeën stoelden op de harmonische samenwerking tussen meester en knecht zoals in de middeleeuwse gilden. Kapelaan Jans liet zich echter niet overdonderen door Delvoie. Jans repliceerde dat de gilden niet meer aangepast waren aan de noden van de huidige arbeiders in de nieuwe industrie. Uit voor Delvoie onverdachte bron, de Courrierdu Limbourgvan 27 maart 1909, las hij hem voor: ‘Bidden en aalmoezen geven is goed. Veel efficiënter in de huidige tijd is de stichting van syndicaten, waar de zorg voor het spirituele even belangrijk is als het tijdelijke belang. De patroons moeten hun wantrouwen tegenover de oprichting van christene syndicaten laten varen. Zij moeten er zich van overtuigen dat deze zeker meerwaard zijn dan deze die anders onvermijdelijk door socialistische agitatie zullen ontstaan.’

Dat Jans ook zijn begeestering vond in de Christene Volkspartij van priester Daens durfde hij niet toegeven. Hij kon Delvoie niet overtuigen, maar zette toch door.

Diezelfde winter van 1909, op 17 december, stierf Koning Leopold II op 74-jarige leeftijd. Drie dagen voor zijn dood huwde hij op zijn sterfbed nog met barones de Vaughan. Eén jaar voor zijn dood had België zijn kolonie, zijn droom, geadopteerd. Ingenieurs van Overpelt-fabriek vertelden dat weldra uit Katanga waardevolle ertsen zouden toekomen.

Op 10 april 1910 was in Tongeren de eerste socialistische coöperatief van start gegaan met de verkoop van brood. Bij de inhuldiging met meetings en optochten door de stad stapten de volksvertegenwoordigers Anseele uit Gent, Debunne uit Kortrijk, Vandervelde uit Brussel, Huysmans uit Antwerpen en nog enkele uit Wallonië mee op. Deze grote opkomst van kopstukken van de BWP was geen toeval. Voor de BWP vormden de coöperatieven een machtig wapen in handen van de klasse van de niet-bezitters. De Gentse coöperatief, De Vooruit, bevoorraadde reeds 8.000 gezinnen met brood, vlees, geneesmiddelen, kleding en kolen. Het omzetcijfer bedroeg meer dan 3 miljoen. Louis Bertrand was de grote bezieler in Gent: ‘Zoals de Kerk, wil de Belgische Werkliedenpartij een staat in de staat oprichten.’

De katholieke top in Hasselt schoot brutaal wakker. Zullen de socialistische gedachten nu met het dagelijks brood naar binnen worden gewerkt? Als antwoord werd al op 17 mei de nv L’Economie opgericht. Alles moest nu vlug gaan. Zelfs Delvoie ging akkoord om de eerste bakkerij in Lommel op te starten, waar reeds de beste katholieke vakvereniging bestond. De steuncollecties bij rijke katholieken leverden slechts een startkapitaal van 110.000 frank op. Sommigen, zoals professor Helleputte en graaf de Renesse, weigerden openlijk ook maar één aandeel te kopen. Holderdebolder werd een bakkerij geïmproviseerd in het huis van hoofdonderwijzer Frans Smeulders. Onder leiding van Emile Goyvaerts, die als chef-bakker uit de maatschappij Beste Brood van Antwerpen werd aangetrokken, ging de bakkerij van start. In december werkten er al 6 arbeiders. Vier paardenkarren voerden het brood rond. De Lommelse middenstand steigerde.

Kapelaan Michiel Jans. Het volk bleef Jans ‘het fietske’ noemen, maar van de middenstand en de bazen kreeg hij van dan af de bijnaam 'den deugniet’.

Tijdens zijn dagelijkse wandeling hoorde Jon een dame van de Liefdadigheid van Sint-Vincentius kapelaan Jans uitschelden: ‘Allemaal uw schuld, deugniet, ge moogt het nu wel vergeten. Geen cent ziet ge nog van ons.’ Het volk bleef hem ‘het Fietske’ noemen, maar van de middenstand en de bazen kreeg hij van dan af de bijnaam ‘den Deugniet’.

Op 11 september 1910 werd in Lommel de christen Vakvereniging van Metaalbewerkers ‘Plicht en Recht’ boven de doopvont gehouden.

Eind 1911 werkten er 3.500 arbeiders in de zinkfabrieken van de Kempen: 1.200 in Overpelt, 1.000 in Balen, 900 in Lommel en nog ongeveer 400 in het Nederlandse Budel. Van al die arbeiders waren er ongeveer 1.000 bij de nieuwe syndicaten van kapelaan Jans aangesloten. Met 148 leden was de Lommelse afdeling de grootste. In Overpelt, waar geen priester als Jans actief was, durfde bijna niemand aansluiten uit schrik ontslagen te worden. De kapelaan voelde dat de kust vrij was voor nieuwe initiatieven.

In november 1911 ging Jans van start met een eigen blad voor de vakvereniging: De Kempische Arbeider. Telkens er een nieuw nummer van zijn maandblad verscheen, stond Jon de bode op straat al op te wachten. Een abonnement kostte 1 frank per jaar, de prijs van 5 pinten bier. Jon dronk Jans’ gazet met volle teugen: ‘Op de eerste plaats zou de vakvereniging moeten zorgen voor verbetering van de lonen. Het loon zou in verhouding moeten gebracht worden met de waarde van het werk en de behoeften van de werkman.’

Zijn hart sprong op als hij dit las, maar hij vreesde nog grote moeilijkheden voor Jans. Openlijk keurden de bazen van de zinkfabrieken nu immers het lidmaatschap van Jans’ syndicaat af.

‘Onze vakvereniging telt 1.200 leden. 3.500 gezinnen kopen onze krant. Ons brood wordt tot in de verste uithoeken van de Kempen bezorgd. Onze vakvereniging wordt nu door iedereen erkend en goedgekeurd. Vrienden, ik kan het niet genoeg herhalen: wij moeten ons verenigen.’

Die avond klonk Jans toespraak triomfantelijk. Vander Krieken, de kersverse voorzitter, draaide zenuwachtig aan de punt van zijn snor. Jon schrok van de stoute tussenkomsten van de jonge arbeiders. Voor hen waren het goedkopere brood en de 2,50 frank werklozensteun aalmoezen. Het verzet ontwaakte. Waar vroeger iedereen op deze vergaderingen zweeg, ging het er nu warm aan toe.

‘Kapelaan, wij moeten mee opkomen voor het algemeen stemrecht. Wat zijn we met een vereniging als we toch niet mee mogen beslissen?’

‘Kapelaan, onze vereniging komt op voor de verbetering van de lonen, maar zijt ge al eens naar de winkel geweest? De prijzen schieten de hoogte in. In de Borinage staken 33.000 mijnwerkers tegen die prijsstijgingen. Dat moeten we ook doen. Staken!’

Voorzichtig probeerde Jans de gemoederen te sussen: ‘We zijn al met 70.000 christelijke verenigden in België. Als we nog groeien, zullen ze wel rekening met ons en onze rechtvaardige eisen moeten houden.’

Na lang draaien en keren op zijn stoel, kwam Jon plots tussen. De jonge arbeiders luisterden benieuwd naar wat die oude Van Bommel te vertellen had. Meestal zei hij geen woord. Zelfs Vander Krieken draaide zijn stijve hals traag in zijn richting.

‘Kapelaan, ik vrees dat deze jongens gelijk hebben. Ik vrees dat de coöperatieven het probleem van de armoede en de miserie van de arbeiders niet kunnen oplossen. Kan een muis een koe opeten? In Gent hebben de socialisten al jaren reusachtige coöperatieven. Hebben de arbeiders het daar goed? Hun eigen partijvoorzitter, Louis Bertrand, liep 15 jaar geleden over naar een filiaal van Lever in Vorst. En ons aantal, zal dat de kapitalist doen wijken? Deze zomer met half oogst stapten 160.000 mensen door de straten van Brussel voor algemeen enkelvoudig stemrecht. Hoeveel indruk heeft dat gemaakt op de katholieke regering? Zelfs het stemrecht zal de arbeider niet bevrijden...’ Plots beet Jon op het puntje van zijn tong. In het besef dat hij misschien te ver was gegaan, snoof en kuchte hij zijn beschaamdheid weg. Alle blikken bleven op hem gericht. Zelfs de kapelaan repliceerde niet. ‘Ik denk dat gij wat te veel gazetten leest, Jon’, verbrak Vander Krieken eindelijk de beklemmende stilte.

De roddels scheerden door het dorp als krijsende kraaien rond de kerktoren. De sfeer werd nog meer gespannen toen er ook socialistische propagandisten uit Herentals werden gesignaleerd. De Gazet van Hasselt waarschuwde dat ‘in de Kempen pogingen worden ondernomen om onder de werkersbevolking ontevredenheid en opstand te verwekken’.

Als de bedienden de arbeiders aanmaanden de volgende dag een potlood mee te brengen, deed het gerucht de ronde dat dit moest dienen om hun ontslag bij de vakvereniging te ondertekenen. In paniek werd nog dezelfde avond een syndicale vergadering belegd. De volgende dag sprak niemand van de directie nog over een potlood. Was Schulte toch van gedacht veranderd? Enkele dagen later viel er bij Jans een brief van burgemeester Van Ham in de bus. De kapelaan stond aan de grond genageld:

‘Daar ik de innige overtuiging heb dat de hevige redevoeringen, die de laatste weken in de vergaderingen der werkmansverenigingen alhier zijn uitgesproken, alsook de verspreide gedachten niets anders dan zeer woelige gevolgen voor onze gemeente in het algemeen en voor onze werklieden in het bijzonder meebrengen; daar ik in geweten de klassenstrijd zoals hij thans door u gestreden wordt, geheel afkeur en niet de minste verantwoordelijkheid er voor wil opnemen, voel ik me verplicht u uit te nodigen uw vergaderingen voortaan niet meer in de muziekzaal te houden. Aanvaard, Eerwaarde Heer Kapelaan, mijn eerbiedige groeten.’

Burgemeester Franfois Van Ham. Hij was burgemeester van Lommel van 1904 tot 1921.

Jans kende burgemeester Van Ham door en door. Hij was een aristocraat en hoogmoedig. Zijn familie stamde af van rijkere teuten en hij trouwde ook met een vrouw uit een rijke teutenfamilie uit Bühl in Duitsland. Wanneer hij op zijn wit paard door de straten paradeerde, nam elke dorpeling zijn pet voor hem af en knikte nederig.

Jans was niet van plan te buigen. De week daarop was de beroering totaal als Vander Krieken ‘in zijn veertien dagen wordt gesteld’. Regelmatig werden er arbeiders ontslagen, maar deze brave man kon al pochen op 19 jaar trouwe dienst in Overpelt-fabriek. Daarvoor ontving hij zelfs de decoratie tweede klas. Door het hoofd te treffen wou de patroon het lichaam verlammen. In plaats echter van het vuur te blussen, wakkerde Schulte het aan. In strooibiljetten riepen de vakbondsleden op tot protestbetogingen. Vander Krieken bleef ontslagen, maar de christelijke vakvereniging kwam sterker uit die strijd: nieuwe leden en meer prestige. Vander Krieken kreeg een job in de bakkerij. Jans wist deze nederlaag naar een overwinning om te buigen. Hij vatte nu het plan op om een eigen huis voor het syndicaat op te richten.

Een stoet van 1.200 zinkarbeiders trok door de straten van Lommel. Mannen, vrouwen en kinderen lachten en zongen. Onder vlaggen en wimpels stapte ook Jon mee op. De fanfare ontbrak. Ze kreeg verbod van burgemeester Van Ham om deze manifestatie op te fleuren. Zelfs een hagelbui kon de pret niet bederven. De kapelaan glunderde. Die dag, 15 december 1912, werd het eerste zelfstandige werkmanshuis van Limburg ingehuldigd.

Het was geen toeval dat Lommel als plaats werd uitgekozen. Als dank bood Vander Krieken kapelaan Jans een groot portret aan. Delvoie moest in zijn toespraak toegeven: ‘Spijts al de rondgestrooide kleingeestige geruchten verklaar ik dat de werking van Eerwaarde Heer Jans volledig door zijn overheid wordt goedgekeurd.’

Het latere succes van Jans zou Monseigneur Rutten in 1913 doen besluiten Delvoie als secretaris te vervangen door Broekx. Deze priester kreeg toen als opdracht het experiment van Jans over heel Limburg te veralgemenen. Later begon Jans in dit lokaal nog met een bibliotheek, een turnkring, een studiekring en een soldatenschool. Hij geloofde in zijn hemelse, maar ook in zijn aardse opdracht.

Maar juist één jaar na de inhuldiging werd Jans teruggefloten. Bisschop Rutten schreef hem dat hij bittere klachten had over zijn weekblad De Kempische Arbeider. De kerkleider was er over ingelicht dat de artikels overwegend door priesters onder schuilnamen werden geschreven en vond ze ‘kwetsend voor burgers en patroons’. Zijn brief van 14 december 1913 dicteerde: ‘Priesters moeten voorzichtig zijn, de bestaande overheden eerbiedigen en het werkvolk bijstaan, niet opruien. Het is beter geen syndicaten op te richten dan strijdsyndicaten. Daar wordt haat en opstand aangekweekt tegen de patroons en burgers.’

GEDENKENIS DER INHULDIGING
VAN 'T WERKMANSHUIS
LOMMEL15 DECEMBER 1912

Leve PATER RUTTEN !
Leve E. H. JANS !
Leve de Kristene Vakvereniging !

Op 15 december 1912 werd in de kloosterstraat in Lommel het eerste werkmanshuis van de christelijke vakvereniging in Limburg opgericht.

Hoofdstuk 5 - August Dewinne (1911-1914) - Inhoud

Champetter Bosmans fietste tergend traag en zigzaggend door de Lepelstraat. Voorzichtig plaatste hij zijn fiets tegen de voorgevel van het huisje van de familie Van Bommel en klopte aan. ‘Jon, ik heb slecht nieuws bij. Dries zal ook naar het leger moeten.’

Bosmans plofte neer op een kermend stoeltje. Aan tafel zocht hij bladerend het goede formulier. Na elk blad likte hij traag zijn duim nat. Marieke holde naar buiten. Dries was zijn moeder aan het helpen bij het rooien van de aardappelen. Haar roepen en wenen deed de champetter even boven zijn leesbrilletje naar buiten gluren.

‘Ja, Van Bommel, Koning Albert heeft van zijn oom, Koning Carol van Roemenië, een ernstige waarschuwing gekregen. 300.000 Duitse soldaten worden aan de grens samengetrokken om Frankrijk aan te vallen en los door België te marcheren. Ja, ja, Van Bommel, minister de Brocqueville heeft daarom dringend de algemene dienstplicht ingevoerd.’

Bet kwam de voorkamer binnengestormd. ‘Jon, het is niet waar! Zeg verdomme dat het niet waar is! Ze hebben onze Toine al afgepakt. Is dat nog niet genoeg?’

Ze grabbelde de brief van de tafel en staarde ernaar als naar haar eigen doodvonnis. Het besef van het onherroepelijke verlamde haar. Stil in een hoek stond Dries met in zijn hand nog een patat.

In oktober 1909 had de katholieke regering het systeem van loting afgeschaft en vervangen door één dienstplichtige per gezin. Nochtans had de Katholieke Partij steeds geijverd voor een leger van betaalde vrijwilligers. Vanaf 1890 was de afschaffing van de dienstplicht zelfs een van de grote strijdpunten van haar kiespropaganda. De Vlaamse akkers vergden veel arbeid en de landbouwtechnieken waren nog primitief. Geen zoon kon gemist worden. Zo wisten Woeste en Helleputte de stemmen van de boeren binnen te halen. Daarenboven hadden ze veel meer vertrouwen in de beroepssoldaten dan in de rekruten uit het volk.

En Jon van Bommel kreeg ook een prijs aangeboden: het Nijverheidsereteken Eerste Klas als eerbetoon voor bewezen diensten.

Bij stakingen en opstanden zouden deze wel eens de kant van de revolte kunnen kiezen. Nu verdedigde Woeste toch de nieuwe wet tegenover zijn achterban van Vlaamse boeren met het argument dat hun gezinnen veel groter waren dan de Waalse. Daardoor zou een surplus van 20.000 Walen onder de wapens moeten. Vlaams-Nationalisten zullen later valselijk beweren dat vlak voor de eerste wereldoorlog 80 percent van het Belgisch leger uit Vlamingen bestond.

Met zijn neus gedrukt op de massale oorlogsvoorbereidingen van het Duitse leger aan de Belgische grens, besliste in 1912 het Kabinet van de Brocqueville 100.000 extra manschappen op te roepen. Helleputte draaide zijn antimilitaristische kar 180 graden en ontving als beloning een ministerportefeuille. Woeste bleef zich verzetten en kreeg als troostprijs de titel van graaf aangeboden.

En Jon Van Bommel kreeg ook een prijs aangeboden: het Nijverheidsereteken Eerste Klas als eerbetoon voor bewezen diensten. Jon weigerde het op te hangen, maar Betje klopte zelf een kram in de muur. Als Jon naar de beeltenis van de stoere metaalarbeider keek, lachte zijn mond en huilde zijn ziel. Liefst stapte hij op om in de eenzaamheid van de hei rond te dwalen. In de buurt van de fabrieken verschroeiden zuren en metalen de hei tot een woestijn. Hier en daar schoot nog een busseltje weegbree omhoog. Boomstronken en grillige takken staken als geraamten uit boven dit dode land. 350 hectaren vloeiweiden langs de vaart gingen verloren. Zonder enige schadeloosstelling werden de kleine boeren geruïneerd. Nochtans troffen de fabrieksbesturen met grote grondeigenaars zoals baron Emsens wel een minnelijke schikking uit vrees voor rechtsgedingen. Op een dag trokken de getroffen boeren in stoet naar burgemeester Van Ham. Hun uitzichtloze toestand werd hem voor de voeten geworpen: ‘Onze gronden zijn vergiftigd, onze vruchten en groenten verbrand, onze lucht verpest door rook.’ Van Ham luisterde, zweeg en keek op hen neer.

Brief na brief schreven ze hem. Ten einde raad stuurden ze hem zelfs telegrammen wanneer zuur en rook hun erfgoed geselden. Eindelijk gaf de burgemeester antwoord... ook per telegram: ‘Ben onbevoegd om vast te stellen en onmachtig om te beletten.’ De machteloosheid van de machtigen als het volk om zijn rechten schreeuwt.

De boeren protesteerden vervolgens bij de gouverneur van de provincie Limburg tegen de bouw van een nieuwe zinksmelterij in Overpelt. ‘Er is nog niets beslist’, durfde de gouverneur beweren, terwijl op dat moment de smelterij reeds geïnstalleerd was.

Gebouwd in 1790 langs de baan Hasselt-Eindhoven deed het barrierhuis dienst als Lommels postkantoor en wisselplaats voor de paarden van postkoetsen en diligences. Charles Poutiau kocht het barrierhuis samen met 23 hectaren akker- en weiland in 1900. Hij was doctor in de natuurwetenschappen.

Van het ministerie van Landbouw kregen de getroffen boeren zelfs nooit een antwoord. Op dat ogenblik was nochtans professor Helleputte minister van Landbouw. Door de stemmen van de boeren was hij verkozen tot volksvertegenwoordiger. De welbespraakte professor was sprakeloos. Als de aanklager na zeven maanden besliste zijn boerderij op te geven en aan de minister vroeg het dossier terug te sturen, antwoordde die wel:

Vroeger stuurde de provincie Antwerpen jaarlijks haar bijenkorven naar hier. 7.500 korven brachten een bijzonder geneeskrachtige heidehoning voort.

Aangezien gij vertrekt, is het onderzoek naar de gezondheidstoestand uwer dieren te Overpelt en te Lommel nutteloos geworden. Ik zend u daarom uw dossier terug.’

De katholieke minister Helleputte gaf blijkbaar al even weinig om het brood van de boeren als om dat van de arbeiders. Als professor wist hij beter. In een Brusselse krant had Jon onlangs gelezen: ‘De Geneeskundige Faculteiten zeggen eenparig dat het gevaarlijk is in de omtrek van zinkfabrieken te leven. Langzame vergiftiging door arseniek openbaart zich ten gevolge van het verorberen van groenten in de nabijheid geteeld. Ze kenmerkt zich door moeilijke spijsvertering, walging, duizelingen, hoofdpijn, lopende ogen, keelontstekingen, slapeloosheid, storingen der bewegingen en gevoelens en algemene vermoeienis.’

Maar magistraten, burgemeesters, gouverneurs, tot zelfs ministers waren ziende blind. Samen knielden ze voor het nieuwe gouden kalf: het kapitaal.

Met zijn lange wandelingen wou Jon voortdurend de geslotenheid van zijn huisje ontvluchten. Onderweg ontmoette hij Charles Poutiau. Dertien jaar geleden kocht deze natuurkundige het Barrierhuis samen met 23 hectare grond. In Jon vond hij steeds een aandachtige luisteraar. Zijn klaagzang was pijnlijk: ‘Vroeger brachten mijn 16 hectare weiland 4.500 frank per jaar op, verleden jaar nog een schamele 150 frank. Mijn boomgaard, goed voor een winst van 2.000 frank, werd gans vernield. Vierhonderd bomen stierven af. In mijn weiden dicht bij de fabriek werden mijn koeien dood aangetroffen, vergiftigd na het eten van het gras.’ Met kennis van zaken toonde hij Jon de sporen van invretingen op bomen, bladeren en vruchten. ‘Zelfs de bewateringskanaaltjes zijn besmet. In de Dommel zwemt geen visje meer rond.’

Als zijn eigen advocaat argumenteerde Charles verder: ‘De besturen der fabrieken raden hun eigen huurders aan geen groenten of vruchten te telen. Zo schudden ze op voorhand alle verantwoordelijkheid van zich af. Weet ge, Van Bommel, vroeger stuurde de provincie Antwerpen jaarlijks haar bijenzwermen naar hier. 7.500 korven brachten een bijzonder geneeskrachtige heidehoning voort. Wel, ze zijn de streek hier ontvlucht.’

Mijnheer Poutiau was niet bang. Hij had de fabrieken een proces aangedaan om schadevergoeding te eisen. Later zou Schulte hem 350.000 frank moeten uitbetalen.

De natuur, de planten, de dieren en ook de mensen waren niet bestand tegen deze duivelse krachten. Maar wie had de poorten van de hel opengezet?

Meer en meer ving Jons verontwaardiging hem in een spinnenweb van gepieker. Kuierend door de Heuvelse heide zocht hij zijn weg terug naar huis. In de verte hoorde Jon de kerkklokken luiden. Vijf uur. Hij staarde in de richting van Lommel-Dorp. Alleen de kerktoren troonde boven de heiduinen. ‘De woltoren’ noemden de Lommelaars hem, omdat hij ooit bekostigd werd met de opbrengst van de schapenwol. Hoe arm de streek ook was, er werd een kerk gebouwd met een toren die van mijlenver kon bewonderd worden. Tot meerdere eer en glorie van God hebben de boeren gewroet om dit monument baksteen per baksteen op te trekken. Tegen de geuzen beschermden ze hun beelden, tegen de Fransen hun altaren, tegen de liberalen de zielen van hun kinderen. Samen met de Spanjaarden hebben ze de geuzen verjaagd, in de Boerenkrijg kozen ze de kant van papen en kloosters en in Brussel hebben ze massaal betoogd tegen de oprichting van gemeentescholen. Al deze veldslagen hebben de goedgelovige boeren gewonnen, maar de oorlog tegen de nieuwe góden hebben ze verloren.

’s Avonds, na het avondeten, zong Jons jongste dochter vurig:

‘Ze zullen haar niet hebben de schone ziel van het kind zolang men in onze Kempen één enkele Vlaming vindt. ’

‘Kindje, zwijg, alsjeblieft, uw vader heeft hoofdpijn.’ Voor Jon was de Kempense ziel al lang verkocht aan de duivel en zaten de Judassen vooraan in de kerk.

Jaren vloeide het leven in de Kempense dorpen als een trage rivier in een troosteloze vlakte, maar de jaren voor de oorlog versnelde de stroming. In het voorjaar van 1913 was er beroering in Lommel door de aankomst van een vreemde heer. Hij logeerde al enkele dagen in hotel Cambrinus.

Toen bekend werd dat hij op vrijdagavond een spreekbeurt zou geven in café Het Slachthuis op de Overpelterkiezel, werkte dit bericht als een stok in een mierennest. De spreker was niet de eerste de beste. Hij was volksvertegenwoordiger van de BWP, August Dewinne uit Gent. De BWP zond zijn verkozenen uit over het ganse land om rapporten te schrijven over de wantoestanden in de fabrieken. Tegelijk moesten zij het nieuwe parlementaire wetsvoorstel op de arbeidsongevallen verdedigen. Een plaats voor deze bijeenkomst vinden was niet makkelijk geweest voor Dewinne.

August Dewinne logeerde al enkele dagen in hotel Cambrinus. Hij was een BWP-volksvertegenwoordiger uit Gent.

Alle cafébazen weigerden. Maar de herbergierster van café Het Slachthuis was zo kwaad op Schulte dat ze zelf Dewinne ging uitnodigen om in haar herberg een meeting te houden. Enkele jaren geleden had de man van de herbergierster zijn handen zo afschuwelijk verbrand dat hij voor altijd werkonbekwaam werd. Op dat ogenblik werkte hij al 15 jaar in de fabriek van Schulte. Nu genoot hij slechts een vergoeding van 22 centen per dag. Hun gezin telde 9 kinderen.

Jon twijfelde en twijfelde, maar besloot dan toch naar die rode volksvertegenwoordiger te gaan luisteren. Zijn vrouw zuchtte: ‘Jon, ze noemen u al de Canadees en de filosoof. Doe me dit niet aan. Morgen scheldt iedereen ons uit voor vuile socialist.’ Die woorden kreeg ze maar moeizaam over haar lippen.

Enkele malen fietste Jon voorbij het café. Zo onopvallend mogelijk gluurde hij naar binnen. Veel volk zat er niet. Het kon hem niet schelen. Kordaat duwde hij de piepende cafédeur open. Even keken de aanwezigen om. Aandachtig luisterden zij verder naar het verhaal van de ongelukkige herbergier. Dewinne zat bij hen aan een ronde tafel.

‘In Duitsland kreeg de vrek geen toelating om die stinkfabriek te bouwen. Maar hier in België, hier is alles mogelijk. En die boerkes uit de Kempen laten zich als lammekes afslachten.’ Er stond geen maat op de tirades van de bazin. Haar accent verraadde haar Antwerpse afkomst.

Dewinne knikte bevestigend en haalde een notitieboek uit de zak van zijn jas. ‘Kijk, gedurende de paar dagen dat ik hier in Lommel vertoef, heb ik al vier gelijkaardige schandalen ontdekt. Uw geval is het vijfde. Een man uit Westerlo bijvoorbeeld verloor een hand in een raderwerk. Hij krijgt nog 88 centiem per dag. Een andere werkman verloor aan een machine 2 vingers van zijn rechterhand. Van de verzekeringsmaatschappij krijgt hij 19,34 frank als schadevergoeding. Hij is wel zijn werk kwijt. Het derde geval is ongewoon schrijnend. Zijn buik was zo afschuwelijk verbrand dat de man een wrak werd. Om tien kinderen in leven te houden, betaalt de verzekering hem nu 56 centiem per dag! De vierde man kreeg bij het onderhoud van elektriciteitskabels een stroomstoot van 5.000 volt. Aan de vrouw vertelde de bediende dat haar man aan een beroerte was gestorven. Na een klacht bij de procureur liet het parket het lijk ontgraven. Nu ontvangt zijn weduwe met haar zes kinderen een schadevergoeding van 200 frank per jaar.’

De toon van August Dewinne werd vuriger. ‘Sedert 1 januari van verleden jaar zijn er in de fabriek van Overpelt 80 werkongevallen gebeurd, waarvan 10 met dodelijke afloop!’

De schelle stem van de cafébazin vloekte: ‘Als beesten behandelt die vrek zijn werkmensen. Een gewond beest kruipt in een donker hol om te sterven. Dat is ook het enige wat ge kunt doen als ge op zijn fabriek iets aan de hand krijgt.’

Dewinne nam zijn zakhorloge uit zijn gilet, boog het hoofd achterover en fronste de wenkbrauwen. ‘Gezien het gevorderde uur zou ik nu willen beginnen met mijn uiteenzetting over de wet op werkongevallen.’

Rechtstaande sprak de volksvertegenwoordiger voor 8 aanwezigen en 6 lege stoelen. Uitvoerig wees hij de gaten aan in de huidige wet van 1903: ‘de vergoedingen zijn belachelijk en de verzekering te duur omdat ze niet verplicht is. Vele patroons kiezen daarom eieren voor hun geld.’

Nadien lichtte hij het nieuwe wetsvoorstel van de BWP toe. Tot slot gaf hij praktische raadgevingen in geval van arbeidsongeval. De BWP’er nodigde de aanwezigen uit om vragen te stellen. Na die geleerde uitleg van de spreker durfde niemand nog een domme vraag stellen. Voorzichtig riskeerde Jon het toch. ‘Mijnheer Dewinne, beschikken de maatschappijen in de zinknijverheid wel over voldoende kapitaal om zulke dure verzekeringen aan te gaan?’

Voorwoord

Aan de Kempische Loonslaven I

Aan diegenen die lijden onder verdrukking en uitbuiting!

Aan diegenen die strijden willen voor lotsverbetering!

Op het oogenblik dat de kapitalistische uitbuiting hare intrede in de Kempen voltrekt en er tal van slachtoffers van werkongevallen maakt, roepen wij bijzonderlijk de aandacht der arbeiders op de gebrekkige wijze waarop de wet op de herstelling der werkongevallen toegepast wordt.

Die enkele regels die volgen zijn niet voldoende om de arbeiders toe te laten hunne rechten volledig te kennen en ze te verdedigen.

Wij drukken er ten zeerste op, dat de beste wetgeving waarvan de toepassing afhangt van den willekeur der bezitters, zonder gevolg blijft.

Integendeel eene gebrekkige wetgeving, op wiens toepassing eene krachtige' vakvereeniging waakt, zal voor de arbeidende klasse van groot nut wezen.

Slechts daar waar de verdrukten hunne verdrukking , beseffen en vast besloten zijn deze te bekampen en af te schudden, is de sociale wetgeving doelmatig, is er voor de zwo'egérs eenig nut uit de bestaande gebrekkige werkerswetten te trekken.

Machte de beknopte uitleg der wet op de werkongevallen en de beschrijving der ellenden en verwoestingen door het uitlandsche kapitalisme in de Kempen verricht, de Limburgsche proletariërs tot den strijd voor meer welstand opwekken.

Mochten zij het klassenbewustzijn bij deze loonslaven doen ontstaan en ze aansporen mede te werken aan het grootsch werk van ontslaving, waaraan reeds millioenen en millioenen vereenigde proletariërs aller landen deelnemen.

De Landelijke Raad der Belgische Werkliedenpartij.

Voorwoord uit het boekje van A. Dewinne, De doodende fabrieken der Kempen, Gent, 1912.

De spreker glunderde. Hij scharrelde even in zijn documenten en las: ‘Kameraad. Verleden jaar maakte de Metalurgique van Lommel en Overpelt, en dus zijn 12 aandeelhouders, een zuivere winst van 769.432,69 frank. Sedert de stichting van de nieuwe maatschappij in 1904, bij het samengaan van de fabrieken van Lommel en Overpelt, heeft ze steeds hogere dividenden uitgekeerd. Het laatste jaar was het rendement maar liefst 37 procent. Daardoor hebben de aandeelhouders samen 480.000 frank binnengerijfd. De bestuurders, waaronder Schulte, kregen daarenboven een aandeel van 347.130 frank uitbetaald. Ik spreek hier nu enkel over de gekende winsten. De echte zijn nog fabelachtiger.’

Uit de ogen van de toehoorders sprak een cocktail van ongeloof en woede. Zelfs Bertha, de cafébazin, prevelde enkel iets onverstaanbaar tussen haar rotte tanden.

De spreker vervolgde: ‘Een pikant detail. De uitgaven voor de kerk en de pastoor van Overpelt-fabriek staan gerangschikt onder de uitbatingskosten van de maatschappij. In elk geval zou die maatschappij met zulke winsten niet beschaamd moeten zijn? Bespottelijke lonen betaalt ze aan haar arbeiders. Bespottelijke vergoedingen geeft ze aan de slachtoffers van werkongevallen. Met de medeplichtigheid van de openbare besturen zweten onze arme christene arbeiders uit de Kempen water en bloed voor die Duitse kapitalisten, voor de joden uit Frankfurt! De oorsprong van deze fortuinen doet me huiveren.’

Machinaal applaudisseerden de toehoorders. Even keek Jon angstig om naar de deur. Deze taal had hij al wel gelezen, maar diezelfde woorden in een café onder de Lommelse kerktoren klonken scherper. Nadien viel Dewinne nog verschillende malen uit tegen de kerk, haar priesters en de christelijke vakverenigingen. Vooral verweet hij deze laatste geobsedeerd te zijn door hun strijd tegen de socialistische syndicaten en geduld en onderworpenheid te prediken. Dan flitste Jans door Jons gedachten: ‘als hij te weten komt dat ik hier ben geweest?’ Snel dronk Jon zijn pint leeg, glipte naar buiten en fietste langs een donkere omweg naar huis.

De fabriek van Overpelt bestond dat jaar, 1913, 25 jaar. Schulte en Co. gaven een groot feest. In de parochiezaal waren er toespraken van de directie, de burgemeesters en de pastoors. Gratis bier werd er getapt en de kinderen werden op snoep getrakteerd. De gehuldigde arbeiders kregen een zilveren uurwerk en een ingekaderd nijverheidsereteken.

In de ogen van Jon viel er niet veel te vieren. Van al de ovenmannen had maar één het 25 jaar volgehouden. Alleen reeds in Lommel-Centrum telde Jon 23 doden door ziekte of ongeval. Tezamen lieten ze 20 weduwen en 50 wezen achter. De krant Het Volk van juni had een lijst gepubliceerd van de arbeiders uit Neerpelt, die de laatste 10 jaar waren gestorven. Het verfrommelde artikel zat al dagen in zijn broekzak. Na enkele pinten bier toverde hij het te voorschijn. Hardop begon Jon hun namen voor te lezen:

‘Vermoord door de dodende fabriek van Overpelt:

Dekkers Jan, 34 jaar, laat 3 kinderen achter
Wijnen Marcel, 38 jaar, laat 6 kinderen achter
Mathys Jaak, 39 jaar, laat 5 kinderen achter
Vanzon Gerard, 35 jaar, laat 4 kinderen achter
Van Herck Frits, 34 jaar, laat 4 kinderen achter
Gybels Jozef, 34 jaar, laat 5 kinderen achter
Schoemans Michel, 33 jaar, laat 5 kinderen achter...’

De mollige hand van de champetter viel zwaar op Jons schouder. ‘Kom, Van Bommel, geen onnozelheden. Met zatte mensen kunnen we hier niets aanvangen.’

Kwaad duwde Jon zijn hand weg. Hij vloekte: ‘Nondedjuu, Nondedjuu...’

Hij wou nog zoveel verwijten uitschreeuwen, maar zijn opgekropte wrok blokkeerde plots zijn stem. Alleen zijn lippen trilden. Muisstil was het in de zaal. Honderden ogen volgden zijn trage passen naar de uitgang. Met een smak trok Jon de deur achter zich toe. Bij Fien van de Witte smeet hij zijn fiets kwaad tegen de gevel van het café. Die dag kwam hij terug strontzat thuis. Zijn Bet begreep waarom.

Tijdens de zomer van 1914 was het enige gespreksonderwerp in Lommel de dreigende oorlog tussen Duitsland en Frankrijk. Tot in de Kempen voerden socialistische militanten propaganda tegen de oorlog. In Leopoldsburg deelde Jules Driesschaert uit Turnhout nummers uit van La Caserne. Tot zijn eigen verbazing trokken jagers en piotten even later manifesterend door de kazerne. De soldaten scandeerden: ‘Weg met de oorlog, sabels en kanonnen!’

Driesschaert werd aangehouden en opgesloten. Tegelijk keurden de leiders der socialistische partijen in Frankrijk en Duitsland de moordende oorlogskredieten goed. In België zou Vandervelde voor hun verraad niet moeten onderdoen. Nog voor de oorlog werd hij daarvoor beloond en tot Minister van State benoemd.

Twee dagen voor de afkondiging van de algemene mobilisatie door Eerste Minister de Brocqueville vergaderde de Socialistische Internationale nog over vrede in Europa.

Ondanks de papieren neutraliteit van België viel Duitsland op 4 augustus het land binnen. De dag dat Luik werd ingenomen, 7 augustus 1914, kreeg Adriaan van Bommel hoge koorts. Twee dagen later stierf Jon op 54- jarige leeftijd. De Duitse ulanenbendes met spies en pinhelm zag hij niet meer te paard door Lommel galopperen. Nooit vernam hij dat zijn zoon Dries in de modder van de loopgraven aan de Ijzer crepeerde. Nooit beleefde hij het plezier Schulte als een bange haas uit Lommel te zien vluchten na de Duitse nederlaag...

Hoofdstuk 6 - Wereldoorlog I (1914-1918) - Inhoud

Vier lange jaren werd België geterroriseerd door het Duitse keizerlijke leger. De Noorderkempen ontsnapte niet aan de gruwel van de oorlog. Achter de Ijzer ploeterden Dries en Toon Van Bommel in de loopgraven. In bezet België werden de achtergebleven mannen opgeëist om in de Duitse fabrieken te werken als slaven. Velen verkozen de riskante vlucht naar Nederland om zich daarna in het Belgische of Engelse leger te laten inlijven.

In de strijd om het dagelijks brood droegen de vrouwen de wereld nu alleen op hun schouders. Samen met haar dochters probeerde Betje zo goed en zo kwaad het kon te overleven. Het graan op de zolder, het gezouten vlees en de boter in de kelder moesten de mensen verstoppen voor de plunderende Duitse patrouilles. Betje was slim. In een houten wastobbe met dubbele bodem had ze de boter verstopt. In het bovenste deel hield de stank van pisdoeken de Duitse soldaten af van verdere inspectie.

De Duitse bezetter stelde de avondklok in. Het werd stil in de straten. De trots van vele dorpen, hun kerkklokken, werd omgesmolten tot Duitse kanonnen. Om deze voort te trekken werden de beste paarden uit de stallen in beslag genomen. Zelfs het ‘Fietske’, kapelaan Michiel Jans, verdween uit het straatbeeld. Naar het Waalse dorpje Bergilers was hij weggepromoveerd door zijn bisschop.

Nederland bleef gespaard en keek toe hoe de wereld rondom brandde. Het Duitse leger trok een ijzeren gordijn op tussen Nederland en België. Op de elektrische draden stond 8.000 volt. Vluchten en smokkelen werd nu levensgevaarlijk. Toch trotseerde Marie, de tweede dochter van Jon en Betje, wekelijks deze draad van de dood. Vele smokkelaars werden geëlektrocuteerd: alleen al in Lommel bleven 28 mensen dood aan ‘den draad’.

Bezet België trachtte de kop boven water te houden, maar onbezet België verdronk. Het Belgisch leger werd teruggedrongen op een lap modder achter de Ijzer. Duizenden Duitse, Franse, Belgische, Oostenrijkse, Russische, Engelse en zelfs Amerikaanse arbeiders schoten mekaar een kogel door de kop, werden opengereten door kanonnen of stikten door zenuwgas. Dries van Bommel, de tweede zoon van Jon en Betje, was één van hen.

Lommels Ijzeren Gordijn. Alleen al in Lommel bleven 28 mensen dood aan den draad.

Het moreel van de Belgische troepen zakte dieper en dieper in het slijk.

Op 11 november 1918 zwegen de kanonnen eindelijk, maar tot grote verbazing van koningen en keizers niet de geweren. De soldaten keerden hun wapens tegen de eigen meesters. Reeds enkele dagen voordien was Wilhelm II hals over kop gevlucht uit zijn hoofdkwartier, het kuuroord Spa. Voor de Duitse keizer zou deze revolte uitlopen op het einde van zijn keizerrijk. Aan de Ijzer verbroederden Duitse met Belgische en Franse soldaten over taal- en landsgrenzen heen. Zij voelden zich bedrogen. In het kamp van Beverlo werden Duitse officieren door hun eigen soldaten gefusilleerd. In de nacht van 10 november arriveerden in het station van Lommel twee treinen met Duitse matrozen. In de vroege morgen trokken ze naar het dorp, ontwapenden de officieren en hingen rode vlaggen uit. Op de dag van de wapenstilstand wapperde niet meer de vlag van Duitsland, ook niet die van België, wel die van de internationale arbeidersbeweging. Tot de 16de november trokken colonnes Duitse soldaten door Lommel oostwaarts. Hun aftocht was eerder een feestelijke overwinningsmars: een Duitse muziekkapel voorop gevolgd door zingende soldaten en overal rode vlaggen. De stoet werd afgesloten door boeren met paard en kar uit de streek van Turnhout, die de ransels van deze troepen mee afvoerden tot aan de Duitse grens. Het feestgedruis werd nog onderstreept door geknal van geweerschoten en vuurwerk van lichtpijlen. Pas op 21 november bij valavond marcheerden de eerste Belgische soldaten Lommel binnen.

Terwijl de schreeuw om revolutie en socialisme ook harder en harder doordrong in de Belgische paleizen en burgerhuizen, hoopte de burgerij dat de snelle toekenning van het stemrecht als een fopspeen de revolte kon sussen. De Europese rijkaards hadden hun arbeiders en boeren gebruikt als kanonnenvlees. Nu hun eigen winkel in gevaar kwam, marchandeerden ze met rechten als afkoopmiddel om hun inboedel te redden. Hun paniek deed wonderen. In het kasteel van Loppem in West-Vlaanderen sloten de drie grote Belgische partijen reeds tien dagen na de wapenstilstand een akkoord om een driepartijenregering te vormen. Wat 88 jaar onmogelijk was, werd nu holderdebolder goedgekeurd: stakingsrecht en algemeen enkelvoudig stemrecht.

Ondanks de nog recente twijfels van het Vaticaan of de vrouw wel recht had op een ziel, was de Katholieke Partij van de Brocqueville toch voorstander van vrouwenstemrecht. Ondanks ronkende verklaringen in het Charter van Quaregnon voor gelijke vrouwenrechten, was de BWP van Vandervelde tegen vrouwenstemrecht. De reden van deze inconsequentie was: angst voor stemmenverlies. Een compromis haalde het: alleen gemeentelijk stemrecht voor vrouwen, behalve voor prostituees. Als een vrouw vreemd ging, werd ze reeds als een hoer aanzien en was ze dus rechteloos. Als een man vreemd ging, was dat enkel een teken van goede gezondheid.

Toch mocht Betje bij de volgende nationale verkiezingen meestemmen: als moeder van haar gesneuvelde zoon Dries. Ook de weduwen van gevallen soldaten en vrouwen die voor hun verzetsdaden gevangen hadden gezeten, kregen dit stemrecht. Bij wet bleven vrouwen gediscrimineerd, maar het zoenoffer van zoon of vader brak wet.

De nieuwe heilige drievuldigheid van katholieke, liberale en socialistische partijen probeerde eensgezind de strijdbijl van alle aardse klassenstrijd voor eeuwig te begraven. Daarom mocht de lofzang aan het vaderland niet te snel verstommen.

De bevrijdingsstoet van 1919 in Lommel. ‘Lommel rouwde en Lommel feestte. Verdwaasd keek Toon voor zich uit... ’

Als oorlogsbuit werden de Oostkantons geannexeerd en Rwanda-Urundi als Duitse kolonies onder Belgisch protectoraat geplaatst. Op alle pleinen van steden en dorpen werden monumenten en standbeelden opgericht ter ere van de helden van het vaderland. Optochten met fanfares en trompetten bazuinden de overwinning uit. Deze orgie van vaderlandsliefde moest de gemartelde liefde voor eigen zoon of vader doen vergeten, niet alleen voor hen die stierven als soldaat of gedeporteerde, maar ook voor de vele gebroken levens. Verminkt, waanzinnig of gepakt door het gifgas, strompelden ze door hun straat en schuifelden hun huisje binnen. Betje vergat de reuma in haar botten toen ze door de Lepelstraat naar het station holde. Toon kwam terug van het militair hospitaal in Berchem. Haar zoon van voor de oorlog was niet meer dezelfde man. Jong en zingend was hij vertrokken. Oud en zwijgend keerde hij weer. Lommel rouwde en Lommel feestte. Verdwaasd keek Toon voor zich uit. Onbeweeglijk zat hij op een stoel voor het huis en staarde naar de voorbijtrekkende overwinningsstoet. Betje trachtte haar zoon op te vrolijken door Toon voortdurend uit te leggen welke taferelen ze zag. De stank, het bloed, het gekreun, de doodsangst... als bliksemschichten martelden die beelden zijn netvlies en verlamden zijn hersenen. De ogen van Toon zagen, maar zijn hart en ziel waren blind.

‘Kijk, Toon! Keizer Willem II kruipt als een geslagen hond rond.’ ‘Luister, jongen. De fanfare speelt de Braban^onnne voor u.’ ‘Ruik eens Toon. De schoolmeisjes bieden u bloemen aan.’

Toon ademde dieper en sneller. Betje merkte dat haar aandringen haar zoon enkel zenuwachtig maakte.

Zoals zovele families in Europa was de familie Van Bommel zwaar gehavend uit de Eerste Wereldoorlog gekomen. In de Noorderkempen leverde de overwinning van de geallieerden voor de Société Générale wel een grote buit op: de fabrieken van Schulte in Overpelt en Lommel kwamen als een geschenk uit de hemel gevallen. De winsten uit de brutale rubberwinning in de wouden van Congo waren immers fel geslonken. Franse rubberplantages in Vietnam waren veel rendabeler. Toen de Société Générale ook haar investeringen in de Russische spoorwegen en ertsmijnen door de Oktoberrevolutie van 1917 verloren zag gaan, steeg haar interesse voor Congo. Nu ook de mijnen van Katanga geheel in haar handen kwamen, zou de verwerking van zware metalen een enorme bloei kennen. Daardoor werd België een van de grootste wereldproducenten van zink, koper, lood, cadmium en cobalt. Die gouden kip zou de moeder van alle Belgische ondernemingen geen windeieren leggen.

Als dank voor bewezen diensten werd Vandervelde na de oorlog Eerste Minister van het nieuwe kabinet. Prompt gaf hij Union Minière een koloniale lening van 300 miljoen voor infrastructuurwerken. Havens, spoorwegen, scholen en ziekenhuizen moesten Union Minière toelaten de ertsen op grote schaal te exploiteren. Zo leverden de mijnen van Kilo-Moto in 1919 reeds 1.618 kg goud. De koperproductie steeg van 7.400 ton in 1913 tot 139.000 ton in 1930. De Société Générale controleerde van dan af 70% van de Congolese economie. Haar winsten waren ontzaglijk. De Congolese arbeiders van Union Minière werden verplicht in werkkampen te wonen rond de mijnen. ‘Camps de concentration’ noemde de maatschappij ze.

Medische controle bij de rekrutering van Congolese mijnwerkers voor Union Minière. Al vlug kampte Union Minière met een tekort aan mijnwerkers. De rode-rubber-terreur had het land immers ontvolkt. Er was maar één oplossing voor Union Minière wilde ze werkvolk behouden: de mijnwerkers beter voeden en langer gezond houden. Zoals de jezuïeten in de ‘kapelhoeven’ op het platteland de weesjes opvoedden tot gewillige plantageslaven, zo kregen de benedictijnen vanaf 1911 van de paus de Katangese arbeidersziel toebedeeld. Union Minière betaalde de benedictijnen om in de kampen scholen en hospitalen op te richten. Van de moederschoot tot de doodskist werd nu voor de mijnwerkers gezorgd. Zij werden gekweekt tot een nieuw ras: het tshanga-tshanga-ras, een ras van trouwe, gedienstige, werklustige zwarte arbeiders. De productiviteit per mijnwerker steeg van 1,5 ton in 1920 tot 5,8 ton in 1925. In de koloniale periode vloeide er 4.300 miljoen dollar winst van Congo naar Belgische banken en holdings.

Na de Tweede Wereldoorlog schrapte ze wijselijk deze naam. In het kamp van Leopoldstad alleen stierven tussen 1905 en 1919 niet minder dan 4.000 mijnwerkers aan ziekte en ontbering.

Ook voor de zinkarbeiders die de oorlog hadden overleefd, hervatte het zware en gevaarlijke werk aan de ovens. Hun patroons waren van nationaliteit veranderd en spraken nu Frans in plaats van Duits. Behalve dood en ellende had deze oorlog de arbeiders niets opgebracht. Toch stemrecht en stakingsrecht? De partij die ze voor de oorlog hadden gesteund, de BWP, had hen mee in de loopgrachten gejaagd en verdedigde nu in de driepartijenregering dezelfde politiek van klassencollaboratie. Wie durfde te staken, werd nog steeds op straat gegooid. De nieuwe wet was een vodje papier. De vakbondsafgevaardigden werden door de patroon aangesteld en kregen de beste postjes. Wel werden de versnipperde vakverenigingen van voor de oorlog samengesmeed tot nationale organisaties. Georges Goetgebuer, de priester en propagandist in de Kempen, werd benoemd tot de eerste nationale secretaris van de CCMB, de Christelijke Centrale van Metaalbewerkers.

De droom van Jon was samen met hem begraven. Hoeveel vermoorde dromen spookten er niet rond over de hei? Om te overleven in de hel van hitte, stof en zuur koesterde zowat elke zinkarbeider zijn eigen, kleine droom, ’s Nachts fluisterden ze in de dennenbossen hun waarschuwingen als vespers van hoop en dood. Alleen wie de deuren van zijn geest openzwaaide voor deze gezangen van de dwaze doden, kon hen horen.

De Witte droomde weg in de kerk. Hij bad om een beter bestaan en troostte zich met het geloof in een hemels leven na de dood. Tist droomde weg op het bankje in zijn tuin. Hij reisde met zijn duiven mee over velden en dorpen tot diep in Frankrijk. Jan droomde weg bij zijn visstok aan het kanaal. Op het witte doek van het water weerspiegelden alle mooie wichtjes van het dorp. Ze knoopten hun zijden bloesje los en toonden hun kanten slipje. Koedel droomde weg aan de toog van café De Kroon. Arm, lelijk en oud, maar na vijf pinten bier rijk, mooi en jong.

Elke nacht fluisterden die duizenden tongen van bedrogen dromen hun refrein: ‘Vluchten naar de hemel, in fantasie of echt naar een ander land... ja, het helpt overleven, maar verandert geen moer aan de miseriemachine. Alleen een organisatie, een vakbond of een partij die echt de zinkarbeiders verenigt en vecht, kan ons lot verbeteren.’

Was elke droom dan bedrog? Niet als die dromen groeiden in de hoofden van duizenden zinkarbeiders. Als de droom van één man, Koning Leopold II, een land als Congo kon veroveren, waarom zou de droom van miljoenen arbeiders dan niet de wereld kunnen veranderen? Het kapitaal, het leger, het gerecht, de ganse staat waren de ladders naar de koningsdroom. Wie hen controleerde, bezat de sleutels om van dromen werkelijkheid te maken.

*
*   *

We maken samen een sprong van vijftig jaar vooruit in de geschiedenis om te zien hoever het staat met droom en werkelijkheid van de zinkarbeiders in de Noorderkempen.

In die vijftig jaar was er maar weinig veranderd, niet in de manier van produceren, niet in de arbeidsomstandigheden en niet in de verhouding tussen patroons en zinkarbeiders.

De naoorlogsjaren van 1945 tot 1970 deden de wereld echter daveren op zijn oude fundamenten. Grote socialistische landen als de Sovjetunie en China maakten sprongen vooruit en dwongen respect af . De meeste kolonies vochten zich los van hun overheersers, ook Belgisch-Congo. Mei ’68 was de revolte van studenten samen met arbeiders in Parijs en Berlijn. En als het regende in Parijs, druppelde het in Brussel...

 

Deel II

Het boek van Piet Poppeliers

Hoofdstuk 1 - Lej Jacobs (1970)

Elke morgen tussen 5.30 uur en 6 uur stappen honderden mannen zwijgend de poort van Overpelt-fabriek binnen. Af en toe breken de piepende remmen van een autobus of het gerinkel van een fietsbel de stilte. Van ver in de Noorderkempen komen deze mannen in de zinkfabriek hun boterham verdienen. Als een eiland van licht, vuur en rook brandt de fabriek in een zwarte zee van bos en hei. De kranen en fabrieksschoorstenen weerspiegelen dansend in het water van het kanaal dat de Schelde met de Maas verbindt. Aan zijn oevers ligt een keten van fabrieken die zware metalen produceren. Aan de Schelde in Hoboken worden lood, edele metalen en koper gewonnen. Olen is wereldleider in de productie van kobalt, germanium en silicium. Balen, Lommel en Overpelt zijn in de eerste plaats cadmium- en zinkfabrieken. In Reppel wordt arsenicum gewonnen.

Die morgen van 1 december 1970 stokt de stoet van haastige arbeiders aan de poort. Twee mijnwerkers met zwarte helmen en blauwe kielen delen een vlugschrift uit. ‘Wij hebben verleden winter 6 weken gestaakt voor 15% opslag en gewonnen. Lees hoe ze u bedotten. In Hoboken liggen de lonen voor hetzelfde werk veel hoger.’ Hun zwartomrande ogen en hun witte tanden schitteren. Dat vergroot de attractie van deze onverwachte boodschappers.

Half verborgen achter zijn wagen bespioneert een man het hele gebeuren. Bij het toenemende rumoer van een groep arbeiders aan de fabriekspoort steekt hij zenuwachtig een sigaret op. De man heet Lej Jacobs en hij is ABVV-afgevaardigde van de zinkfabriek. In zijn café, het Volkshuis in Overpelt, heeft hij samen met twee militanten van het Algemeen Belgisch Vakverbond (ABVV), Nand D’Joos en Tist Anthonis, deze actie voorbereid. Het pamflet dat de mijnwerkers nu uitdelen, heeft hij gisteravond samen met hen opgesteld. De ganse nacht spuwde een oude stencilmachine papier: een berg van 1.800 exemplaren.

Enkele mijnwerkers aan de toog in zijn café brachten de oplossing. ‘Als het pamflet morgenvroeg klaar is, dan delen we het al aan de ochtendploeg uit.’

Sinds de samensmelting van de fabrieken van Overpelt, Lommel en Hoboken hebben de arbeiders van de fabrieken in de Kempen ontdekt dat ze beduidend minder betaald worden. Die onrechtvaardigheid willen ze aan de grote klok hangen. Maar er is één grote hindernis: het gros van de 20 vakbondsafgevaardigden is aangesteld door de directeur zelf. Daarenboven is Lej de enige ABVV-delegee. Nooit is er in deze fabriek een actie ondernomen zonder dat de patroon op voorhand op de hoogte was. Dit pamflet dat de gelijkschakeling met Hoboken eist, is een kaakslag voor de directie. Directe ontslagen als represaille zijn niet uitgesloten.

Om 6 uur is de ochtendploeg nog niet binnen. Lej ziet hoe enkele fabriekswachters zenuwachtig op en neer lopen en de arbeiders aanmanen binnen te gaan. Waar anders de straat voor de fabriek er enkele minuten over zes verlaten bijligt, slenteren nu de laatste zinkmannen om halfzeven aarzelend door de poort. Met samengeknepen oogjes zuigt Jacobs de rook van zijn groene michel tot in de uithoeken van zijn longen. Trillend zoekt hij naar het slot van zijn wagen. Hij vloekt en smakt het portier dicht.

‘Loopt deze riskante operatie dan toch op een sisser uit?’

Dit pamflet is echter het vuur aan de lont van een groot kruitvat. In de afdeling Fijne Mekaniek schrijft een arbeider op een briefje: ‘Met de schaft gaan we allemaal naar buiten’. Stiekem gaat dit van hand tot hand. De ganse ploeg van de Fijne Mekaniek staat ’s middags midden op straat. Het verkeer blokkeert. In het Casino verslikt de directie zich in haar middag- aperitief. De vrijgestelden van het ABVV, Jan Wellens, en van het ACV, Dictus Wouters, worden opgetrommeld om deze wilde staking te bezweren.

‘In de volgende CAO (Collectieve Arbeidsovereenkomst) staat een loonsverhoging van 1,50 frank per uur. Daarbij zullen alle looncategorieën één categorie opschuiven’, proberen ze de stakers te sussen. Deze koelen nu hun verontwaardiging op hun eigen vakbondsleiders: ‘Dat is een centiemenakkoord. 15% moeten we eisen, zoals de mijnwerkers.’

‘Wij laten ons hier al 40 jaar als boerkes door die heren van het Casino op de kop zitten. Vanaf nu is dat gedaan.’

Na hevige verwijten heen en weer druipen de arbeiders van de Fijne Mekaniek af. Het onweer lijkt met wat gerommel voorbijgetrokken.

Woensdag 2 december 1970 vergezelt Lej twee ABVV-vakbondsleiders, Marcel Clement en Jan Wellens, naar Brussel. Daar wordt de nieuwe CAO voor de metaal besproken in het Contactcomité voor de Non-Ferro-nijverheid.

‘Ik vermoed dat we vandaag niet lang in Brussel zullen zijn’, bedenkt Lej hardop tijdens de autorit.

‘Neen, Lej, vergeet dat maar. Die onderhandelingen met de directie van de non-ferro lopen altijd uit tot een gat in de nacht. Het is een uitputtingsslag. Vaak trekt de directie zich terug om te overleggen. Het duurt dan tot 3 uur ’s nachts eer er iemand opdaagt. Meestal komt die heer dan nog vertellen dat ze niet tot een onderling akkoord zijn gekomen en dat we dus terug naar huis mogen.’

Jan wil de jonge delegee inwijden in de rituelen van deze vergaderingen. ‘Volgens mij gaan ze ondertussen samen dineren’, merkt Clement op.

‘Ge begrijpt me verkeerd. Ik denk dat we rap terug thuis zullen zijn, omdat de vlam in de pan zit op de fabriek’, verbetert Lej.

‘Jan, ge hadt ook nooit, zonder overleg met de vakbondstop, de toelating mogen geven om dat pamflet te laten uitdelen door die mijnwerkers. De top gaat u dat niet in dank afnemen, jongen.’ Clement zijn stem trilt even. Hij vreest dat daarover seffens in Brussel een appeltje zal geschild worden.

In de hal komt een bediende de delegatie van Overpelt tegemoet gelopen: ‘U hoeft zich niet naar de vergaderzaal te begeven. Maak direct rechtsomkeer naar Overpelt. De Metallurgie is in staking!’

Koppig hebben die middag de arbeiders van de Fijne Mekaniek voor de tweede maal het werk neergelegd. Ditmaal zijn ze niet op straat blijven staan. Enkele studenten en mijnwerkers van Mijnwerkersmacht hebben aan de fabriek een pamflet uitgedeeld. Mijnwerkersmacht is een comité van mijnwerkers en studenten dat een jaar voordien tijdens de mijnstaking van 1970 is opgericht. Samen met de arbeiders vatten deze bezoekers het plan op om door de ganse fabriek te trekken en zo iedereen op te roepen te staken. De smidse, de elektriciens en alle onderhoudsploegen volgen. De ovenmannen aarzelen. Voor hen brengt de gelijkschakeling van de lonen met deze van Hoboken niet veel op. Ook koesteren zij een oud voorrecht: nadat het zink of het lood uit de ovens is getrokken, mogen ze naar huis. Vele ovenmannen zijn tegelijk kleine boeren die van de fabriek recht naar hun akker hollen. In feite is dit voorrecht vooral een voordeel voor de patroon. Hoe sneller immers het gloeiend metaal getrokken en de ovens terug gevuld zijn, hoe langer deze ovens kunnen branden en hoe meer metalen uit het erts kunnen gewonnen worden. Aan de eindmeet van deze waanzinnige koers tegen de tijd staat steeds de patroon om de eerste prijs in ontvangst te nemen.

Nu een stoet van morrende mannen in blauwe kielen kordaat door de fabriek opstapt, hollen de ingenieurs als bange hazen in het rond alsof de hei in brand staat. Tevergeefs trachten ze nog de poorten van de afdelingen te sluiten om de mars der malcontenten te stuiten. Ondanks hun inspanningen om de bressen te dichten, zwelt deze rivier van woede aan tot ze de ganse fabriek overstroomt. De eis van de mijnwerkers van 15% wordt omgezet in ‘ 15 frank opslag onmiddellijk en voor iedereen’. Zo proberen de stakers de ovenmannen over de brug te trekken en de verdeeldheid te ontmijnen. Met krijt schrijven ze op kasten, muren en zelfs op hun eigen overall: ‘15 F’.

Als de vakbondsdelegatie uit Brussel toekomt, ziet het aan de poort zwart van het volk. De middagploeg wordt tegengehouden. De directie heeft de rijkswacht gealarmeerd. Deze vormt een haag voor de werkwilligen. Vooral ovenmannen glippen met gebogen hoofd en onder boegeroep de fabriek binnen. Wie werkwilligen tracht tegen te houden, wordt op matrakslagen getrakteerd. Als na de postenwisseling de rust is weergekeerd, kaarten groepjes arbeiders en studenten na. Plots stormen rijkswachters op de studenten af. Sleuren, trekken en duwen. Maar de poging van de arm der wet om hen te arresteren mislukt.

De patroons hebben schrik als arbeiders en studenten de handen in mekaar slaan. Daarom sturen ze de "wacht der rijken" op ons af’, spreekt een student het stakerspiket toe.

‘Wij hebben gisteren en vandaag meer geleerd dan de vorige 20 jaar’, roept een staker.

Die namiddag roept directeur Quentin de directie, alle stafleden en de afgevaardigden van de vakbond samen in het Casino. Met zijn houten balkon doet dit gebouw denken aan een saloon uit een cowboyfilm. Enkel de arbeidersafgevaardigden in de ondernemingsraad zijn verkozen. Het gros van de delegees is door Quentin zelf aangesteld. Daarenboven bekleden ze meestal de functie van ploegbaas of bediende. Vele arbeiders weten daardoor niet bij welke vakbond ze aangesloten zijn. Vraag je hen welke hun vakbond is, dan antwoorden ze: ‘Bij den bond van Toon of bij den bond van Gerard’, naargelang de voornaam van hun afdelingschef.

Voor Lej is dit een vuurdoop. Plots veert de ganse zaal in blok recht. Quentin stapt als een militair commandant door de middenbeuk. De hakken van zijn lange, zwarte laarzen begeleiden zijn intrede als een plechtige trom. Vooraan omknelt hij met beide handen de randen van het spreekgestoelte. Zelfbewust observeert hij zijn manschappen en maakt dan een minuscule handbeweging. Iedereen plooit. Quentin houdt een vlammende toespraak: ‘Alle delegees moeten alles op alles zetten om morgen iedereen terug aan de slag te krijgen.’ Koud applaus onderlijnt de bange gehoorzaamheid van gebogen schouders en ingetrokken nekken. Het dictaat van de directeur duldt geen tegenspraak. Zijn vragen verwachten geen antwoord. Zijn zelfverzekerdheid is ontwapenend.

De zinkfabriek nv Société Métallurgique te Lommel werd in 1904 gebouwd op een 300 hectaren groot heide- en bosgebied. Tot de Eerste Wereldoorlog waren het kapitaal en het kader Duits. In 1914 werd de fabriek geconfisqueerd door de Belgische staat en aan de Generale geschonken. Deze fusioneerde de fabrieken van Lommel en Overpelt tot de nv Compagnie des Métaux Overpelt-Lommel.

Donderdag 3 december staken 1.800 arbeiders van Metallurgie Overpelt. Directeur Quentin verstijft achter het stuur van zijn Amerikaanse slee. Als hij zich traag een weg baant door deze dreigende massa, verlammen zijn zintuigen. Hij ziet en beseft niet. Hij hoort en begrijpt niet. Als een zombie sloft hij de trappen omhoog naar zijn kantoor. Elk kaderlid volgt vanuit zijn bureau iedere stap en elk geluid. Als Quentin de deur krakend achter zich toesmakt, herademen zijn discipelen.

In de namiddag trekt een honderdtal arbeiders van Overpelt-fabriek in betoging op naar de fabriek van Lommel. Verbouwereerde boeren begapen hen vanop hun kar. Direct sluiten 400 man aan bij de staking. Aan de poort komt directeur Coppens in hoogsteigen persoon de arbeiders bedreigen.

‘Johny Walker’ is zijn bijnaam. Ook nu verraadt zijn lispelen en slissen zijn drankmisbruik. Met zijn wijsvinger dreigend, stelt hij Lej persoonlijk verantwoordelijk voor deze staking. Vandaag maakt chantage niet veel indruk op deze kordate mannen.

Die dag blijft een erg bewogen dag. De rijkswacht onderneemt een tweede poging om de studenten van Mijnwerkersmacht aan te houden. Ditmaal stormen ze het café van Lex in Overpelt, waar het stakerscomité vergadert, binnen. Stoelen vliegen in het rond. Kloppen, stampen, meppen. De rijkswachters moeten een tweede keer zonder buit afdruipen.

Lej is ontgoocheld als hij van Jan Wellens verneemt dat de vakbondstop toch nog een stemming per brief over het oude CAO-voorstel van 1,50 frank wil organiseren.

Voor de eerste maal in de naoorlogse geschiedenis van de fabrieken van Lommel en Overpelt gaat er op zaterdagnamiddag een meeting door aan de poort van de fabriek. Naast de arbeiders van Overpelt spreken er metaalarbeiders uit Hoboken en mijnwerkers uit Genk.

‘In Metallurgie Hoboken hebben ze de laagste lonen van Antwerpen. Staar u niet blind op de gelijkschakeling met ons. Onze en uw eis moet zijn: 15 frank voor iedereen. Nu!’ De bezoeker uit Hoboken krijgt een daverend applaus. Het geeft hen kracht.

‘Zes weken staking hebben de mijnwerkers geleerd wie hun vijanden zijn. De regering van BSP (Belgische Socialistische Partij) en CVP (Christelijke Volkspartij) heeft ons uitgehongerd en beklad. Maar wij hebben onze kracht getoond. Organiseer u zoals wij in arbeiderscomités. Arbeiders aan de macht.’ Bij die woorden balt de mijnwerker zijn vuist. Spontaan volgen enkele armen in de massa wat onwennig dit nieuwe gebaar.

Op het einde van de meeting deelt Jan Wellens de uitslag van het referendum mee: op de 1.810 arbeiders hebben 1.100 wettig gestemd, 850 stemden tegen en 250 stemden voor het centiemenakkoord. De massa gaat uit de bol. ‘15 frank Nu! 15 frank Nu!’ De eis van de gelijkschakeling wordt voorbijgestoken. Die avond richten enkele studenten en arbeiders in het café van Lex een comité op: ‘Arbeidersmacht Overpelt-Lommel’. Zij willen vechten voor de 15 frank opslag.

Drie weken houdt de staking stand. De directie kijkt neer op de twee caravannetjes en de vele vlaggen aan de poort van haar fabriek. De stakers spreken mekaar moed in. De vrouwen komen meer en meer klagen aan het piket. De BOB gluurt en loert. De rijkswacht loodst langs hekken van prikkeldraad de eerste ratten binnen in de fabriek. De dag voor Kerstmis 1970, donderdag 24 december, legt de vakbondstop een nieuw voorstel voor aan de arbeiders. Hierin wordt een gelijkschakeling met de lonen in Hoboken beloofd en een herziening van de loonclassificatie. De meerderheid van de zinkarbeiders van Overpelt en Lommel stemt voor.

In praktijk betekent dit toch een loonopslag van 16 frank per uur voor de ‘stielmannen’. De ovenmannen vallen met dit akkoord uit de boot. Lej Jacobs beseft dat deze staking maar een gedeeltelijke overwinning is op het vlak van de looneisen. Maar het zou nooit meer worden zoals voor de staking... dat hadden ze samen gezworen.

Bij de volgende vakbondsverkiezingen worden alle delegees ook werkelijk verkozen. Lej Jacobs behaalt niet minder dan 400 voorkeurstemmen. Nooit zal de directie het nog aandurven een afgevaardigde zelf aan te duiden. Deze staking is het startschot van een verbeten strijd tegen driekwart eeuw van vernederingen in de Kempense fabrieken.

De directie van Lommel-fabriek zet Lej als delegee voortdurend in de ‘buitendienst’ om hem af te zonderen van zijn makkers. Zo saboteert ze zijn syndicaal werk. De buitendienst bestaat uit een ploeg arbeiders die op kosten van de Metallurgie de villa’s van de directie en de ingenieurs onderhoudt. Herstellingen, verven, behangen, hovenieren... allemaal gratis. De kaderleden betalen zelfs geen huur. Directeur Quentin alleen heeft drie tuiniers aan het werk. De arbeiders die in huisjes van de fabriek wonen, betalen wel huur. Als troostprijs krijgen ze enkele potten verf en enkele rollen behangselpapier cadeau. Tot ergernis van directeur Quentin beweegt Lej zich nu in de ganse fabriek als een vis in het water.

Ook het ‘eindejaarsrapport’ wordt afgeschaft. Op het einde van het jaar moet elke arbeider persoonlijk zijn kleine eindejaarspremie in ontvangst nemen. Als schoolkinderen moeten de mannen in de rij aanschuiven. Iedereen krijgt van de directeur in hoogsteigen persoon een preek te slikken of lof toegezwaaid. De straf of beloning staat in verhouding: een vermaning, niets of een solleke van 5 centiemen opslag.

Vroeger waren willekeurige ontslagen schering en inslag. Nu dient elk ontslag voorgelegd aan de vakbondsdelegatie. Als Quentin Jef Bloemen afdankt, wordt ogenblikkelijk de fabriek stilgelegd. De brave man heeft er zich kreupel gewerkt en wordt nu als een oude hond de straat opgejaagd. Na enkele uren staking trekt de directie zijn ontslag in.

Het lukt de delegees zelfs om ‘den directeur’ de toegang tot de zinkfabrieken te ontzeggen. Dit is niet de wereldlijke, maar de geestelijke directeur. Vele mensen geven aan pastoor Thijs van Lommel-Werkplaatsen deze titel, omdat hij zijn zeg heeft in aanwervingen, ontslagen, verhuur van fabriekshuisjes en in nog andere, ondoorgrondelijke wegen. Overal in de fabriek, in kantoren en werkplaatsen, duikt zijn zwarte verschijning op: donkerbruine pij, zwarte muts, zwaar brilmontuur en een baard van engelenhaar.

Pater Humbert beter bekend als Pastoor Thijs, gefotografeerd vlak voor de gebouwen an de zmkfabriek van Lommel. Hij was pastoor van 1937 tot 1976 van de Sint-Barbara parochie te Lommel-Werkplaatsen. Hij kreeg van de arbeiders de bijnaam den directeur. J

Als op een dag de zielenherder op een vergadering van de nieuwe ondernemingsraad komt binnengestapt, grijpt Lej Jacobs zijn kans. Zowel de directie als de vakbondsafgevaardigden van Hoboken vragen zich verwonderd af: ‘Wat komt die man hier zoeken?’

Onschuldig antwoordt Lej hen: ‘Kent gij die verschijning niet? Dat is den directeur van de fabriek. Hij heerst hier over dit stukje hemel en aarde.’

De echte directeur voelt zich zo geschandaliseerd dat hij pastoor Thijs verzoekt niet meer zonder zijn toestemming de fabrieksgebouwen te betreden.

Nu, in feite hoort de pastoor ook bij de fabriek. De kerk, de parochiezaal, het gasthuis met de nonnekes, alles is eigendom van de fabriek. Zelfs het sinterklaasfeest wordt bekostigd door de fabriek.

‘Verleden zondag 4 december was het in den namiddag volop feest voor de kinderen van Lommel-Werkplaatsen. De groote, prachtige feestzaal van de fabriek was alreeds voor het gestelde uur proppensvol van kinderen, ouders en andere toeschouwers, die deze plechtigheid wilden bijwonen. Op een bepaald uur deed de goede Sint en zijn gevolg statig zijn intrede in de zaal onder het gejuich en gejubel der kleinen en der menigte. Wat aan dit feest bijzondere aantrekkelijkheid bijzette, was dat de beheerders en bestuurders der Cie des Métaux het wijs en prijsbaar gedacht hebben van hier niet alleen de kinderen, maar ook de ouders op dezen schoonen dag te gedenken. Er werd eerst voor duizend frank geldprijzen uitgedeeld aan die bewoners der cité, welke zich gedurende het gansche jaar onderscheiden hadden door reinheid en zindelijkheid in en buiten het huis, door met de meeste vrucht hunnen hof en akker te bewerken, door een goed verzorgde kinder opvoeding, in één woord, door een vrome, oppassende en ordelievende citébewoner te zijn. De fanfare sloot het feest met een krachtige Brabançonne. Onze moeders en kleinen verlieten de zaal met vreugde op het gelaat en dank in het hart voor de heeren beheerders en bestuurders der fabriek die zooveel vreugde en voldoening in den huiskring der werklieden weten te brengen. Mochten patroons en werklieden zich overal zoo verstaan! Het zou in de wereld een beetje beter gaan.’ Gazet van Genck, 11 december 1927

Wat blijft, ook na de staking, is de dagelijkse wedren om uit bergen grauwe erts gloeiende en glimmende metalen te toveren. Een levende keten van zwetende en hijgende lichamen duwt deze draak van ovens en machines in beweging. Immense ertshopen worden schep per schep versast van de loskaden in treinwagentjes. De berg erts van ’s morgens is ’s avonds verdwenen. Niemand zou geloven dat dit het werk is van mensen, alleen gewapend met een schop.

De wagentjes met erts verdwijnen in de afdeling ‘Contact’. Daar belandt het in de muilen van monstermachines die het mengen en verbrijzelen tot er enkel korrels overblijven. Die ertsblokjes worden in een werveloven zo sterk verhit dat het zinksulfide omgezet wordt in zinkoxide en er zwaveldioxide als gas ontsnapt. Dit gas wordt opgevangen en in contact met water zal het zwavelzuur vormen. Zure sulfergeur kruipt hier tot in de kleinste poriën van het lichaam. Door het chloorgas, de fluor- en kwikdampen hoesten de contactmannen de longen uit hun lijf. Met natte zakdoeken voor de mond proberen ze aan deze sluipmoordenaars te ontsnappen. Soms komt er ozon vrij, die de huid op één dag een maand doet verouderen. Het onzichtbare spook voor deze mannen is het arseengas. Stiekem zet dit gas de deur op een kier voor de dolende dood.

Enorme buizen voeren het gas af. Soms geraken deze verstopt door het meegevoerde stof. Dan moet het Contact worden stilgelegd voor een onderhoud. ‘Contactkermis’ noemen de arbeiders dat. Een vrijwilliger krijgt een lederen gareel omgesjord. Daaraan wordt een touw geknoopt. Die man kruipt dan in de afvoerbuis om ze terug vrij te kappen. Als de waaghals het door de warmte en de gassen te benauwd krijgt, moet hij aan het touw snokken. Ogenblikkelijk wordt hij dan terug omhooggetrokken. Sommige helden maken er een sport van om zo lang mogelijk door te werken. Dit heldendom zullen ze allen met een snelle dood betalen. In ziekenhuizen en kliniekbedden, in huiskamers kwijnen de meesten van de contactmannen weg aan longziekten en kanker.

De hete, bruine erts wordt schop per schop op de treintjes geladen die het naar de zinkovens voeren. Die ovens zijn muren van kolen en geroosterde ertsen, ’s Morgens stormen de ovenmannen naar deze vuurzuil van 1.100 graden. Met lange haken worden eerst de tippen van de moffels, ‘krassen’, afgetrokken. Door de overdruk in de moffels ontsnappen gassen en stof. Na enkele minuten kan de ene ovenman zelfs zijn buur op één meter afstand niet meer herkennen. Vliegensvlug duwen ze een ijzeren buis in de moffels om de gloeiende zink in grote kommen op te vangen. Eén verkeerde beweging kan een gevaarlijke brandwonde betekenen. Daarna scheppen ze met een reuzenpollepel het zware metaal in potten. Wie dit schouwspel ooit gezien heeft, waant zich in een hel van vuur, zwaveldamp en brandend stof. Wie niet vertrouwd is met de dans van staven en lepels in een dichte mist van stof, breekt hier zijn benen. Wie deze beekjes en plasjes van verschroeiend metaal niet kent, wordt eeuwig gebrandmerkt.

Met zware hamers worden het gestolde zink en lood uit de potten gekapt. Mannen heffen en sleuren deze brokken ruw metaal in de wagonnetjes van het fabriekstreintje. In de walserij wordt de nog warme zink geperst en gedraaid tot grote zinkplaten. Daar hangt steeds een groot bord:

‘ochtendploeg 11 ton’. De ingenieurs laten dit noteren om de competitie onder de ploegen te stimuleren. Zo kent elke afdeling haar wedren tegen de tijd.

Op de afdeling loodsulfaat duwen de arbeiders zelf de karretjes met zout voort. Om het zout om te kappen beuken ze met hun schouders de zware vracht omver. Als men een hond voor die karretjes zou spannen, zou die al na een uur zijn ketting kapotbijten.

Dit is slavenwerk. Gedurende bijna honderd jaar draait deze mensenmolen als de radertjes van een klok. De motor die hun waanzinnig geploeter in stof en slijk opdrijft is het systeem van ‘entreprise’: hoe meer en hoe vlugger het erts wordt aangevoerd, hoe meer deze mannen worden betaald.

Dat jaar worden er in de Belgische fabrieken 230.000 arbeidsongevallen geregistreerd: 10.500 arbeiders lopen daarbij blijvende letsels op en 393 vinden de dood op hun werk.

De golden sixties zijn vooral voor de patroons van goud. Voor de arbeiders blijft hun zwaar labeur slecht betaald, ongezond en gevaarlijk. Maar het vuur van de opstand is nog maar pas gedoofd in de zinkfabrieken van Overpelt en Lommel of de nieuwe wind wakkert een smeulend vuurtje in de fabriek Vieille Montagne van Balen aan tot een oplaaiende brand.

Hoofdstuk 2 - De staking (1971) - Inhoud

‘Zijt ge nu content?’ bedreigt mijnheer Griffier de arbeiders aan de andere kant van de lange tafel. Hij kijkt recht voor zich uit zonder enig oogcontact. Mijnheer Griffier is de directeur van de Zinkfabriek van Balen. De mannen in blauwe kiel geven geen kik. De stilte weegt zwaarder dan de gewichten die ze al jaren op hun schouders torsen.

Mijnheer Joris, hoofd van de sociale dienst, springt zijn overste bij: ‘U hebt het dus goed begrepen: iedereen krijgt 1,50 frank per uur bij, nu direct, en 1,75 frank na één jaar. Dat hebben we gisteren ook al aan de delegees uitgelegd, juist hetzelfde. Zijt ge nu content? Hebt ge ’t nu begrepen?’

Griffier gluurt naar Joris, zonder zijn hoofd te draaien. Zijn gevouwen handen kussen zijn lippen die hij als een vis in een teutje vooruitsteekt. Zijn ogen verraden enige irritatie. Hij meent dat die stilte een scherper wapen is dan het geleuter van Joris. ‘Neen, niet alles.’ Een van de arbeiders, een klein kalend ventje, zijn pet voor zich op de tafel, antwoordt iets te vrolijk. Het ijs van de stilte smelt weg. Verscheidene arbeiders draaien op hun stoel. Anderen kuchen en loeren langs de rij makkers over het blinkende tafelblad. ‘Hoe, niet alles?’ bromt de heer Joris. Mijnheer Joris’ al te snelle repliek werkt directeur Griffier nu zichtbaar op de zenuwen. Hij zet zich even schrap als een sprinter aan de start.

Om terug de leiding van dit overleg in handen te nemen, eist hij als een schoolmeester: ‘Leg uit, Poppeliers!’ Piet, dat is zijn voornaam, leunt achterover op zijn stoel: ‘Mijnheer Griffier, gisteren hebt u daar nog wat aan toegevoegd. Dat moet u er vandaag ook maar bijzeggen: "en als ge nog niet content zijt, dan moet ge uw jas maar halen en aan de andere kant van de brug gaan staan". Wel, mannen, we zijn niet content en onze mensen nog minder. Ik ga mijne jas halen en aan de andere kant van de brug staan. Daar spreken we mekaar nog wel.’

Als bij een afgesproken wachtwoord staan alle delegees recht en haasten zich als nerveuze schoolkinderen naar de uitgang. Woedende blikken priemen in hun nek. Op de trappen komen de tongen los: ‘Wat denken zij wel, we leggen alles plat.’

Piet snelt hen als een kat voorbij en beneden steekt hij als een profeet de handen in de lucht en roept: ‘Stoppen, jongens, nog niet over de brug gaan. Het is nog maar 11 uur. We moeten wachten tot 1 uur, als de mannen van de middagpost binnenkomen. Dan gaan we in blok buiten en ligt de hele fabriek stil.’

Als een lopend vuur verspreidt het nieuws zich over de afdelingen: ‘We gaan staken!’ Als krijgers die ten aanval trekken steken ze hun schoppen, pieken en houwelen in de hoogte en roepen en tieren. Uit poorten en deurtjes komen mannen te voorschijn. Het nieuws van de staking werkt als een stok in een mierennest. Iedereen rent op en neer. Stilaan verstomt alle lawaai. Het gedonder en gebrul van de ovens trekt als een onweer weg. Het geroep en geschreeuw verschrompelt tot gemor. Een blauwe massa mannen stroomt samen op het rode plein, de binnenkoer van de fabriek. Dan wordt het stil. Als in een plechtige processie stappen ze over de brug. Vanuit de glazen toren van de directie kijken ongelovige ogen hen na. Voor de eerste maal sinds de Tweede Wereldoorlog: staking in Balen.

Ingenieur Joris had de directeur gisteren nog smalend gerustgesteld: ‘Staken in Balen? Hier is nog nooit gestaakt. Onze mensen zijn hondstrouw aan het bedrijf.’

Maar op 8 januari 1971 staan ze aan de andere kant van de brug. Ze krijgen de bespiedende ogen van de directie in de gaten en ballen hun vuisten naar boven. Griffier slikt en het doet pijn. Een bijtende noorderwind jaagt de poedersneeuw tegen het raam van zijn bureau. Gesmolten tranen kronkelen over het glas naar beneden. Enkele seconden bevriest dit beeld zijn hersenen als in een hypnose. Dan neemt zijn woede terug het commando over en beveelt hij een bediende: ‘Geef me ogenblikkelijk de vak- bondssecretarissen van ACV en ABVV door. Dit is een wilde staking. Dit kan toch niet.’

Griffier ijsbeert heen en weer naar het raam. Hij ziet hoe de arbeiders van de ochtendploeg hun makkers van de middagploeg opvangen. Hun gebaren, hun gelach en geroep dat flauw het kantoor binnendringt, het maakt hem pas echt nerveus.

‘Ah, eindelijk, daar komt de vakbondssecretaris van het ABVV (Algemeen Belgisch Vakverbond) toe.’ Als zijn collega van het ACV (Algemeen Christelijk Vakverbond) is aangekomen, beklimmen ze samen opvallend traag het trapje van de ophaalbrug. Ondanks de kou zet Griffier vlug zijn raam op een kier. Hij wil niets missen.

ABVV-afgevaardigde Marcel Flament neemt een megafoon ter hand. Zijn metaalstem dringt door tot in de verste uithoeken van de glazen toren. ‘Mannen, dit is een wilde staking. Dat kan niet. Op 12 december hebben we al met de directie gepraat over een nieuw akkoord. We hebben nog alle tijd. Het oude akkoord vervalt pas op 28 februari. Gisteren nog zijn we met de directie samengekomen en hebben we verdedigd dat we niet akkoord zijn met de beloofde 6% opslag. We hebben hen gezegd dat dit veel te weinig is om de loonachterstand in de Kempen op te halen. Volgende week zien we mekaar terug en zullen we uw zaak tot het bittere einde bepleiten. Daarom, wees nu verstandig, ga nu rustig terug naar binnen. Zoniet, staan we niet in voor de gevolgen en zult ge geen stakingsgeld trekken...’

Deze chantage werkt als een rode lap op een stier. Als de vakbondssecretarissen onder een regen van verwijten het trapje afstrompelen, grijpen enkele arbeiders hen direct bij de kraag. Ze slepen hen mee naar het kanaal en dreigen hen een ijskoud bad te geven als ze de staking niet steunen.

Pietje Poppeliers gaat voor hen staan en maant hen aan: ‘Geen stommiteiten mannen. Zij moeten onze eisen verdedigen: 10 frank opslag, nu! Wij willen als mensen behandeld worden. Nu moet dat veranderen.’

Personeelschef Joris kijkt met grote ogen naar het hele gebeuren. Met een ruk draait hij zich naar Griffier en klaagt: ‘Ziet u nu wie de grote onruststoker is. Ik heb er u gisteren nog voor gewaarschuwd. Die Poppeliers van de "Smidse", we hadden hem al vroeger de laan moeten uitsturen!’

‘En dan? Dan hadden we al enkele weken geleden een staking uitgelokt’, repliceert de directeur koeltjes. Het antwoord van zijn meerdere dringt niet door. Joris boomt door: ‘Als u het mij vraagt, hadden we hem gisteren niet bij de onderhandelingen mogen betrekken. Hebt u daarnet niet gehoord hoe hij onze eigen woorden tegen ons gebruikt? Hij is niet te vertrouwen.’

‘Piet, gij zijt onze man, in u hebben we vertrouwen’, klinkt het uit vele monden vijf verdiepingen lager aan de andere kant van de brug. De twee vakbondssecretarissen wandelen met lood in hun schoenen naar de glazen toren.

Ongeduldig wacht de directieploeg de twee in de gang op. In de vergaderzaal verwelkomt Griffier hen beleefd. Ingenieur Joris laat hen niet op adem komen: ‘Ik had jullie gewaarschuwd. Jullie hebben slapende honden wakker gemaakt met uw onrealistische looneisen op de vergadering van 12 december. Stel u voor: een loonsverhoging van 29,4%. Tel daarbij de kosten van drie te verwachten indexverhogingen, plus nog wat andere lasten, dan staan we voor een loonstijging van 40 procent.’

Terwijl hij met een witte zakdoek de koude zweetdruppels van zijn voorhoofd dept, klaagt vakbondssecretaris Flament: ‘Dat weet ik, maar de mensen hier in de fabriek zijn niet meer te houden sinds de staking in de fabrieken van Overpelt en Lommel. Daar zijn mijnwerkers samen met die snotapen van Amada een pamflet komen uitdelen. Daarop stonden naast elkaar de lonen van hier en van Hoboken vergeleken.’

Plechtig en geruststellend geeft de directeur nu een verklaring: ‘Heren. Denk even na. De conjunctuur is op dit ogenblik niet gunstig. Wij zijn een bedrijf dat het vooral van de uitvoer moet hebben. Wij moeten willens nillens werken met de prijzen die op de wereldmarkt gelden. We kunnen dus onmogelijk de gevraagde loonlasten opvangen met een evenredige productieverhoging. Denk toch even na en kom terug met een fatsoenlijk voorstel.’

Alle hoofden draaien naar het venster als de slogan ‘10 frank nu’ als een storend gebonk op de ramen klopt. Directeur Griffier laat zich niet van de wijs brengen en klapt vlug in zijn handen: ‘Mijne heren, Iaat ons dit zinvol overleg verder zetten’.

Met voor zijn ogen nog de gapende wanden van het kanaal, zoekt de vakbondssecretaris van het ACV naar een schuldige voor deze wilde staking: ‘Dit had kunnen vermeden worden. Enkele dagen voor Kerstmis heb ik u gewaarschuwd dat de mensen niet meer tevreden waren. Wij hebben toen zelf het voorstel gedaan: geef hen een eenmalige premie van 2.000 frank. Dat zal de gemoederen wat bedaren. Uw voorstel van 500 frank was belachelijk. Trouwens die gasten van de Smidse wisten ook dat ze in uw Luikse fabrieken wel 2.000 frank met Kerstmis kregen...’

Ingenieur Joris voelt zich persoonlijk gepakt. Hij onderbreekt de verontwaardigde secretaris: ‘Wij waren toch akkoord. Bovendien hadden we u verzekerd dat er een loonsverhoging van 6% uit de bus kon komen, zoals in Luik. Dat we die 2.000 frank niet met Kerstmis konden uitbetalen, dat was een technische kwestie. U was toch ook akkoord met de datum van 7 januari voor de uitbetaling of niet?’

Directeur Griffier wil de woordentwist afkoelen: ‘Kom, kom, dat was inderdaad niet verstandig van ons. We hadden niet mogen toegeven dat wie om sociale redenen toch dacht aanspraak te kunnen maken op een uitbetaling met Kerstmis, zich vroeger kon aanbieden aan de kas. We hadden op hooguit enkele gevallen gerekend, geen 80 man.’

Joris kan het niet laten tussen te komen: ‘Dat was weer een gemene zet van de afdeling Smidse... en nu weet ik wie daar voortdurend het vuur aan de lont steekt.’

‘Maar waarom hebt u dan niet iedereen uitbetaald?’ vraagt secretaris Flament met dichtgeknepen oogjes.

‘Waarom niet, waarom niet?! Denkt ge dat het geen tijd kost om alle gegevens in de computer te stoppen?’

‘Feit is dat er maar 4 van de 1.500 arbeiders hun premie hebben gekre: gen en dat heeft veel kwaad bloed gezet. Denkt u echt, mijnheer Joris, dat de arbeiders van vandaag uw verhaaltjes nog slikken?’ snauwt ACV-afgevaardigde Van Thielen Joris toe.

De directeur onderneemt een tweede poging om een einde te maken aan dit in zijn ogen zinloos gekibbel: ‘Heren, heren, laat ons kalm de situatie beoordelen. Dit is een wilde staking. De secretarissen gaan daarover met ons akkoord. Wij moeten samen zoeken hoe we zo snel mogelijk aan deze pijnlijke toestand een einde kunnen maken. Ik stel voor dat de vakbondssecretarissen alle gewicht in de weegschaal werpen om de stakers daarvan te overtuigen. Het paritair akkoord dat we daarover hebben afgesloten, verbindt u daartoe.’

En zich met gefronste wenkbrauwen tot Joris wendend: ‘U, mijnheer Joris, u zou zo snel mogelijk een lijst moeten samenstellen van de arbeiders die we nodig hebben voor het stilleggen en het verder onderhoud van de elektrolyse. Ik dank u allen, heren.’

Met een brede lach stelt Griffier zichzelf gerust. Op 10 februari 1969 sloten de patroons van de metaalsector immers een Collectieve Arbeidsovereenkomst met de vakbondstop. In artikel 4 daarvan engageren ze zich om 0,6% van het brutoloon in de syndicale kas te storten, op voorwaarde dat de vakbond twee jaar lang alle stakingen kan verhinderen. In geval van wilde staking krijgt ze daarvoor drie dagen de tijd. Steunt de vakbondstop toch een wilde staking dan moet ze een boete betalen van 125 frank per dag per arbeider. Vanaf de twintigste stakingsdag wordt deze boete opgetrokken tot 250 frank. Voor 1969 betekende die 0,6% op een totaal loonpakket van 23,7 miljard een cadeau van 143 miljoen in de kas van de vakbond. Het gemiddelde uurloon in de metaalsector bedroeg dat jaar 57 frank.

Met toegeknepen billen stappen Flament en Van Thielen over de brug. Honderden vragende ogen wachten hen op. Als snel blijkt dat ze met lege handen toekomen, is het enig antwoord van de stakers een bulderend 10 frank, Nu!’ Met gebogen hoofd trotseren ze de haag van boegeroep. Twee auto’s vluchten weg. Groepjes stakers blijven nakaarten. Om hun koude voeten op te warmen stampen ze op de bevroren grond. Stilaan verdwijnen ze in de vroege duisternis.

Die avond lig ik in mijn bed. Met mijn ogen wijd open staar ik naar het plafond. Ik, Pietje Poppeliers, vandaag door de massa uitgeroepen tot stakingsleider. Hoe moet ik dat klaarspelen?

‘Wat scheelt er, Piet? Kunt ge niet slapen? Ge zijt ook weer wat begonnen, hé manneke. Straks smijten ze u met uw klikken en klakken buiten. En dan? Onze kinderen moeten nog studeren.’ Dit is niet mijn engelbewaarder die zo reclameert. Dit is ons Anna, of misschien zijn die twee wel een en dezelfde.

Anna, meiske, ik heb handen aan mijn lijf en ik kan die overal verkopen. Zo ben ik altijd geweest: een werker. Maar wat recht is, is recht en daar kom ik voor op. Zo ben ik geboren en zo zal ik sterven. Het is mijn gewoonte om haar opmerkingen steeds weg te wuiven met stoere taal.

Enkele minuten later is haar rustige ademhaling het enige geluid in onze slaapkamer. Zelf heb ik die nacht niet veel geslapen.

‘Op zo’n momenten spelen ze cinema in mijne kop. Flarden van mijn leven flitsen voorbij...

Hoofdstuk 3 - De flessenfabriek (1920-1940) - Inhoud

Ik ben geboren in 1920 in Riethoven, een boerendorpje in Nederland, net over de grens met België. Ik heb geluk. Mijn ouders bezitten immers een eigen boerderij met 18 hectaren grond, 16 koeien, 9 schapen, 3 varkens en wat kippen. Dat betekent heel wat: elke dag onze buik vol kunnen eten. In onze buurt wonen ook dagloners die voor een hongerloon bij de rijkere boeren werken. Zij hebben het niet breed. Mijn moeder stopt hen vaak wat brood en melk toe. Mijn ouders zijn doodbrave mensen. Mijn vader gaat zelfs zo ver om borg te staan voor de bouw van het huisje van een arme buurman. Op mijn zevende neemt mijn leven plots een wending van voorspoed en rust naar miserie en strijd. Die zeven vette en die zeven magere jaren hebben mijn karakter gekneed.

Met mijn 2 jaar oudere broer hoed ik de koeien in de boomgaard. Die is wel ommuurd met een beukenhaag, maar we moeten verhinderen dat de koeien toch onze groentetuin binnendringen. Ik lig op mijn rug onder een appelboom als ik plots bemerk dat er rook smeult onder het strooien dak. Wij schreeuwen en tieren: ‘Brand, brand, help brand!’ We lopen als gekken het huis in en uit. Alle kamers zijn leeg. Moeder is de koeien melken op een boerderij in de buurt. De boerin is pas bevallen van haar zesde kindje. Vader is met paard en kar aan het werk op het veld. Gelukkig hoort hij ons getier, maar toch komt alle hulp te laat. Nooit vergeet ik het menselijk gehuil van varkens in doodsangst. Onze mooie boerderij met stallen en schuur brandt voor onze ogen af.

Geen tafel meer om aan te eten, geen bed meer om in te slapen, geen dik meer om onder te schuilen: alles is vernield. Met 7 kinderen aan de arm gaan vader en moeder op zoek naar een plaats om te overnachten. Die brand drijft onze familie naar Belgische bodem, bij een broer van mijn vader. Juist over de grens met Reusel, in Postel, bewoont zijn gezin een boerderij. Ook bij mijn oom en tante zitten er 8 kinderen rond de tafel. De volgende nachten slapen we met 21 mensen onder één dak. Twee zussen worden later uitbesteed bij een andere tante. Zoals de hamer en het vuur smeden geluk en ongeluk hechte banden.

De familie Poppeliers: de sip kijkende jongen met grote strik links op de foto is Pietje Poppeliers. Met zeven kinderen aan de arm gaan vader en moeder op zoek naar een plaats om te overnachten.

Van de verzekering heeft vader een kleine som geld gebeurd. Het plan wordt opgevat om de uitgebrande boerderij in Riethoven terug op te bouwen. Maar dat plan valt in het water. Dat geld moet helemaal besteed om de borgsom voor het huisje van de buurman terug te betalen. Die dagloner kon immers de afbetalingstermijnen niet nakomen, zodat mijn vader ervoor opdraaide. Om toch wat vlees op de plank te toveren, stroopt vader ’s nachts konijnen met behulp van een lichtbak. Een overvloed van deze knaagdiertjes vreet de velden en tuintjes van de pachters kaal. Tijdens een heldere maannacht wordt vader door de boswachter op heterdaad betrapt. Deze stuurt zijn hond achter hem aan. In het gevecht tussen stroper, hond en jachtwachter gaat ongelukkiglijk het geweer van mijn vader af. De jachtwachter wordt licht aan de hand gewond. Voor die feiten wordt mijn vader veroordeeld tot vier jaar opsluiting. Moeder moet alleen verder met 7 hongerige monden. Bovendien is ze terug zwanger. Onze koeien staan nog steeds aan de andere kant van de grens en mogen België niet binnen. De ganse familie wordt gemobiliseerd om mee naar een oplossing te zoeken. Die komt er. Mijn moeder kan op de Varkensdijk in Postel een boerderijtje pachten van graaf de Brocqueville. Hij was voor en tijdens de oorlog van '14-'18 minister van Binnenlandse Zaken.

Voortdurend worstelt mijn moeder met geldtekort. Het inzetten van advocaten om mijn vader vrij te krijgen en de gerechtskosten roven de geldbeurs leeg. Alleen door stukken grond van onze boerderij in Nederland te verkopen, houdt mijn moeder het hoofd boven water. Om haar te ontlasten word ik bij de zus van mijn moeder in Retie uitbesteed. Eén van mijn zussen wordt bij een andere tante in Arendonk geplaatst. De twee kleinsten en de twee oudsten blijven bij mijn moeder in Postel. Zo wordt ons gezin een tweede maal uit mekaar getrokken.

‘Pietje, opstaan!’ Elke morgen om 6 uur wekt de ochtendstem van mijn tante me. Buiten hoor ik reeds de klaagzang van enkele kippen. Mijn klompjes aan en ik botter van het trapje van de kelderkamer. Ik maak een ochtendwandeling van twee uur met mijn dikste vriendin, ons Bles. Soms moet ik ver stappen vooraleer ik wat gras vind. Vele kleine boeren hebben immers geen eigen weiden en het tuieren(9) van koeien of schapen is een tijdrovende bezigheid voor jong en oud. Terwijl Bles zich te goed doet aan het malse gras op de berm, droom ik soms weg. Haar schuimend speeksel heeft me meer dan eens verschrikt doen ontwaken. Al porrend drijf ik dan ons Bles met een stokje voor me uit. Ik wil niet weer te laat op school toekomen.

Als ik om 8 uur een boterham met reusel(10) en bruine suiker eet en een glas koemelk drink, dank ik niet alleen de Heer van de schepping maar ook ons Bles. Vanavond ga ik terug met haar op pad. Wat mijn tante teveel heeft aan koemelk, brengt ze naar de melkerij. ‘Ons Bles, dat is mijne spaarpot’, hoor ik haar dan lachen, terwijl ze met het geld in haar schort rammelt. Bij regen gaat nonkel Jan met kruiwagen en zeis op zoek naar voer. Dan hoef ik niet, zoals sommige schoolmakkers, door regen en wind. In de winter staat de koe op stal en krijgt ze hooi en stro.

Vele kleine boeren hebben immers geen eigen weiden en het tuieren van koeien of schaften is een tijdrovende bezigheid voor jong en oud.

Ik ga graag naar de school en kom er even graag van terug. Ik bedoel: de weg naar school en terug naar huis zijn heerlijke momenten in ons kwajongensbestaan. We vechten, duwen en trekken tot we in de gracht rollen. Als katten kruipen we in de bomen langs de weg. Zelfs de houten elektrische verlichtingspalen zijn onze speeltuin. Op donderdagnamiddag is er geen school. Dan is ons geliefkoosd kattenkwaad ‘paalklimmen’: om ter vlugst omhoog, elk langs één been van die dubbele elektrische palen. Al stinkt eigen stoef, ik ben een kampioen. Als ik de koe moet hoeden, heb ik immers veel tijd om te oefenen.

Die donderdag ben ik weer in een wip boven. Ik zet me op een dwarsbalk en pak één elektrische draad beet. Als ik mijn evenwicht dreig te verliezen, klauw ik in een reflex met mijn andere hand ook naar die draad. Als een marionet danst en spartelt mijn verkrampt lichaam op en neer. Als bij een bezetene hebben onzichtbare krachten het commando van mijn hersenen overgenomen. Mijn makker op de andere paal glijdt als een bang aapje naar beneden. Ik weet niet hoe lang dit duurt: enkele seconden die een eeuwigheid lijken. Ik werp me opzij, sla tegen de dwarsbalk en schuif langs de paal op mijn kop in de gracht. Alles aan mijn lijf lijkt rubber. Versuft blijf ik tussen de dorre blaren in de gracht liggen. Als schichtige hazen zijn al mijn maten in paniek op de vlucht geslagen. Het eerste wat ik boven de grachtkant zie, is de kop van ons Bles en Joske van de buren. Die is stillekes teruggeslopen, heeft de koord van ons Bles genomen en komt met grote ogen in de gracht gluren.

‘Pas op, durf thuis niks te verraden, anders krijgt ge een pandoering’, is het eerste wat ik zucht. Traag slenter ik naar huis en zet de koe op stal. Ik nestel me daarna stilletjes in een zeurg(11) in een hoek van de kamer.

Als tante Maria thuiskomt, merkt ze me op en vraagt angstig: ‘Wel, wat is er aan de hand?’ Ik weeklaag: ‘Pijn in mijn rug, tante, ik weet niet wat er scheelt.’

Zou dat onnozel Joske dan toch iets verklapt hebben? Mijn tante aarzelt, draait wat rond en zegt dan kordaat: ‘Ik ga den doktoor halen. Ge ziet doodsbleek.’

Nu schrik ik van mijn eigen komedie. Als de dokter mijn rug onderzoekt, kerm en jank ik als een jong hondje dat op zijn pootje wordt getrapt. Hij wrijft me in met een warme zalf en windelt mijn rug in. Ik kruip terug in mijn hoekje. Mijn tante zit aan tafel en vraagt om de vijf minuten of het beter gaat. Na een half uur durf ik het aan: ‘Het gaat al veel beter, tante.’ Haar gezicht straalt.

’s Anderendaags roept de Koestouwer, de bijnaam van meester Vanherck, me vooraan in de klas. Hij pakt me beet bij mijn oor, draait mijn pijnlijk gezicht naar de klas toe en profeteert: ‘Hier, mannen, dat is nu eens een voorbeeld van een slechte leerling. Hij wil de held uithangen, maar is bijna verongelukt.’

Nog een oorveeg achterna en ik kruip terug tussen de schoolbanken, met twee handen mijn oor beschermend. Daar heeft Joske die namiddag voor moeten boeten.

Door de volgehouden inspanningen van mijn moeder geraakt mijn vader na 2 jaar vervroegd vrij. De helft van onze akkers in Nederland is verkocht om de proceskosten te spekken. Toch heeft vader zijn les nog niet geleerd en is hij het stropen niet verleerd. Als hij langs de achterdeur op het erf stapt, ziet hij tientallen witte konijnenstaartjes in onze groentetuin opwippen. Al wat hij zaait, helpen die langoren opvreten. Ik hoor hem nog lachen: ‘Kijk ze wenken me toe. Het leven is eten en gegeten worden.’

Elk konijntje blijft eigendom van graaf de Brocqueville, ook al knabbelt het onze koolplantjes tot op de grond af. Niet alleen bij de kleine boeren, maar ook in de arbeidershuisjes knaagt de honger. Door geldontwaarding en prijsstijgingen smelten de lage lonen als sneeuw voor de zon. Uit protest breken er in de zinkfabrieken van Lommel, Overpelt en Balen tussen 1926 en 1928 meerdere wilde stakingen uit. Stropen, sjacheren, smokkelen en ploeteren op het land en in de fabriek... iedereen probeert op zijn manier te overleven. Het leven is eten en gegeten worden.

‘Mijn oudere broer en zus werken al jaren op onze boerderij: de koeien naar de wei leiden, brandhout verzamelen in het bos en hei plaggen. Elke dag ook s zaterdags en s zondags, zijn we samen aan de slag.’

‘Ge zult nog wat bij ons moeten logeren, Pietje. De boswachters hebben je vader weer eens geklist bij het stropen.’ Mijn tante vindt het blijkbaar helemaal niet erg, ook al hangen er ondertussen enkele peuterkes aan haar rokken.

In het tweede leerjaar zit ik in de klas bij meester Boonstaak, een zure, strenge man. Het derde leerjaar bij meester Jan Pijp is plezant. Hij klopt niet met zijn lat op je vingers. Wel deelt hij kwistig een andere boete uit: ‘straf schrijven’. Met een paar kameraden hebben we een samenwerkende vennootschap opgericht. Als iemand van de leden straf krijgt, helpen de anderen en omgekeerd.

Na 3 jaar bij mijn oom en tante in Retie mag ik terugkeren naar huis, naar onze boerderij in Postel. Reeds vier maanden loopt vader terug op vrije voeten. Het gezin Poppeliers leeft weer samen onder één dak.

Mijn oudste broer en zus werken al jaren op onze boerderij: de koeien naar de wei brengen, brandhout uit het bos halen en hei plaggen. Elke dag, ook ’s zaterdags en ’s zondags, zijn we samen aan de slag. Iedereen doet zijn best. De dagen vliegen voorbij. Na vijf maanden is het weer zover. Twee rijkswachters komen mijn vader inrekenen. Terug voor drie maanden achter de tralies. Het koren staat juist rijp op het veld. Dan vervloekt mijn moeder haar man omdat hij dat verdomde stropen niet kan laten.

‘Die konijnen denken dat mijne hof van hen is en ik denk dat die konijnen van mij zijn. Dat zijn twee misrekeningen’, lacht hij haar verwijten weg. Toch ken ik geen braver en eerlijker mens dan mijn vader, behulpzaam en gedienstig voor iedereen. Wat hij voor iemand kan doen, dat doet hij en het mag niks kosten.

Op mijn veertiende zit de school er voor mij op. In 1934 vind ik mijn eerste job: metserdiender. Mortel maken met een schop, mortel kruien en stenen sjouwen. Koorddansend leer ik met een houten plankje vol stenen een ladder beklimmen. Ik verdien 10 frank per dag. In deze crisisjaren is elke frank een frank.

In de winter van 1936 stelt vader voor om samen met hem in de bossen van graaf de Brocqueville hout te gaan kappen. De bossen dienen regelmatig uitgedund. De graaf betaalt daarvoor iets meer dan mijn pree als metserdienderke.

In de lente verneem ik van enkele kameraden dat ze werkvolk zoeken in de flessenfabriek van Mol-Donk. ‘Piet, ge krijgt er 22 frank per dag uitbetaald en nog 1 frank extra als postenpremie.’ Een buitenkans. Ik aarzel niet.

Voor de eerste keer in mijn leven stap ik binnen in de wereld van de fabrieken. Voordien had ik altijd buiten gewerkt: op het veld, op de bouw of in de bossen. Hier doet het lawaai en de hitte je lichaam meetrillen. De eerste dagen moet ik handgemaakte flessen 1 per 1 wegdragen, daarna per 3 en dan per 6, van de machine naar de bakoven. Daarin kan het gloeiendhete glas traag afkoelen. De hitte van de ovens is zo verschroeiend dat we het er niet lang kunnen volhouden. Om het half uur mogen we in een koele plaats een kwartier rusten om te bekomen. Tijdens die pauze glip ik af en toe weg naar de afdeling van de flessenkeuring. Daar werken veel jonge meisjes. Zij keuren de flessen, wij keuren hun schoonheid en als het lukt versieren we een afspraakje. In de zomer wordt de temperatuur in de werkhal ondraaglijk. Dan zwijmelen sommige makkers rond alsof ze te diep in de fles hebben gekeken. Maar we springen in de bres voor mekaar en lossen die zattemannen af.

Als benjamin van de familie werk ik nu 8 uur per dag en verdien toch 23 frank. Mijn vader werkt als dagloner 10 uur op de boerderij van de Brocqueville en krijgt daarvoor slechts 20 frank. Mijn broer beurt voor het rooien van bomen in de bossen van de graaf nog minder: 18 frank per dag. Pas op, 5 frank per dag meer betekent per dag 5 broden meer op tafel. Dat wil al wat zeggen. Daarnaast beschik ik nog over een geheime bron van inkomsten... ik heb de bijverdienste van mijn vader overgenomen: stropen.

Als ik in de ‘ploeg van 6 tot 2’ sta, vertrek ik thuis een kwartiertje vroeger naar mijn werk op de flessenfabriek. Dagelijks passeer ik langs een smal weike, goed beveiligd met kippendraad tegen de konijnen, en ook eigendom van de Brocqueville. De avond voordien heb ik stiekem de poort van die wei opengeduwd. In de ochtendschemer verstop ik mijn fiets in de gracht en gewapend met een stevige knuppel sluip ik naar die weide. Achter mijn rug trek ik de poort dicht. In paniek rennen de konijnen recht tegen de draad. Mijn knuppel doet de rest. Soms heb ik er drie, soms ook geen. Zo onopvallend mogelijk gooi ik dan mijn zak in de gang van een restaurant in Dessel. Als ik terugkeer van mijn ochtendpost, ga ik even onopvallend een pintje drinken in dat restaurant. Onder de toog krijg ik 5 frank per konijn toegestopt. Soms verdien ik op een dag meer met stropen dan met werken. Bovendien beleef ik aan dat stropen waarschijnlijk evenveel plezier als mijn vader vroeger. In mijn verbeelding zie ik graaf de Brocqueville al aan tafel zitten in dat restaurant en langs zijn neus informeren: ‘Ober, vanwaar betrekt het restaurant dit excellente konijn?’

In de winter vertrek ik een half uur vroeger. De dikke sneeuw plakt aan de banden van mijn fiets. Als een spurter recht op de pedalen wroet en kronkel ik tot de wielen helemaal blokkeren. Dan til ik mijn fiets omhoog en klop er de sneeuw af. Niemand wil te laat komen, want dat betekent het verlies van de ploegenpremie. Die ploegenpremie is wel maar 1 frank, maar het blijft een stok achter de deur. Als je te laat komt, te veel flessen laat vallen of te lang bij het vrouwvolk rondhangt, schrapt de ploegbaas die premie. Als een rustpauze toevallig op het einde van mijn post valt, dring ik bij mijn baas aan om vroeger te mogen vertrekken. Meestal tovert die dan toch nog één of ander stom karweitje uit zijn mouw. Behalve op zondag, dan mag ik wel een kwartier vroeger vertrekken na de nachtpost: om op tijd in de vroegmis van 7 uur te geraken.

Mijn ouders zijn zeer katholieke mensen. Iedereen zuigt hier het geloof van bij de geboorte met de moedermelk mee naar binnen. Iedereen gaat elke zondag trouw naar de mis. Verzuim is doodzonde. Na een zwoele zomernacht kom ik juist op tijd regelrecht van mijn nachtpost de kerk binnengewandeld. Stikkapotgewerkt vecht ik tegen de slaap, maar doezel toch in. Als ik van het gerommel van stoelen en gestommel van boerenklompen wakker schrik, hou ik het solleke als stoeltjesgeld nog in mijn rechterhand vast. Buiten wordt er in groepjes nagekaart over het wel en wee van de voorbije week. Na die babbel fiets ik naar huis en kruip in mijn bed. Rond 11 uur zwaait mijn slaapkamerdeur open. Voor ik goed besef wat er aan de hand is, regenen de oorvegen tegen mijn hoofd.

‘Schandaal van de familie! Waarom moet ge me dit aandoen? Slaapkop! Slapen in de kerk! Iedereen heeft het gezien!’ Het is mijn eigen moeder die tekeergaat als een bezetene.

Wat was er gebeurd? Terwijl ik met mijn kop tussen mijn benen zat te knikkebollen, had de pastoor zwaar gepreekt: ‘De mensen die naar de kerk komen om er te slapen, kunnen er beter wegblijven. Slapers heeft Onze-Lieve-Heer in zijn huis niet nodig.’

Vele boerinnen hebben toen kwaad achteromgeloerd. Achter mij zat de onderwijzer. Vergeefs had hij gekucht en voorzichtig op mijn schouders getikt. Al mijn maten hadden geproest van het ingehouden plezier... maar Pietje sliep verder de slaap der dwazen.

Bij het middageten zet mijn moeder haar kruistocht verder: ‘Slapers krijgen geen zondagsgeld. Ge kunt uw zondagsgeld onder uw zolen schrijven. Dat zal u leren in de mis te slapen!’

Ik slurp traag mijn soep naar binnen. Geen zondagsgeld betekent ‘straks geen pinten pakken met mijn vrienden’. De opstand broeit onder mijn schedel: ‘Als dat zo zit, dan ga ik ook op zondag werken. Dat wordt dubbel betaald en dan kunt ge uw mis vergeten.’

De stevige boerenhand van mijn vader kan ik op het nipperke ontwijken. Mijn stoel kwakt tegen de grond. Kwaad smak ik de deur achter me dicht. De ganse zondagmiddag slenter ik doelloos door velden en bossen.

De volgende zondag fiets ik de deur van de kerk voorbij. Ik kruip direct in mijn bed. Ziedend van woede stormt mijn moeder de trap op en smijt al mijn kleren op mijn bed. Koppig weiger ik naar de mis te vertrekken. En de zondag daarop ga ik ook niet, en de zondag daarop... staat de pastoor na het lof bij ons in huis. Vermoedelijk is mijn moeder alles gaan biechten.

‘Piet, wat gij doet, dat is doodzonde. Beseft gij dat wel? Mensen die de dag des Heren niet eren, gaan na hun dood recht naar de hel!’

Al drie zondagen heb ik geen pint gedronken. AI drie zondagen mis ik het gejoel en geflirt in de cafés. Ik bijt als een hongerige hond: ‘Van de hel is nog niemand teruggekeerd om te zeggen hoe slecht het er wel is...’

Dit onbeschaamde antwoord treft de pastoor zo in zijn waardigheid dat hij me even vervloekt. Vlug herpakt hij zich met zalvende woorden: ‘Pietje, die preek was niet alleen voor u bedoeld. Ge moet dat niet zo kwaad opnemen, jongen. Kom terug naar de mis. Onze-Lieve-Heer is gelukkig om een verloren schaap dat terugkeert naar de stal.’

Dat schaap is nooit meer naar die stal teruggekeerd. Nog meer van mijn kameraden gaan nadien de kerkdeur voorbij omwille van het onbegrip waarmee wij als jonge arbeiders worden aangepakt.

Hoofdstuk 4 - Wereldoorlog II (1940-1944) - Inhoud

In mei 1940 veroveren Hitler en zijn nazi-troepen in 18 dagen tijd het Belgisch grondgebied. Op dat ogenblik werk ik reeds 2 jaar in een turffabriek in Arendonk. Als machinist van een kleine locomotief vervoer ik de uitgestoken turf naar een grote hangaar. Frans van Emeren is mijn ploegbaas. In de streek staat hij bekend als ‘Sus Baron’. Zijn stuurs opzicht en zijn houten been hebben hem die bijnaam bezorgd. Maar in dat kreupel lichaam bonst een gouden hart. Zijn hoekige kop herbergt gedachten van rechtvaardigheid. Het is daarom geen toeval dat Sus Baron zich opwerpt als chef van het verzet tegen de bezetter. Hier aan de grens organiseert deze verzetsgroep vooral de smokkel van brieven, vluchtelingen en Amerikaanse en Engelse piloten. Dwars door bossen en moerassen steken koeriers de Nederlands-Belgische grens over.

Kort na mijn 21ste verjaardag vordert de bezetter me op om in Duitsland te gaan werken. In overleg met Sus Baron duik ik onder in de bossen bij de partizanen. In de uitgestrekte wouden rond de abdij van Postel overleven de werkweigeraars met vissen, stropen en smokkelen. In de beginjaren van de oorlog is de grensbewaking nog in handen van de Belgische rijkswacht en de Nederlandse marechaussee. De controle op het smokkelen gebeurt door de douane van beide landen. In kleine konvooien van zes tot tien man trekken we langs veldwegeltjes de grens over. Vijftig kg graan wordt achteraan op de fiets gebonden en nog eens 25 kg vooraan aan het stuur. We proberen de douaniers te misleiden door één of twee snelle smokkelaars voorop te sturen met zakken gevuld met hooi. Terwijl de achtervolging op die glibberige palingen wordt ingezet, glippen de dikke vissen door de mazen van het net. Wie toch gegrepen wordt, krijgt rake klappen. Graan en fiets worden inbeslaggenomen. Regelmatig krijgen we ook de opdracht om een vluchteling over de grens te loodsen. Hem oppikken op een afgesproken plaats, geen vragen stellen, hem oversmokkelen en afgelopen is de zaak... en mondje dicht daarna. In 1943 wordt het smokkelen nog gevaarlijker: de Duitse grenswachten voeren zelf patrouilles uit en hebben bevel gekregen direct met scherp te schieten.

Op een schemeravond sluipt een groepje smokkelaars door een laag berkenbosje: mijn nonkel Fons, een broer en twee zussen en nog twee andere smokkelaars. Die twee laatsten zullen later mijn schoonbroers worden. ‘Halt! Halt!’

Twee Duitse soldaten met een gitzwarte hond versperren plots de weg voor het betrapte groepje. Deze grenswachters zijn vrijwilligers en oudstrijders van de oorlog van ’14'-18. Ze zijn te oud voor de gevechten aan het oostfront, maar hun domme haat is even dodelijk. De zakken vliegen in het rond. Zoals afgesproken spurten de smokkelaars zigzaggend over de hei. Drie krakende knallen jagen enkele opgeschrikte fazanten klapwiekend op de vlucht. Alle jongeren lukken erin een geheime contactplaats te bereiken. Nonkel Fons komt niet opdagen. Is hij naar huis gevlucht? Hebben de Duitsers hem opgepakt? Waar we niet aan durven denken, is gebeurd. Met een doffe plof smakt zijn zwaar lichaam tegen de grond. Nonkel Fons is niet dood. Zijn bruin floeren vest kleurt rood aan zijn rechterschouder. De zwarte hond bijt en sleurt aan zijn rechterarm. Nonkel richt pijnlijk zijn hoofd omhoog. De zware houten kolf van een mauser hamert het terug tegen de grond. Terwijl zijn beulen vervoer halen, komt Fons terug bij bewustzijn en strompelt tot in een donker dennenbos. De grenswachten zijn woedend. Hun prooi dreigt hen nog te ontglippen. Even laten ze hun hond aan het plasje bloed ruiken om daarna snel zijn riem te lossen. Als een pijl uit een boog schiet hij regelrecht op zijn slachtoffer af. Als de Duitse soldaten zijn triomfantelijk gejank en geblaf in het bos horen, weten ze dat hun buit terug binnen is. De hond kwijlt en bijt. Nonkels jas en handen worden aan flarden gereten. De uniformen lachen. Hun zware laarzen stampen zijn gezicht tot moes.

De volgende morgen telefoneert de proost van de kliniek van Turnhout naar de pastoor van Retie om te melden dat ene Fons Fabri overleden is aan zijn verwondingen. ‘Of hij de familie kan verwittigen?’ Hoewel ik als werkweigeraar steeds gevaar loop om opgepakt te worden, fiets ik naar het dodenhuisje van het gasthuis van Turnhout.

‘Die moordenaars blijven hier. Die spit ik zelf onder de grond.’ Die woorden spelen als een zoete wraak door mijn hoofd. Gans de dag herhaal ik die verwensing tot mijn moeder in huilen uitbreekt.

‘Hoeveel onschuldige slachtoffers zullen er vallen voor elke vermoorde Duits? Piet, denk daar toch aan! Ze schieten ons allemaal dood’, smeekt mijn moeder.

De schrik voor die represailles tegen mijn eigen familie heeft het leven van die twee brutale Duitsers gered. Dat weet ik zeker.

Op een dag kan ik een controlepost van Duitse soldaten niet ontlopen. Ik vertel hen dat ik van mijn werk op de turffabriek kom. Toch moet ik in hun jeep stappen. Ze rijden me naar de turffabriek. Zelfzeker toont Sus Baron hen de lijst van de arbeiders. Inderdaad, ik ben die dag ingeschreven. Ze laten me gaan. Sus Baron schrijft elke dag mijn naam op die lijst. Zo ontsnap ik aan een deportatie naar Duitsland. Met mijn loon wordt de kas van het verzet gespekt.

Soms riskeer ik het toch om thuis bij mijn ouders een bad te nemen en een nachtje in een bed te slapen. Dat wordt mijn ongeluk. Op een vroege morgen wordt er voor en achter op de deuren gebonsd. Voor ik het goed besef, zit ik achter in een jeep tussen twee heren van de gestapo. Tien dagen staar ik naar de muren van de gevangenis van Turnhout. Ik blijf volhouden dat ik op de turffabriek Selsa in Arendonk werk. Ditmaal pakt mijn leugen geen verf. Ik wordt naar een huis van de gestapo in de Van Diepenbeekstraat in Antwerpen gevoerd. Een vijftigtal mannen wacht er op deportatie naar Duitsland. Op een avond verzamelen twee gevangenen, De Busser en De Rijck, hun medegevangenen rond hun stapelbed. ‘Mannen, wij hebben ons met opzet laten opsluiten. Wij zijn leden van de witte brigade. Luister. We zijn erin gelukt een revolver en een koevoet binnen te smokkelen. Morgenavond gaan we in actie. Als de laatste wachter controleert of iedereen wel slaapt, slaan we hem met de koevoet neer. Met onze revolver, zijn geweer en de granaat in zijn laars moeten we de twee wachtposten bij de uitgang kunnen uitschakelen... dan gaan voor u de poorten naar de vrijheid terug open.’

’s Anderendaags probeert iedereen zijn nerveuze spanning te onderdrukken. Als ik onder mijn stoffige dekens kruip, voel ik mijn hart in mijn keel bonzen. Plots horen we een aanzwellend roepen en brullen. De deuren vliegen open en voor we het goed beseffen knuppelt een bende zwarthemden ons uit bed. In rijen moeten we op de koer gaan staan. Onze jongste medegevangene, een kereltje van rond de vijftien, wordt uit de rij geplukt. Fier wijst hij De Busser en De Rijck aan. Die kleine schurk is de verrader. Met meelij hadden we de dagen voordien naar het verhaal van de ongelukkige jongen geluisterd: ‘Mijn vader is bij het verzet en omdat ze hem niet kunnen pakken, hebben ze mij opgeladen.’

De jonge Poppeliers sluit zich aan bij een verzetsgroep tegen de nazi-bezetters. Vele jonge arbeiders riskeerden hun leven om het land te bevrijden. Als ze na de oorlog terugkeren naar hun werkplaatsen in de fabrieken, leeft de fiere geest van verzet verder.

109

In werkelijkheid is hij de zoon van een ‘zwarte’, een collaborateur. De twee Antwerpse verzetsmannen worden geslagen en gestampt. De volgende morgen worden we zeer vroeg op transport naar Leipzig gezet. Wat de gestapo met De Busser en De Rijck uitspookt, dat martelt onze gedachten.

Van zodra de trein het station van Brussel-Zuid verlaat, snuffel ik in het voedselpakket dat ik in Antwerpen van het Rode Kruis heb ontvangen. Aan de binnenzijde van het deksel van een confituurpot vind ik een briefje: ‘In het pak havermout zit een raamsleutel.’ De ramen van de trein kunnen enkel met een speciale sleutel geopend worden. Deze onverwachte hulp doet mijn hoop op een ontsnapping herleven. Aan een lotgenoot uit Mol, Felix Swinnen, verklap ik mijn plan.

‘In de streek van Verviers zijn er veel bochten. Daar zal de trein moeten vertragen. Dan waag ik het erop. Al mijn bagage en eten moogt ge hebben. Wilt ge alleen mijn ouders schrijven als mij iets overkomt?’

Ik krabbel mijn adres op een grauw stukje papier. Als we de streek van Verviers naderen, plakt mijn hemd tegen mijn rug.

‘De volgende bocht, Felix, dan spring ik.’

De sleutel past. Het raam rolt tergend traag naar beneden. De wind snijdt in mijn bezweet lichaam. Een schok. Piepen en kraken van metalen remmen. De trein stopt. Voor mijn ogen zie ik een man van de spoorwegberm rollen en weghollen. Twee gestapo’s schieten hun pistolen leeg in zijn richting. Alle gevangenen drummen rond de ramen. Vliegensvlug draai ik het raam terug dicht. De vluchteling krabbelt een beboste helling omhoog. Zal hij het halen? Hij grijpt naar zijn dijbeen. Een kogel heeft het doorboord. Tevergeefs klampt een hand zich als een klauw vast aan enkele jonge twijgen. Traag glijdt de man naar beneden. Nu stormen de twee gestapo’s op hem af. Terwijl de ene de gekwetste bij zijn rosse haren omhoogsleurt, jaagt de tweede een kogel door zijn hoofd. Als een geslacht beest werpen ze hem met een zwier op de trein.

‘Piet, niet springen, doe dat niet. Laat u niet doodschieten’, fluistert Felix me gebiedend toe. ‘Vanavond. Als het donker is, heb ik meer kans’, praat ik mezelf moed in.

De wind jaagt de regen tegen de treinruit. Buiten is het stikdonker. Het beeld van het bloed dat uit de schedel van die man gulpte, verlamt mijn ontsnappingsplannen.

Na drie dagen puft onze stoomtrein het station van Leipzig binnen. Daar moet ik meewerken aan de heropbouw van een platgebombardeerde fabriek. Vanaf de eerste dag is mijn voornaamste bekommernis: ‘hoe geraak ik hier weg?’

De negende dag vlucht ik met twee kameraden richting België. Leipzig ligt in het oosten van Duitsland en dus ver in vijandig gebied. Twee nachten en twee dagen stappen we zonder stoppen. In Halle, zestig kilometer van Leipzig, worden we opgepakt. We zijn niet ver geraakt.

Niet terug naar Dresden, maar recht naar een concentratiekamp worden we afgevoerd. Twee dagen vrijheid worden afgestraft met de hel. In barakken met houten beddenbakken, drie hoog boven mekaar, hoor ik ’s nachts alleen kermen, kreunen en kuchen.

‘Aufstehen! Schnell! Schnell!’

’s Morgens vroeg in het donker stappen we in colonne naar een spoorweg om daar puin te ruimen, ’s Avonds in het donker stappen we afgemat terug de poort binnen. Elke dag sterft een tiental mensen aan uitputting, ziekte of mishandeling. Hun lijken worden op een hoop in een smerige barak gegooid. Een van mijn beste kameraden en vluchtmakker, Felix Swinnen, wordt aangeduid om de lijken op kruiwagens te versjouwen en achteraan in het kamp in een geul te begraven. Dat is een van de betere jobs in het kamp. Felix heeft die job gekregen omdat hij aan een bewaker verteld heeft dat zijn broer als oorlogsvrijwilliger aan het oostfront gesneuveld was. Dat heeft ons het leven gered. Hij kan overdag wat restjes uit de vuilnisbakken van de SS’ers stelen, ’s Avonds delen we die feestelijk. Toch weeg ik na drie maanden kamp nog slechts 41 kilogram.

Hoe overleven we die hel? Met veel overlevingsdrang en nog meer geluk. De kleinste fout kan de dood betekenen. Zo sta ik ’s avonds in de rij om een schep soep te krijgen. De kommetjes moeten we aan mekaar doorgeven. Ik behoud een proper kommetje voor mij en geef een ander door. De Duitse soldaat van wacht heeft dit opgemerkt en slaat met de kolf van zijn geweer in mijn gezicht. Als een bange haas vlucht ik achter de barakken en ga langs de andere kant terug in een rij staan. Ik weet nog steeds niet waarom die Duitser mij niet verder heeft gezocht. Zo’n klein vergrijp bestraffen onze nazi-beulen met zweepslagen, cachot of direct de kogel. Elk van die straffen betekent een voorspelbare dood. Als een gevangene gestraft wordt met zweepslagen, dwingen de SS’ers alle andere gevangenen om toe te kijken. De gevangene wordt over een stoel gebonden. Eén kapo zet zich tegen zijn nek en een andere op zijn onderbenen. Bij de eerste slagen strompelen die twee kapo’s achteruit, zo hevig veert het getormenteerde lichaam omhoog. De zweep van rubber en metaaldraad rukt brokjes rood vlees uit de lijkbleke huid. Na een tiental slagen houdt het huilen en spartelen op. De drek en pis sijpelen uit zijn broekspijpen. Met doffe smakken rijt de Duitse kampbeul zijn weerloos slachtoffer verder open. Niemand komt nog recht van die stoel...

Na vier maanden worden tijdens het ochtendappèl enkele namen afgeroepen. Felix en ik zijn erbij. Legervrachtwagens voeren ons naar Dresden om er puin van bombardementen te ruimen. Het is afschuwelijk. Eerst moeten we de lijken van vrouwen, kindjes en dieren uitgraven om epidemieën te vermijden. Soms bevrijden we nog hele families levend uit hun schuilkelder. Vaak vliegen die Duitsers ons rond de hals en trakteren met worst en brandewijn. Zo geraken we terug wat op krachten. Het blijft bommen regenen boven Dresden. Het Russische Rode Leger is genaderd tot op 40 kilometer en de Amerikanen tot op 120 kilometer. Vele Duitse soldaten trekken hun uniform uit en slaan op de vlucht. De tijd is rijp om een tweede ontsnappingspoging te riskeren. Na een tocht van 23 dagen westwaarts, door een ontredderd land, bemerken we de eerste Amerikaanse troepen.

De treinreis naar huis is als een droomreis. De ontgoocheling thuis is des te scherper: mijn ouderlijk huis kan ik niet meer bereiken. Friese ruiters en Engelse soldaten versperren me de weg. Ons huis bevindt zich in een verboden militaire grenszone. Mijn familie heeft het noodgedwongen moeten achterlaten. Bij de paters in de abdij van Postel doe ik navraag. ‘De familie Poppeliers is verhuisd naar het Glasfabriek in Lommel’, krijg ik te horen.

Na een jaar gevangenschap in een Duits concentratiekamp stap ik eenzaam door de straten van de arbeiderscité Glasfabriek op zoek naar mijn ouders. Op de achtergrond kleuren roze wolken van de fabriek van Vieille Montagne dit grauwe schilderij. Een zurige geur prikkelt mijn neus. Ik stap een andere wereld binnen.

‘Poppeliers? Die Hollanders? Nummer 19 van de volgende straat links.’ Nummer 19? Hier hebben huizen nummers en een bel aan de voordeur.

Een jongere zus gaapt me aan alsof ze een spook ziet. ‘Onze Piet is terug! Onze Piet is terug!’ Zonder me te begroeten holt ze naar binnen. Moeder verschijnt in de deuropening. Ze pakt me in haar armen en lacht tranen van vreugde.

Zin om te werken heb ik de eerste maanden na mijn thuiskomst helemaal niet. Ondertussen is de familie Poppeliers ook flink uitgedund: drie van mijn zussen zijn tijdens mijn jaar afwezigheid getrouwd. Ik slaap, eet en slaap. Na vier maanden informeert mijn vader voorzichtig of ik niet voor werk wil gaan kijken in de fabriek van Vieille Montagne. Vanuit het venster van mijn slaapkamer hoor ik dit monster hijgen en puffen en zie ik het vuur en rook spuwen.

‘Heb ik nog niet lang genoeg gevangen gezeten?’

Ik vlucht terug in de bossen van Postel. Ik ben een natuurelement. Het bos doet me herleven. De herten en bijen zijn mijn broers, de bomen en bloemen mijn zusters. Stilaan geven die bossen me ook mijn broodwinning terug: stropen en smokkelen. Als we op een nacht zwaar onder vuur liggen van de douaniers en ik het er toch heelhuids van afbreng, moet ik mijn moeder beloven met het smokkelen te kappen. Voor mij gaan die schietpartijen ook te ver: de herinneringen aan de gruwel van de oorlog liggen nog vers in mijn geheugen.

‘Hebt ge uwe schoofzak bij? Dan kunt ge direct beginnen.’ De bediende van de personeelsdienst van Vieille Montagne wil me direct aan het werk zetten. De zinkfabriek van Lommel is door Engelse bombardementen op het eind van de oorlog platgelegd. Er zijn daarom vele handen nodig voor de heropbouw. Overal wordt werkvolk gevraagd.

‘Neen, ik heb mijn kabas niet bij. Ik zal morgen wel beginnen.’

Enkele weken help ik bij het lossen en laden van de schepen met zinkertsen. Als de directie vrijwilligers vraagt voor de ‘Smidse’, geef ik me direct op. Ik wil wel hard werken, maar ik ben ook leergierig en hou van afwisseling. Deze ploeg moet herstellingen verrichten, machines monteren of demonteren, bouwen of verbouwen. We beschikken daarvoor nog niet over kranen. Het gegoochel met lieren en katrollen is een uitdaging. Na drie jaar ben ik door mijn kennis en ervaring reeds eerste man van de ploeg. Vieille Montagne, een oude berg, wordt mijn nieuw bestaan.

Hoofdstuk 5 - De rijkswacht (1971) - Inhoud

‘...Van de hel is nog niemand teruggekeerd...’

‘Piet, wat mompelt ge daar?’ vraagt Anna, terwijl ze haar hoofd van het kussen optilt.

‘Oh, niets... niets’, lispel ik tussen mijn tanden.

‘Maar, slaapt ge nu nog niet? Het is al drie uur.’ Anna draait zich geënerveerd om.

Buiten blaft de hond. In deze koude winternacht klinkt alles harder en helder. Flauw maanlicht tovert even de huisjes en bomen te voorschijn die op de schrale vlakte tussen de fabrieken van Balen en Lommel verloren liggen. ‘De Waaltjes’ wordt het gehucht genoemd, omdat omstreeks 1800 Waalse families uit Sivry zich hier op de schrale Dorperheide vestigden. Alleen langs onverharde wegen zijn de huisjes bereikbaar. In de zomer zijn dit zandbakken, in herfst en lente modderpoelen en zoals nu in de winter harde hobbelpaden. De wind heeft op deze vlakte vrij spel. Als ik om vijf uur de achterdeur wil openduwen, kraakt ze onder de vorst en kreunt ze om het sneeuwtapijtje aan haar voeten.

Ik gluur naar buiten in de richting van de Vieille Montagne. Ik mis de vertrouwde witte pluimen uit de fabrieksschoorstenen. Het is staking. De tweede dag.

De morgen van 9 januari 1971 ziet het voor de brug al zwart van het volk. Van ver bemerk ik hen. Om de fabriek te bereiken moet ik een eindje fietsen langs de loskaden van het kanaal. Ik krijg niet de tijd om van mijn fiets te stappen. De menigte sluit zich rond mij als hongerige leeuwen rond hun prooi.

‘Hebt ge nog iets gehoord van die vakbondssecretarissen? Denkt ge dat ze de staking toch zullen erkennen? Joris vraagt vijftig man voor het onderhoud. Wat doen we?’ Een salvo van vragen krijg ik op me afgevuurd.

Mijn twee handen gaan de lucht in. Iedereen luistert. ‘Hoeveel man vraagt Joris voor het onderhoud? Vijftig?’

Een van de arbeiders stapt naar voor en duwt een stapeltje briefjes in mijn hand. ‘Dat is Joris samen met een bediende zojuist komen afgeven. Ze vragen vijf man per ploeg en een extra ploeg van vijftig man voor het stilleggen van de elektrolyse. En de handtekening van de directie en de vakbondssecretarissen staat eronder.’

Ik blader door de briefjes. ‘Drie man per ploeg. Dat is zat genoeg. Wij zullen bepalen wie er gaat. Wij zullen bepalen wie en wat er binnen of buiten de fabriek mag. Vanaf vandaag zullen ze weten wie hier baas is op de fabriek.’

De briefjes gaan van hand tot hand. Even later dwarrelen honderden snippers in het rond. Het is nog te donker, maar vanuit zijn glazen wachttoren kan ingenieur Joris toch de papiersnippertjes zien dansen in het licht van de straatlantaarns. Als een pijl uit een boog schiet hij naar het kantoor van Griffier.

‘Nu gaan ze daarbuiten echt te ver. Ze hebben onze lijsten van de onderhoudsploegen verscheurd! De elektrolyse moet dringend worden stilgelegd of het hele boeltje vliegt de lucht in. Wat gaat ons dat kosten?’

Gejoel en geroep drijft beide mannen naar het raam. Enkele ingenieurs zijn toegekomen. Hun wagens zitten geblokkeerd in de massa. Gebonk op de raampjes en het dak. ‘Uitstappen!’ Zonder woorden en met grote ogen merken de directieleden hoe de auto’s en de koffers worden onderzocht.

Joris kan zijn ogen niet geloven. Onmacht en woede doen zijn aders krimpen en zijn maag draaien. ‘Mijnheer Griffier, we moeten de rijkswacht bellen. Nu gaan ze echt te ver’, overtuigt hij zichzelf. De ingenieurs stappen even later toch in hun wagen en de massa opent zich als een ritssluiting.

Die dag werken de kaderleden de ziel uit hun lijf om de elektrolyse stil te leggen, ’s Avonds komt de directie hen in de hal persoonlijk de hand schudden: ‘Heren, dank zij uw inzet hebt u Vieille Montagne een miljoenenstrop bespaard. In de nood kent men zijn vrienden. Dank u en tot morgen.’

Buiten heeft de rijkswacht met veel vertoon postgevat aan de brug. Het enthousiasme van die morgen slaat stilaan om in onrust en vertwijfeling. ‘Waar blijven die vakbondssecretarissen, verdomme? Dat kan hier zo nog lang duren!’

Ik nip nog even aan mijn sigaretje, duw mijn pet wat omhoog en pak de megafoon. ‘Staken is geen kinderspel, mannen. Ik zal straks thuis naar de centrale in Geel bellen. Ge hebt gelijk. We moeten weten of ze ons stakingsgeld betalen of niet. Waar dienen onze bijdragen anders voor?’

Gejuich en geklap van dikke wollen handschoenen, een oerritme dat kracht geeft. ‘Wij gaan samen lijsten opstellen van piketten en lijsten voor het onderhoud. Geen vernielingen, mannen. Na de staking moeten we terug in die fabriek onze boterham verdienen. Eén ding moeten ze in hun glazen toren aan de overkant van het kanaal goed in hun hoofd prenten: wij komen niet over de brug voor minder dan een opslag van 10 frank per uur.’ Tot in de fabriekshuisjes dringt het lawaai door: fietsbellen, stokken tegen de metalen brug en handgeklap. Een kakofonie als na een goal bij grote voetbalmatchen, die omslaat in het ritmisch scanderen van de slogan ‘10 frank Nu!’

Joris is terug van de elektrolysehal en de kick die hij kreeg bij de gelukte poging om samen met alle ingenieurs de elektrolyse stil te leggen, slaat bij het horen van de kreten om in moedeloosheid. Hij ploft neer achter zijn bureau. Hij duwt zijn handen tegen zijn hoofd en sluit zo zijn oren af, als een kind dat de verwijtende taal van zijn moeder niet langer wil aanhoren. De fiere geest van de chef van de personeelsdienst daalt voor de eerste maal in zijn leven af naar de catacomben van het zelfbeklag: ‘36 jaar heb ik me nu al afgesloofd voor deze fabriek. Eén jaar na mijn studies ben ik in dienst genomen door Vieille Montagne. Al die jaren heb ik het kaf van het koren gescheiden. Met luieriken en dronkaards kunnen we hier niets aanvangen. Elke morgen zie ik mijn mannen over de brug de fabriek binnenstappen. Af en toe komt er wel eens eentje te laat binnen. Die kijkt dan zenuwachtig vanonder zijn pet naar de vijfde verdieping. En of ik hem niet gezien heb? Ik ken mijn soldaten. Wie had dit nu kunnen vermoeden? Staking in Balen, de eerste sinds ik hier in dienst ben. We hebben als directie alle problemen steeds open besproken. We hebben steeds de gevraagde informatie verstrekt. Misschien, misschien zijn we daarmee zelfs wat te royaal geweest? Ze begrijpen het toch niet en draaien de zaken altijd naar hun kant. De zinkprijzen zijn niet meer wat ze waren. Daarenboven moet de vakbond zich aan zijn woord houden: akkoorden zijn akkoorden. Voor mij is een gegeven woord een woord, voor hen blijkbaar niet. Dat verdomde geklop...’

Joris kucht en staat vlug recht als hij merkt dat het Griffier is die op zijn open deur klopt en vraagt: ‘Blijft u hier slapen, mijnheer Joris? Of durft u niet meer naar buiten?’

Die laatste opmerking vindt Joris zo misplaatst dat hij Griffier even kwaad nakijkt terwijl hij zijn jas neemt. Zijn ogen priemen als hij even later door de haag van zwarte uniformen en blauwe kielen de brug oversteekt.

Strak staart hij voor zich uit. De dansende weerspiegeling van de brandende autobanden op zijn blinkende motorkop tart zijn wereld van zekerheden.

Twee mannen in regenjas met deukhoed, weggedoken in een Renaultje, de opvallende discretie van de BOB in de jaren ’70. Als vlooien zitten ze in de pels van elke staking. (Foto Jef Geys)

10 januari 1971. De derde stakingsdag bruist het ’s morgens om 6 uur al van het volk op het plein voor de brug. De mededeling dat de vakbond de wilde staking erkent, wordt op slogans en zingen onthaald. Twee olietonnen staan als reuzenfakkels aan weerszijden van de oprit naar de brug. Vanonder zijn groene legerjas tovert Guido Van Grieken een fles schnaps te voorschijn. Van mond tot mond gaat de fles. De hitte van het vuur, de gloed van de jenever en de grappen en grollen: die morgen is het kermis aan de poort.

De pret is van korte duur. Als een legerkolonel stapt de rijkswachtcommandant naar de brug. ‘Die autobanden en dat vuur moeten weg. Dat is veel te gevaarlijk’, beveelt hij. ‘Zijt ge al eens aan de zinkovens komen controleren hoe gevaarlijk dat is?’ grapt Guido. Een schokgolf van gelach breekt even de spanning. In slagorde duwt een kordon rijkswachters de weerbarstige arbeiders opzij. Matrakken zoeven door de lucht, ploffen neer op afwerende armen en schouders.

Met lange schreden snel ik de trappen van de brug op. ‘Mannen, rijkswachters, het kapitaal is er weer eens in geslaagd ons tegenover mekaar te zetten!’

Mijn stem galmt als een klok over het plein. De rijkswachtcommandant steekt zijn hand omhoog als een bevel voor zijn troepen. De arbeiders deinzen een paar passen achteruit. Iedereen luistert.

‘Wij, arbeiders van Vieille Montagne, worden onderbetaald om de rijkaards nog rijker te maken. Gij, rijkswachters, wordt onderbetaald om diezelfde rijkaards te beschermen. Wij weten dat gij op 26 maart in Brussel wilt betogen voor loonopslag. Waarom staat ge dan niet naast ons in plaats van tegenover ons? Wij zijn niet bang. We weten waarvoor we vechten: voor onze vrouwen en kinderen. En gij, voor wie vecht gij, rijkswachters? Voor het kapitaal! Of zijt ge Zwartberg al vergeten? En als er hier ongelukken gebeuren? Gaat ge u weer verschuilen achter de bevelen? Zijt ge al vergeten hoever Hitler met dat "Befehl ist Befehl" veel Duitsers heeft gekregen? Rijkswachters, als ge echt onze vrienden wilt zijn, kom aan onze kant staan! Laat de kapitalisten zelf hun vuil werk opknappen!’

Aan de ene kant gejuich, aan de andere kant norse stilte. Rijkswachtcommandant Verstappen stapt nu militair naar voor: ‘Poppeliers, we kennen u langer dan vandaag. Uw opruiende taal zal dit conflict niet helpen oplossen.’

Ik geef niet af: ‘Commandant, wij willen geen ambras, wij willen geen stukken maken, maar ge moet ons niet komen uitdagen.’ Mijn vurige toespraak versterkt de vastberadenheid van de arbeiders en verzwakt deze van de rijkswachters. De commandant aarzelt, kijkt nerveus rond en geeft dan een teken aan het kordon om zich terug te trekken. Hier en daar lost een vuist een steen of een stok.

Reeds drie dagen staan we buiten en van de vakbondssecretarissen is nog geen spoor te bespeuren. Ook de meeste delegees laten hun neus aan het piket niet zien. Wel krijgen we meer en meer vreemd bezoek. Met een radiowagen is Frans van den Brande, een van de leiders van de Antwerpse Communistische Partij, afgezakt naar onze Noorderkempen: ‘Arbeiders van Vieille Montagne, jullie kunnen volledig op onze steun rekenen.’

Hun volledige steun bleek later maar een mager beestje. Nog een paar keer zijn ze die komen betuigen, maar van woorden kunt ge niet eten.

Later stappen enkele leraars uit Mol op me af: ‘Mijnheer, als we iets voor jullie kunnen doen, wij willen altijd helpen. Wij kunnen typen en stencils maken. Ge moet het maar vragen.’ Hetzelfde voorstel krijgen we van enkele leden van Arbeidersmacht. Zoveel steun vanuit onverwachte hoek maakt veel mensen achterdochtig. In de Kempen zijn we wel joviaal, maar we moeten eerst weten welk vlees we in de kuip hebben. Voor veel van mijn makkers is het vlug opgelost. Ze sturen die vreemde luizen maar naar mij: ‘Die kleine, spitse ginder, met zijn klak en zijn trui met rolkraag, wel dat is Piet Poppeliers. Ge moet dat maar aan hem vragen.’

Ik stel hen voor: ‘Jongens, iedereen mag met ons samenwerken om de staking te laten lukken. Maar er gebeurt niks zonder ons. Het gaat hier om onze boterham en onze gezondheid. Als ge iets verkeerd doet, dan pakken we u vast en smijten u met uw klikken en klakken in het kanaal!’ Vooral dat laatste hebben ze blijkbaar allemaal goed begrepen, want de ganse staking hebben we goed samengewerkt.

‘Vanavond komen we samen in het café Cantine bij Nathalie aan het Glasfabriek. Wie ons echt wil helpen, is welkom.’ Voor de staking vergaderde het syndicaat in de parochiezaal. Voor haar verwarming en verlichting was die, zowel als de kerk en de pastorij, afhankelijk van de fabriek. Als de directie op de hoogte was, liet ze meermaals de elektriciteit afsluiten. Dan werd de bijeenkomst bij kaarslicht verder gezet.

Die avond is het stakingscomité hoven de doopvont gehouden. Na den doop is er tot in de late uurtjes een stevige pint op gedronken

Die avond wordt het stakerscomité boven de doopvont gehouden. Na den doop wordt er tot in de late uurtjes een stevige pint op gedronken. De helpers van de namiddag hebben hun woord gehouden. Zij zijn op post, maar ook mensen uit de buurt en zelfs winkeliers. Het café lijkt op een nerveuze legerpost van waaruit de gevechten worden gepland. Aan de hand van namenlijsten worden stakerspiketten en onderhoudsploegen van drie man samengesteld. De mannen van piket moeten weten wie ze wel en wie ze niet mogen doorlaten. Voor de vrachtwagens is de richtlijn simpel: ‘De fabriek ligt stil. Niks erin, niks eruit.’

‘We staan daar in regen, sneeuw en kou. Kunnen we niet zorgen voor een caravan?’ werpt Jaak Van Bommel op. Enkele dagen later staat die caravan er. Dat is van dan af ons hoofdkwartier op het slagveld.

Hoofdstuk 6 - De nieuwe professoren (1971) - Inhoud

De dagen kruipen tergend traag voorbij. Als in een loopgravenoorlog hebben de twee legers zich elk aan één kant ingegraven. Aan de ene kant zetelt de staf op de vijfde verdieping in lekker warme kantoren van de glazen building. Aan de andere kant herbergt een gammel busje het stakerspiket. Aan de ene kant bestaat het decor uit doodse schoorstenen en zwijgende ovens. Als versteende skeletten steken de kranen hun hals uit boven het kanaal. De transportbanden liggen stil. Monstervrachtwagens verstijven. Schepen vriezen vast in het kanaal. Aan de andere kant troont een kerktoren boven de fabriekswijk uit. De rook uit de schoorstenen van de huisjes dikt de wintermist in. Op de witte muur van het casino staat geschilderd: ‘10 frank per uur voor iedereen’. De fabriekswinkel en het fabriekshospitaaltje flankeren dit grauwe schilderij. Alleen een blauw renaultje van de BOB en een zwarte jeep van de rijkswacht steken af en toe het kanaal over. Het gerammel van de houten balken doet de twee kampen dan even opkijken.

Het kanaal, de brug en de toren van de administratie. Als in een loopgravenoorlog hebben de twee legers zich elk aan één kant ingegraven. Aan de ene kant zetelt de staf op de vijfde verdieping in de lekker warme kantoren van de glazen building. Aan de andere kant herbergt een gammel busje het stakerspiket.

‘Ze gaan weer alles overbrieven’, commentarieert Frans terwijl hij door een venstertje van het woonwagentje gluurt.

‘Ge kunt hen niet vertrouwen. Gisteren stonden ze weer onnozel te horten... of wij vergaderen en waar en wie? Precies of wij dat allemaal aan hun neus gaan hangen. Ze komen ons toch ook niet vertellen wat er daar in die glazen toren allemaal bedisseld wordt.’

‘Och, ze komen hier ook maar voor hun boterham’, vergoelijkt Jeanke, die vooral verder wil kaarten.

‘Neen, Jeanke, het zijn spionnen van den baas. Als zij in de buurt zijn: mondje dicht.’ Gisteren zaten ze me weer op de hielen. Overal waar ik ga of sta, zitten ze me achterna. Met hun voeten spelen, dat doe ik. Soms zeg ik dat ik naar huis ga en dan haasten ze zich naar hun R-4’tje. Ik babbel dan nog een uur verder. Of ik stop zodat ze me voorbijsteken en rij langs een andere weg naar huis. Als ik ’s avonds in mijn bed lig, hoor ik hen passeren. Ons Anna vraagt dan soms: ‘Wie zou dat nog zijn?’

‘Dat is den Bob, ne kameraad’, stel ik haar gerust.

De bewoners van het busje lachen om mijn schalkse fratsen. ‘Nu, serieus, Piet, hoe lang kan dat hier nog duren?’ informeert Jaak ongerust.

‘Onze sterkte is de elektrolyse. Die draaide nog niet op volle toeren. De fabriek in Lommel kan onmogelijk onze productie overnemen. De ovens zijn er verouderd. Ze willen Lommel-fabriek trouwens tegen de grond leggen.’

‘Afbreken, dat kan toch niet, Piet? Die fabriek staat daar al bijna honderd jaar. Mijn grootvader is daar nog begonnen.’

De staking zit in haar derde week. We beseffen meer en meer dat ze ons willen uithongeren. Wij belegeren een burcht van beton, staal en vooral kapitaal. Zij voeren een koude oorlog om onze strijdwil te breken. Hun hoop is dat groeiende verdeeldheid stilaan de soldaten in het harnas zal jagen tegen hun eigen officieren.

‘Piet, de kinderen zijn deze winter al veel ziek geweest. Ik kan mijn dokter en die siroopkes niet blijven bekostigen.’

‘Piet, onder ons. Ik zit met een lening op mijn huis. Ik wil blijven staken, maar met dat stakingsgeld alleen... dat kan mijn bruine niet blijven trekken.’

Maar problemen zijn er om opgelost te worden. Met het stakerscomité schieten we in actie. Aan de meeste dokters van de streek brengen we een bezoek. Beleefd vragen we hen gratis te werken voor de stakers en ‘of ze niet wat monsters als medicamenten aan deze families kunnen meegeven?’ De studenten en leraars lopen langs de bankloketten met lijsten van stakers die een lening hebben lopen. Meestal krijgen ze het geregeld dat de afbetalingen tijdelijk worden stopgezet. Overal waar we een jobke in het zwart vinden, sturen we stakers naartoe. Voorrang krijgen zij die het financieel het ergst te verduren hebben. Vooral in de bossen en op de bouw vinden we werk voor hen. Onder impuls van mijnheer Eyckmans van Balen-Wezel starten de winkeliers met een voedselbank om de stakersgezinnen te steunen. Etenspakketten met brood, boter, spek, eieren, bloem... vliegen de deur uit. Onze vrouwen werken dag en nacht. De studenten van Amada en de schoolmeesters van Jef Sleeckx spelen besteldienst langs de hobbelige aswegen tot in de verste uithoek van de Kempen. Het volk draagt deze staking. De kranten zwijgen ons dood. Als ze toch iets schrijven liegen ze of strooien verdachtmakingen rond.

‘Het lijkt heden ten dage meer en meer in de mode te komen dat bij stakingen van enige omvang groepjes uit de lucht vallen, die zichzelf tot "stakingscomité" uitroepen. Meestal gaat het om personen die noch met het bedrijf zelf, noch met de betrokken bedrijfstak iets te zien hebben. Langs duistere wegen slagen ze erin sommige naïevelingen of malcontenten onder de stakers op sleeptouw te nemen’, schrijft het Laatste Nieuws van de liberalen.

Dat de kranten ons als onnozele broekventjes behandelen, zet kwaad bloed bij vele stakers. Het wantrouwen in journalisten neemt toe. Waarom zijn ze zo bang van de steun van die studenten en leraars? Zulk scheldproza is niet alleen te lezen in de blauwe en de groene kranten, maar ook in de rode. ‘Nozems van de jaren ’70, onruststokers, dolgedraaide zonderlingen...’ roepen Mark Grammens van De Nieuwe en Jef Turf van de KP in koor.

Gek toch. Politiekers en journalisten klagen steeds over de ‘zwijgende meerderheid’. Als op een dag die meerderheid spreekt, beweren ze dat het niet haar stem is. Alleen de maanden voor de verkiezingen, dan buigen en dansen ze rond ons als een fazant rond een hen. Dat ook de meesten van onze eigen delegees zich alleen laten zien als ze zelf wat papieren op de fabriek te regelen hebben, dat smaakt nog het meest bitter. Hun meesters zitten in Brussel.

Die spreken dezelfde taal als hun bevriende partijbonzen: ‘Eens te meer is tijdens deze staking bewezen dat steeds elementen die buiten de vakbeweging en dus buiten het conflict staan, onrust en wantrouwen zaaien door grove leugens en demagogie’, papegaait de Volksmacht van de katholieken. Hun taal is de taal van de patroon.

Uit een interview met Joris in Het Nieuwsblad: ‘Een stuk of wat studenten van Arbeidersmacht hebben de toegang tot de fabriek afgesloten. Toen de ploeg van 14 uur verscheen, vormde dat vlug een hele massa. Dat is de oorzaak van de staking.’

Als dit waar is, dan betuigen ze wel erg veel lof aan de studenten.

Voor BSP-minister van Arbeid Louis Major gaat zelfs deze journalistiek te ver. De kranten moeten over de staking zwijgen en blijven zwijgen: ‘De wolven van radio- en tv-journalisten is het er vooral om te doen sensatie te verwekken en pas in de tweede plaats om de objectiviteit.’

Jef van Meensel, hoofddelegee van het ABVV, stopt wel aan het piket. Hij is een van de delegees die tussen wal en schip staan: met één been op de wal van onderhandelde zekerheden en met een ander been op het schip van onzekere strijd.

‘Piet, zonder dat we de vakbond meehebben, kunnen we niet winnen’, klaagt Jef.

‘Wie is dat, de vakbond, Jef? Dat zijn wij. Iedereen staat achter de eis van 10 frank opslag. Iedereen wil een gezondere fabriek. De plaats van de delegees en secretarissen is hier aan de poort bij ons.’

Jef schudt zijn hoofd: ‘Piet, ik ken u, ge laat u de kop zot praten door die meesters en studenten. Dat ze met hun wijsheid op de school en de universiteit blijven.’

‘Neen, Jef, wij laten ons niet gebruiken. Gij laat u gebruiken als schild tegen ons, zoals trouwens heel die regering van zogezegde ACV- en ABVV- ministers.’

Zichtbaar beledigd draait Jef zich om. Na zulke discussies weegt er een baksteen op mijn borst. Ik voel het verdriet van een zoon die door zijn vader wordt afgewezen. Toch slik ik mijn woorden niet terug in.

‘Goed gezegd, Piet’, komen enkele makkers me met een schouderklop aanmoedigen.

Woensdag, 10 februari 1971. De staking is één maand oud. Enkele ingenieurs, met personeelschef Joris op kop, steken de kanaalbrug over. Dat is nog nooit gebeurd. Zij komen over de brug. Heren in nette donkere pakken, witte hemden met manchetknopen en knoopdassen stappen over de brug. Het gewauwel sterft uit. Alleen de onschuldige kreet van enkele peuters klinkt nog over het fabrieksplein. Verstomd gaapt de grauwe massa hen aan.

Directeur Griffier observeert en declareert: ‘Vrienden, zo kan het niet verder. Wij moeten de handen terug in mekaar slaan. De schade door deze staking loopt al in de miljoenen, niet alleen door het stilleggen van de productie, maar ook door vorstschade aan dure installaties. De directie wil haar goede wil tonen. De directie wil een loonsverhoging van 6 frank per uur voor iedereen aanbieden. Bij de bespreking van verleden week met uw afgevaardigden van de vakbonden zagen deze wel brood in ons voorstel. Vrienden, kom naar binnen en stop deze zinloze staking.’

Directeur Griffier staat recht tegenover mij. Ik laat hem niet de kans om zijn pleidooi verder te zetten. ‘Mijnheer Directeur, voor 10 frank zijn we buiten gegaan en voor 10 frank zullen we ook terug naar binnen komen. Verleden jaar hadt ge 192 miljoen zuivere winst.’ Stout kijk ik hem recht in de ogen. Griffier aarzelt: ‘Wij komen u enkel uitleggen wat we overeengekomen zijn. Wij hebben toch altijd goed met mekaar kunnen opschieten...’

‘Altijd, altijd, Mijnheer Griffier... zoals toen u bij de metserdienders de ene mortel liet maken en de andere stenen liet aanbrengen. Wettelijk waren dat dan geen metserdienders meer. Zo kon u ze een heel pak minder betalen.’

Met deze aanklacht breekt de stakingsleider de monden open van tientallen arbeiders die nu hun grieven recht in het gezicht van de directie en ingenieurs uitspuwen. ‘Wij hebben het lood in ons bloed, in ons beenderen en onze kop en gij hebt het geld in uw zakken!’

Terwijl een arbeider zijn neusvleugels openspant, weent hij: ‘Kijk nu maar eens goed. Zijn uw neuzen en longen ook weggevreten van het zuur?’ In zijn neustussenschot gaapt een gat, waardoor zijn neus plooit als een rubberen fopspeen.

‘Een maand geleden is Koedel, onze buurman, van de pijn in zijn benen uit het venster van de kliniek in Lommel gesprongen. "Reuma", hebben de dokters verklaard. Geen kloten geloof ik ervan: lood, ja, lood, allemaal hebben we het in ons bloed. Zot en ziek maakt gij ons hier.’

De opgekropte woede van jaren onbegrepen ellende en miserie beukt op de directie in als een losgeslagen stier die zijn ketens heeft verbroken. Voor de kaderleden draait de wereld even op zijn kop. De knechten roepen de meesters ter verantwoording. Waarden als winst en verlies, concurrentie, prijs der metalen... worden als vliegen weggewuifd. Zij maken het geluk van patroons en aandeelhouders uit. Vandaag zien wij de kans schoon om onze waarden op tafel te smakken: loon, gezondheid, gezin... zij maken het geluk van de werkmensen uit.

‘Al maanden pis ik bloed zo rood als die vlag. Mijn nieren werken niet goed, beweert de specialist, maar hij weet niet waarom. Ik ben niet slim, maar ik weet wel waarom. Al die mannen die bij ons lang op de Cadmium werken die pissen allemaal bloed. Als we bij de dokter van de Vieille Montagne klagen, zet hij ons met een borstel op de koer of mogen we wc’s kuisen... na zoveel jaren ons kas te hebben afgedraaid en dat met flink loonverlies.’

De rijkswachters duwen nu de mensen weg van de directieleden. Het aanhoren van hun eigen miserie doet het bloed in hun aderen koken.

Directeur Griffier herpakt zich: ‘Mensen, mensen, ik begrijp uw moeilijkheden. De arbeid in de non-ferro is van oudsher gevaarlijk en ongezond. Wij hebben altijd ons best gedaan om daaraan te verhelpen. Vieille Montagne heeft steeds een sociaal beleid gevoerd: de huisvesting, de school, het ziekenhuis, het zijn één voor één bewijzen van onze sociale bekommernis. Ik geef toe: de tijden veranderen. De huizen willen we zelfs aan jullie verkopen. Het hospitaal beantwoordt niet meer aan de noden van vandaag. Samen zullen wij oplossingen voor uw problemen zoeken. Ik zal deze klachten ook nog doorpraten met onze geneesheer. Maar, in godsnaam, denk ernstig na over ons loyaal voorstel.’

Daarmee wil Griffier dit vernederend contact afsluiten. Het volk wil zich deze kans niet zomaar laten ontglippen.

‘Die huizen zijn zeventig jaar oud en halve krotten. Nu wilt ge ze duur aan ons verkopen, ja!’ Personeelschef Joris blaft nu heimelijk terug: ‘We kunnen ze toch moeilijk met verlies verkopen? De prijzen worden bij schatting vastgelegd.’

‘Ja, Joris, door uwe schatter. Publiek zouden ze moeten verkocht worden’, schreeuwt een schelle vrouwenstem uit het volk.

Tussen zijn tanden sist Joris: ‘Miljoenen hebben ons die zaken steeds gekost aan investering en onderhoud. Welk nieuw bedrijf zou er nu nog maar aan denken scholen en huizen voor zijn arbeiders te bouwen? Stank voor dank krijgt ge ervoor.’

Spontaan stijgt er boegeroep uit de eerste rijen omhoog. De rijkswachters moeten zich schrap zetten. Een van hen schuift uit op de gladde kasseien.

Bij dit schouwspel draait Griffier zich om. Zijn delegatie volgt. Joris slentert hen nonchalant na en spits zijn oren: ‘We hadden al veel eerder moeten staken.’

‘Als we durfden staken, smeten ze ons uit die fabriekshuizen...’

Een student van Amada schreeuwt boven de massa uit: ‘Staking is oorlog met de patroon. We moeten hem vanaf vandaag op alle mogelijke manieren saboteren.’

Op die gelegenheid schijnt de rijkswachtcommandant gewacht te hebben. In looppas stormen ze met drie naar de jongeman toe en trekken hem naar een jeep.

‘Ge moogt me zomaar niet aanhouden.’

‘Opruiende taal, vriendje. En daarbij, ge hebt hier niets verloren. Als ge mijne zoon waart, sloeg ik u terug naar de universiteit’, blaft de commandant terwijl een rijkswachter de student werkelijk een klap uitdeelt. Awoertgeroep en vuisten dreigen naar de rijkswachters.

‘Iedereen die onze staking helpt lukken, is hier welkom’, argumenteert een ACV-militant tegen een journalist.

‘Wat denken die heren wel, zij zitten al jaren in onze zakken. We gaan niet binnen voor ze ons 10 frank opslag geven.’

Nu de knechten hun gal kunnen spuwen tegen hun meesters, voelen ze zich licht en opgelucht. Die ene steen van vernedering op hun hart is zwaarder om dragen dan de vele zware lasten op hun rug. De glazen toren heeft voor één keer naar de wereld aan zijn voeten moeten luisteren.

Ik wil deze strijdbaarheid verzilveren: ‘Als het moet, houden we deze staking nog maanden vol. Dat de patroon niet hoopt dat we door de knieën zullen gaan. Onze huizen, onze school, onze kliniek, onze fabriek, onze winkel, onze kerk... het is allemaal van hem. Zelfs in onze portemonnee besteelt hij ons, maar van ons hart en onze gedachten blijft hij af. Hand in hand...’

Bij die woorden neemt de massa als een spionkop op de voetbal over. ‘Hand in hand, kameraden. Hand in hand, wij strijden voort...’

Ik kijk even omhoog naar de glazen toren. Ik hoop dat ze ons horen. Op dagen als vandaag wordt er een andere mens geboren. Minder gebogen in elk geval.

Een week later gebeurt wat we verwacht hadden. De vakbondssecretarissen delen een pamflet uit met het voorstel van 6 frank per uur. Na de hevige hetze tegen het stakingscomité hopen de patroons en de vakbondssecretarissen dat het tijd is om de hete pap op te dienen. Op voorhand hebben we met het stakerscomité al een rekensommetje gemaakt. Met het geleden loonverlies en in afwachting van een nieuwe Collectieve Arbeidsovereenkomst komt dit voorstel neer op een werkelijke loonstijging van 1,75 frank per uur. Daarvoor hebben we niet zoveel en zolang kou geleden. De druk in de stakingsketel stijgt. Het stakingscomité verspreidt zijn eigen pamflet om het voorstel af te schieten. 79% van de arbeiders stemmen tegen. BSP-minister van Arbeid Major is razend en stelt een regeringsbemiddelaar aan. Elk contact met het stakingscomité wijst de vroegere ABVV-voorzitter resoluut af. De regering Eyskens-Cools wordt zenuwachtig. De voorbije winter van 1970 ligt nog scherp in hun geheugen.

In die winter van 1970 namen Limburgse mannen en vrouwen de kop van de Belgische arbeidersstrijd. De Waalse arbeiders zaten nog met de kater van de algemene staking van ’60-’61. Wat daar aan strijdbaarheid de kop opstak, werd naar communautair gekrakeel afgeleid door een sterk ingeplante BSP. De Kempense beer was moegetergd midden in de winter ontwaakt. Met rijkswacht, leugens, chantage en verraad had de CVP-BSP-regering hem tevergeefs terug in het hol van de verknechting willen drijven.

Op 5 januari 1970 staken 23.000 mijnwerkers de lont in het kruitvat. Hun ‘15% Nu’ zal nog jaren nadreunen en navolging vinden in de oren van de ganse arbeiderswereld. Halsstarrig hield hun staking zes weken stand. Uitgehongerd, geslagen door de rijkswacht en verraden door de vakbondstop daalden ze op 18 februari 1970 terug in de mijnen af. De slag leek verloren, maar na ondergrondse bezettingen en schokstakingen kregen ze de geëiste 15% opslag op 8 juni. In volle mijnstaking op 30 januari ontstond reeds een tweede vuurhaard, ook in Limburg waar 9.000 Ford-arbeiders de band stillegden. Tien miljard subsidie en een sociaal akkoord dat lage lonen en lange werktijden oplegde aan de arbeiders, hadden Ford naar Genk gelokt. De arrestatie van 23 arbeiders, de matrakslagen van rijkswacht en patronale knokploegen braken de strijdwil niet. Ook hier verbraken de arbeiders de zegels van bindende overlegakkoorden. Nu zat de vlam in de pan. 28 januari: 3.800 arbeiders en arbeidsters van Philips in Hasselt verlieten hun werkplaatsen. Vlak in de buurt volgden 300 arbeiders van de buizenfabriek Keramo hun voorbeeld. Op 2 februari sloeg het stakingsvuur over naar General Motors in Antwerpen. De aanleiding van deze stakingsgolven was overal dezelfde: het nieuwe systeem van CAO's (Collectieve Arbeidsovereenkomsten), ingevoerd door minister Major. Zo trachtte de regering de strijd voor hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden te kanaliseren. In de winter van 1970 werd dit pronkstuk van Major van zijn sokkel geslagen. Als reactie verstrengde hij nog de overlegprocedures. Tijdens een toespraak van Major in het sportpaleis van Antwerpen gaf het volk een duidelijk antwoord op zijn verraad met een regen van rotte eieren en tomaten.

Bij de eerste grote betoging van Fordarbeiders staat op grote spandoeken geschilderd: 'Geen Slavernij’en ‘Fordarbeiders zijn ook mensen’.

Vandaag neemt de Noorderkempen de fakkel over. De kans om met de Middeleeuwen af te rekenen werd in de Kempen het langst gemist. Maar de twee stakingsgolven van 1970 en 1971 brengen een schok teweeg in de geesten van de Kempense arbeiders. Op de eerste grote Fordbetoging in 1968 stond op gróte spandoeken geschilderd: ‘Geen Slavernij’ en ‘Fordarbeiders zijn ook mensen’. De knecht is opgestaan tegen zijn meester. De verknechte boer in de arbeider ligt op zijn sterfbed. De banvloeken van pastoors, patroons en regering verlammen niet langer zijn strijdwil. De gesel van rijkswacht en gerecht breekt niet langer zijn gebalde vuist. Het is een hele eer dat juist in de Kempen aan de wieg van die nieuwe mens een andere nieuwkomer op het strijdtoneel tussen arbeid en kapitaal staat: de student. Tijdens de eerste algemene Fordstaking van oktober 1968 steunen voor de eerste maal in de Belgische geschiedenis studenten massaal een arbeidersstaking. Tientallen studenten staan voor het eerst in hun leven piket, delen pamfletten uit, discussiëren met de arbeiders en organiseren solidariteitsavonden. Op een betoging begin november in Hasselt stappen Fordarbeiders samen op met Leuvense studenten en delegaties van Keulse en Antwerpse arbeiders. Voor het eerst klinkt de slogan ‘Arbeiders-Studenten: één front’ in de Belgische straten.

Piet Poppeliers die de studenten toespreekt in het auditorium ‘de Valk’ van de faculteit Rechten aan de Leuvense universiteit. Vooraan zetelt een eigenaardig panel. Geen professoren of toch wel? De nieuwe professoren van een woelige tijd: een mijnwerker van Mijnwerkersmacht uit Waterschei, een delegee uit de fabriek van Olen, een leraar uit Mol en een stakingsleider uit Lommel. (Foto Jef Geys)

Piet en een ‘pedel’. De studenten van de beginjaren 70 halen de stakingsleiders naar de universiteit. Piet met de pet zit op de stoel van de professor. Toekomstige dokters, advocaten en politiekers luisteren naar de wereld van de arbeiders. (Foto Jef Geys)

‘Mijnheer Poppeliers, u hebt ons verteld over het ongezonde werk. Als ik afgestudeerd ben als ingenieur en ik zou op uw fabriek werk vinden. Wat kan ik dan als ingenieur doen?’

Het auditorium van de rechtsfaculteit De Valk in Leuven zit propvol studenten. Vooraan zetelt een eigenaardig panel. Geen professoren of toch wel? De nieuwe professoren van deze woelige tijd: een mijnwerker van Mijnwerkersmacht uit Waterschei, een delegee uit de fabriek van Olen, een leraar uit Mol en een stakingsleider uit Lommel.

Ik pers mijn smalle lippen even op mekaar. ‘Luister, ik ga daar niet veel woorden aan vuil maken. Ofwel speelt ge onder één hoedje met de patroon, ofwel kiest ge de kant van de arbeiders. Vandaag vechten we voor meer loon en gezondheid. Wij zetten veel op het spel. Daar is durf voor nodig, gij zult ook moeten kiezen, ook durf hebben en veel op het spel zetten.’

‘Is het waar dat het stakerscomité geld krijgt uit een verdachte hoek?’ Jef Sleeckx haalt een krant uit zijn aktentasje. Hij is leraar aan de rijksschool van Mol en kan goed praten.

‘Ik lees voor uit de Gazet van Antwerpen van verleden week: "De bron van inkomsten van het stakingscomité wordt soms op een misleidende manier aangedikt met geldinzamelingen die op het eerste gezicht onschuldig zijn. Andere bronnen van inkomsten komen uit een internationale pot met opbrengsten van pornografische drukwerken zoals onder meer in Duitsland werd achterhaald." Einde citaat. Kameraden, studenten, ik kan op die leugens maar één antwoord geven!’

De zaal is hem voor: ‘Arbeiders-Studenten. Eén front.’ Een kleine, magere studentin met een even zwarte pull als haar sluikhaar is rechtgestaan op een klapstoel. Haar vurige bruine oogjes tasten de massa in de zaal af. ‘Laat ons als antwoord op die leugens nog meer geld inzamelen voor het stakingscomité van Balen.’

Scanderend applaus en ritmisch stampende voeten doen het auditorium daveren. ‘Morgen is er hier in Leuven een vergadering van arbeiderscomités uit de mijnen, de metaal- en de non-ferro-industrie. In totaal werken er ongeveer 50.000 arbeiders in de vertegenwoordigde fabrieken. Wij zijn niet tegen de vakbonden, maar wij willen hen dwingen de belangen van de arbeiders echt te verdedigen.’ Jef Sleeckx roept de studenten op ook vertegenwoordigers te sturen.

Mij worden nog weinig vragen gesteld. Waren mijn antwoorden te bruut? Ik kijk vanuit de zaal naar mezelf: Pietje Poppeliers uit Lommel zit hier met zijn klakske voor een zaal studenten.

Het is maar een begin, wij gaan door met de strijd.’ Regelmatig worden tussenkomsten beloond met het scanderen van slogans. Aan de uitgang verkopen studenten van SVB (Studentenvakbeweging) het vijfde nummer van hun nieuwe weekblad Alle Macht aan de Arbeiders. ‘Tot morgen aan de poort, hé Piet.’ Ik herken een van die belhamels. Buiten jagen ze een renaultje vol BOB’ers op de vlucht. Pas in de auto op terugweg naar Lommel dringen alle vragen en discussies helder tot me door. Voor deze avond dacht ik dat de universiteit enkel een kweekschool was voor lettervreters die ons met hun geleerdheid steeds in de doeken deden. De ingenieurs, de advocaten, de dokters... ik had er geen goed oog in. Nu we staken, komen er studenten van Amada ons weer als schoolmeesters uitleggen hoe en waarvoor we moeten vechten.

Dat de BSP en de CVP ons in de steek laten, daarover ben ik het roerend met hen eens. Dat dit dan betekent dat we een nieuwe arbeiderspartij moeten oprichten, daar ben ik nog zo maar niet van overtuigd. Als alle comités in België samen een vuist maken, staan we sterk. Pas op, die studenten menen het wel echt, maar zullen ze het ook volhouden? In elk geval moeten we in de comités met hen samenwerken.

Piet wordt geïnterviewd door een BRT-journalist. (Foto Jef Geys)

Hoofdstuk 7 - De stemming (1971) - Inhoud

‘Ah, professor, konden ze u daar in Leuven niet gebruiken?’ plagen de stakers me de volgende morgen aan het piket. Ik babbel en lach, maar voel me toch zenuwachtig.

Na de stemming van gisteren zitten de posities van de directie en het stakingscomité klemvast. De staking kan nog weken aanslepen. Zullen deze mannen en vrouwen die opofferingen blijven volhouden? Vanaf nu laten we alleen nog toe dat de verwarming brandt in het ziekenhuis. Als zij ons hier in de kou laten staan, draaien we de kraan ook toe voor de heren van de glazen toren. Meer en meer moet het piket buiten bij de tonnen post vatten. Vooral bij de postenwisseling verschijnen er mannen aan de brug die toch het werk willen hervatten.

‘Piet, gij zijt zot. Ze laten ons hier buiten staan tot we één voor één van den honger naar binnen kruipen.’

‘Er is gestemd en iedereen blijft buiten. Als we binnengaan, gaan we allemaal samen binnen en met onze kop omhoog’, bijt Jaak de man terug.

‘Komt gij met uwe schone praat dat thuis maar eens uitleggen!’ klaagt de werkwillige.

‘Als ge problemen hebt, zeg het dan nu. Wij zijn er met het stakingscomité om die te helpen oplossen.’ Het is een vrouw die hem dit voorstelt.

Ondertussen staan er twee groepjes arbeiders tegenover mekaar: de mannen van het piket met hun vuist in hun broekzak en de werkwilligen met de fiets in de hand.

‘Kom, jongens, ga naar huis, voor er hier klappen vallen.’ Vechtpartijen tussen stakers en werkwilligen zouden koren op de molen zijn van al onze tegenstrevers. Ze druipen mompelend af.

‘Ratten. Vuile ratten!’ schreeuwt Jeanke hen na. Piet schudt ‘neen’ naar hem. Ze warmen hun handen rond het vuur. Vooral de nachten wegen zwaar.

De mannen van het stakerspiket in het woonwagentje aan de brug van Vieille Montagne ontwaken uit hun dromen. Jeanke is terug lichtjes ingedommeld.

Nu schrikt hij op en alsof hij commentaar moet geven, mompelt hij nog half slaapdronken: ‘Ja, oorlog... die staat hier ook voor de deur met al die stakingen. In de jaren dertig...’

‘Jeanke, slaapt gij maar voort’, lach ik hem uit.

Een student van Amada ziet zijn kans schoon om in te pikken: ‘Het is vandaag al oorlog, Jeanke. In Vietnam, Laos, Cambodja... Maar daar laten de arbeiders en boeren zich niet onder mekaar afslachten zoals toen. Neen, zij jagen hun echte uitbuiters, de grootgrondbezitters en de Amerikanen, de deur uit.’

‘De Amerikanen? Dat zijn toch de goei? In ’45 hebben ze hier Dolf Hitler buitengejaagd.’ Jeanke is nu klaar wakker. Hij kan het nooit hebben dat er over de Amerikanen één slecht woord wordt gezegd.

‘Ja, toen kwamen ze ons bevrijden omdat het Rode Leger in Berlijn stond. Zie nu maar eens hoe ze de mensen in de Ford in Genk behandelen. Het zijn imperialisten.’

‘Het zijn wat? Im-pe-ri-alisten?’ stottert Jeanke.

‘Mannen van den Imperial, dat merk van pudding’, treitert Jaak. De mannen lachen.

Betogende arbeiders van Vieille Montagne. (Foto Jef Geys)

‘Neen, Jean, dat zijn kapitalisten die over de hele wereld willen baas spelen’, profeteert de jonge man.

‘Gij discussieert maar verder, jongens, maar ik kruip naast ons Rachel in bed. Ne mens leeft niet alleen van water en brood.’ Jaak stapt op. De nacht slokt de stakers één voor één op.

‘Onze vaders eisen 10 frank. Nu.’ Ook de kinderen stappen met hun eigen bordjes mee op in de betoging door de straten van Balen-Wezel. Een noorderwind snijdt door de lucht. De vrouwen beschermen hun hoofd met een sjaaltje, de kinderen met bivakmutsen en de mannen met klakken en potsen. Als schildpadden trekken ze de nek in hun dikke winterjassen. Voorzichtig schildert een fletse winterzon de bleke gezichten geel. Langgerekte schaduwen sterven uit op het witte beton. Alleen aan de fabriek breekt het rood en groen van de vlaggen aan de poort de grauwheid van deze stoet. Het scanderen van leuzen onderbreekt het eentonige gestommel van schoenen. De glazen toren is leeg. Niemand van de directie hoort of ziet deze stoet van de opstand. Enkele journalisten stappen met opvallende camera’s op en neer langs de betoging. Studenten van Amada delen pamfletten uit.

In de deuropening van de winkels, het casino en het gasthuis staren kijklustigen naar de processie van de nieuwe tijd. Vooraan stappen geen pastoors. Schouders torsen geen zware schragen vol glitter en goud van heiligenbeelden. Geen wierook of kaarslucht prikkelt de neusgaten. Geen purperen kazuifels met gulden biesjes en witte engelengewaden strelen de ogen. De koperen blaasinstrumenten van de Sint-Jozefsfanfare zwijgen.

Het stakingscomité trekt de kop. Alleen spandoeken en vlaggen steken boven de massa uit. Enkel wat muffe sigarettenrook stijgt vluchtig omhoog en sterft even vlug weer uit. Dit volk bidt niet of zingt niet. Hun zwijgen is dreigend.

Elk weekend is er een andere protestmanifestatie. Nu organiseren we een autokaravaan door de streek. Toeterend kruipt ze als een colonne door de gehuchten van Balen en Mol. Door de halfopen ramen steken vlaggen. Op de motorkappen wapperen witte lakens met zwarte eisen. Ook delegaties van de non-ferro-bedrijven van Rotem, Olen en Hoboken vervoegen onze karavaan. In het verleden hebben de arbeiders van deze non-ferro-fabrieken reeds hete kastanjes uit het vuur gehaald.

Achttien jaar geleden, in 1953, hadden de arbeiders van Rotem 19 weken gestaakt tegen de middeleeuwse toestanden in hun fabriek. De lonen lagen er nog 4 frank lager dan in Balen en Overpelt: gemiddeld 18 frank per uur in Rotem en 22 in Overpelt. De productiepremie stond ook niet in verhouding tot de geleverde productie, maar werd ‘naarstigheidspremie’ genoemd en willekeurig door ploegbaas en ingenieurs toegekend. Even willekeurig deelden ze zware boetes uit: van het verlies van 1/5 van het dagloon tot het naar huis sturen zonder loon voor één tot 14 dagen. Vele arbeiders die het aandurfden bij ziekte gewettigd afwezig te zijn, werden bij hun werkhervatting voor enkele dagen zonder loon terug naar huis gestuurd. Zestien uren aan één stuk doorwerken was geen uitzondering. Voor de 450 arbeiders van Rotem was er één verpleger op de fabriek. Een ziekenwagen was er niet, ondanks de vele zware ongevallen. Tegen de nationale akkoorden in liet de directie geen syndicale delegatie toe op de fabriek.

Voor, maar ook tijdens de staking, weigerde de directie te onderhandelen over enige eis. Hoogtepunt van de staking was zeker de verbroederingsdag met de stakers van de Cockerill-scheepswerven van Hoboken. Met een muziekkorps uit Antwerpen op kop stapte het ganse dorp juichend door de straten, ’s Namiddags betwistten de stakers van Rotem en Hoboken een match voetbal. Rotem won, maar schonk de beker toch aan Hoboken.

's Namiddags betwistten de stakers van Rotem en Hoboken een match voetbal. Rotem won, maar schonk de beker toch aan Hoboken.

Tijdens de meeting op het dorpsplein eindigde een ACV-delegee uit Hoboken zijn toespraak met de woorden: ‘Arbeiders van Rotem en Hoboken, al die jaren zijn wij het aambeeld geweest. Nu zullen wij de hamer worden.’ Het Belang van Limburg huilde over de lage zinkprijs. Dit blad beschreef deze staking van katholieke arbeiders onder de leiding van het ACV als ‘een voortwoekering van de marxistische ziektekiem, vooral wanneer deze besmetting onbewust wordt overgedragen door wie als de besten moeten doorgaan’. De rijkswacht kreeg logement en eten in de fabriek op kosten van de aandeelhouders van de Société Générale. In 1951 had de directie nog uitgepakt met een nettowinst van 60 miljoen.

Na vier maanden staking ging ze toch door de knieën. Het akkoord tussen vakbond en directie was één grote toegeving aan de eisen van de arbeiders: loonsverhoging, dubbel loon op zondag, afschaffing van het vernederende premie- en boetesysteem en installatie van een echte syndicale delegatie... Op de muziek van de harmonie vierde de volgende zondag gans Rotem feest. De eerste bres was geslagen in de patronale burcht. De afbraak van de vooroorlogse fabriekscommissies, waarin de vertegenwoordigers van de arbeiders door de patroon zelf werden aangeduid, was gestart.

Tien jaar later zou Olen een tweede aanval lanceren. Ook hier vernieuwde de patroon nog op eigen houtje de syndicale delegatie. Steeds hadden de arbeiders, tegen de nationale CAO in, slechts het wettelijk minimumloon uitbetaald gekregen. Op het einde van de werkdag moesten de arbeiders als schooljongens in rij de fabriek verlaten. Elk gesprek over nieuwe eisen wimpelde de directie hoogmoedig weg. Op 4 juni 1962 barstte de bom en brak de staking uit. De kaderleden gingen in de arbeidershuizen van de cité op bezoek. Hun paaien en intimideren deden sommige arbeiders capituleren. Daardoor waren de confrontaties aan de piketten erg gewelddadig. Van die gelegenheid profiteerde de rijkswacht om sommige stakingsleiders een week lang op te sluiten. Op 25 juni 1962 schreef de ACV-krant Het Volk: ‘De stakers komen in botsing met de drie pijlers van de kapitalistische reactie: een patronaat uit vroegere tijden, de leiders van de rijkswacht en de klassenjustitie.’ Vijfduizend betogers trokken door de straten van Olen. ‘Wij zijn geen slaven, wij zijn mensen’, stond te lezen op een van de spandoeken. Na vier weken staking was de patroon dan toch bereid om te praten. Ook hier werden de eisen voor loonsverhoging en syndicale erkenning afgedwongen. In verspreide slagorde trokken de zinkfabrieken in de Kempen ten oorlog tegen de moeder van alle geldmachten in België: de Société Générale.

Een geketende stakingsleider tijdens de staking van Olen in 1962. ‘De confrontaties met de "ratten" aan de piketten waren erg gewelddadig. Daarvan profiteerde de rijkswacht om de stakingsleiders een week lang op te sluiten. ’

Onze weekendbetogingen blijven doorgaan, maar de directie negeert deze stoeten der machtelozen. De kranten schrijven er amper over. Reeds 8 weken staan we op straat. Ik durf er niet aan denken dat we deze staking toch nog zullen verliezen. Het gaat allang om meer dan die 10 frank. Het gaat om ons zelfvertrouwen, onze macht, ons zelfrespect. Twee weken geleden is er iets voorgevallen dat ons geloof in de overwinning toch heeft gesterkt. Van burgemeester Jos Cools van Mol heb ik toen informeel vernomen dat de directie van Vieille Montagne bereid was 8 frank per uur plus de 1,5 frank te geven. Zelfs de gelijkschakeling met de andere non-ferro-bedrijven zou geregeld worden. Toen dit onze ABVV-vrijgestelde Jef Flament ter ore kwam, heeft hij razend naar het gemeentehuis van Mol gebeld: ‘Bemoeit gij u met uw gemeentehuis, dan zal ik me bij mijne vakbond houden.’ Zelfs zijn eigen partijgenoot en minister, Louis Major, heeft Cools in het openbaar op de vingers getikt. Maar door dit incident besef ik dat de poort van de glazen burcht op een kier staat. Gesterkt door ons geloof dat de directie wil capituleren, voeren we deze zenuwoorlog verder.

Op een middag wordt onze standvastigheid beloond. De twee vakbondssecretarissen, Flament van het ABVV en Dictus Wouters van het ACV, stappen over de brug om de onderhandelingen met de directie te hervatten. Als een lopend vuurtje verspreidt dit gerucht zich door de arbeiderswijken. Na een uur ziet het zwart van het volk aan het piket. Met minder dan wat de directie enkele weken geleden aan Cools reeds voorstelde, zullen we niet tevreden zijn. Duizenden ogen volgen elke kleine beweging aan de overkant van het kanaal. Ook veel vrouwen, een winterjas over hun voorschoot, zijn vlug tot hier gefietst. De minuten duren uren. Enkele postzakken worden in een wagen gesmeten. Op de loskade langs het kanaal vertrekt de auto richting Lommel. Vragend kijken we mekaar aan.

‘Piet, daar gebeurt deugnieterij, man. Deugnieterij.’ Jaak staart naar het glazen kantoorgebouw. Zonder veel woorden, als in een reflex, snellen we met drie naar onze auto. We zullen weten wat in die postzakken zit. Wij staken acht weken en dus beslissen wij. Als in een goedkope actiefilm vertrekken de drie auto’s met gierende banden. Aan het postkantoor zie ik de bewuste wagen juist vertrekken. Verdomme, we zijn te laat. Ik stap het postkantoor binnen. Te hard roep ik tegen de loketbediende: ‘Madammeke, zijn hier postzakken van de fabriek van Balen toegekomen?’ De mollige dame met rode jurk en even rode lippen schrikt op achter het glas.

‘Ja, ja, mijnheer, maar daarvoor moet ge bij de postmeester zijn.’

‘Hebt gij een geschreven toelating om die poststukken in te zien. Neen., Wel dan moet ik u verzoeken zo snel mogelijk het postkantoor te verlaten.’ Brutaal scheept de postmeester ons af.

‘Mijnheer de postmeester, ik zal u toch zo maar blijven noemen, al hebt gij ons niet zo beleefd aangesproken. Wij zijn acht weken in staking. Wij vechten voor onze boterham en ons gezin. Die brieven beslissen mee over ons lot.’ Ik schuif mijn pet omhoog. Dat doe ik telkens als ik me opwind. Hoe we de postmeester ook proberen te overtuigen, voor hem is en blijft de wet de wet. Ontgoocheld rijden we terug naar het piket. Daar wakkert ons verhaal de onrust onder de mensen aan. Iedereen wacht nu trappelend op de vakbondssecretarissen.

Als eerste komt Dictus Wouters voorzichtig op de massa toegestapt. Stevig omknelt hij zijn malletje om zijn bevende handen tot rust te dwingen. Op duizend lippen ligt de vraag: ‘Wat is er voor ons uit de bus gekomen?

Met aftastende ogen legt Dictus uit: ‘Mannen, wij hebben het geregeld gekregen. Iedereen krijgt 8 frank per uur bij en de reeds toegestane 1,50 frank. Ook de gelijkschakeling is erdoor.’

‘En die postzakken, wat heeft dat te betekenen?’ Dictus voelt zich als een schooljongen op het matje geroepen.

‘Dat is voor de stemming, mannen. Ieder krijgt nu een brief in de bus met het voorstel.’

‘En dat hadt ge ons niet eerder kunnen vertellen? Wij staken hier, gij niet. Gij moet werken voor ons. Het zijn wij die u daarvoor betalen.’

Guido duwt de secretaris bij die woorden achteruit. Die verbleekt. Dictus krijgt nog heel wat verwijten naar zijn hoofd geslingerd.

Ik zwijg. Ik bijt het puntje van mijn tong. We hebben bereikt wat we wilden bereiken. Nu wil ik niet, door mijn verbittering de vrije loop te laten, die overwinning verkwanselen. Als de vakbondssecretarissen met de staart tussen hun benen zijn verdwenen, stap ik op de brug. ‘Mannen, vrouwen, we hebben gewonnen. We hebben bewezen dat we kunnen winnen. Gij kunt fier naar huis gaan. Ook dank aan onze vrouwen. Zonder die steun thuis hadden we het hier aan de poort niet volgehouden. Dank ook aan de schoolmeesters, de handelaars, de studenten... aan iedereen die deze overwinning heeft mogelijk gemaakt.’

Het gejuich en het handgeklap is zo groot als de opluchting. ‘Zo ne goeie hebben wij nog niet gehad...’ zingt en wiegt de massa.

Die avond voel ik me doodmoe. Deze keer zit het lood in mijn schoenen. Soms voel ik me blij, soms ben ik pisnijdig, omdat de vakbondstop ons stakerscomité tot de laatste snik blijft negeren.

Maar tot mijn verrassing is de staking niet afgelopen. Alles draait anders. De volgende morgen stroomt er terug een massa mensen samen voor de brug. Razend zwaaien ze met de stembrief. Waar zit hun woede? De stemming is niet geheim. De stembrieven staan op naam. De ene heeft een stembrief ontvangen, de andere niet. Ook de bedienden en zelfs de nonnekes van het gasthuis mogen meestemmen. Deze open kans laat ik niet liggen om te scoren.

‘Jongens, rustig, rustig. Akkoord, dit kan niet. We zijn zelf buitengegaan en gebleven. We zullen nu ook zelf bepalen hoe en wanneer we binnengaan.’

Ons stakingscomité schiet in actie. Langs de radio verspreiden we een persbericht dat we de stemming van de patroon boycotten en morgen zelf een stemming zullen organiseren. De directie voelt dat het ons menens is. Ze stuurt een bediende met al de lijsten van arbeiders met hun adres en stamnummer. De gemeente Balen stelt lokalen en stemhokjes ter beschikking. Zo kan de stemming ook geheim gebeuren.

Die middag laten de vakbondssecretarissen aan het piket een pamflet uitdelen. Voor hen is de staking gedaan. Zij roepen de arbeiders op ’s anderendaags aan het werk te gaan. Wie toch verder staakt, krijgt geen stakingsgeld meer. Dit gaat me te ver: voor de uitslag van hun eigen stemming bekend is, willen ze de staking al affluiten. De stembrieven waren geadresseerd aan de sociaal bemiddelaar in Geel. Daar zouden de secretarissen ook aanwezig zijn om de telling te volgen. Ik spring in mijn wagen en spoed me naar Geel. Trouw als een hond volgt de BOB mijn spoor. Gedurende deze staking heb ik een auto versleten en een fortuin aan benzine opgereden. Spijtig genoeg worden mijn kosten niet vergoed door de staat, zoals in het geval van mijn spionnen. Als ik de trappen van het gebouw in Geel wil opspurten, houden twee politieagenten me tegen. Ik vraag hun vakbondssecretaris Flament te roepen. Niemand komt buiten. Ik wacht. Ik draai rond als een hond in zijn hok. Ik vraag hen delegee Van Meensel te roepen. Jefkomt.

‘Piet, ik zou het wel willen, maar gij moogt bij deze telling niet aanwezig zijn’, verontschuldigt hij zich.

‘Ik wil alleen de sociaal bemiddelaar iets zeggen. Dat is al.’

Jef zal het vragen. Ik wacht. Ik wacht. Plots hoor ik van boven een onbekende stem: ‘Poppeliers, ge moogt mee binnenkomen, maar op een stoel zitten en zwijgen.’

Daar ben ik duidelijk niet voor gekomen. Wat ik wel wou zeggen, roep ik de sociaal bemiddelaar nu van beneden aan de arduinen trappen toe: ‘Ik kom u alleen zeggen dat deze stemming onrechtvaardig is. Dit is geen syndicale stemming, maar een patronale. Dat is alles. Meer heb ik u niet te zeggen.’ Zonder op antwoord te wachten, draai ik me om en vertrek.

Wij organiseren onze eigen geheime stemming met openbare telling. De helft plus één beslist over het voorstel. Wat ik zelf ook niet verwacht en niet wens, gebeurt. De stakers voelen zich zo gebeten dat ze in hun razernij terughappen: 10 stemmen meer dan de helft om verder te staken. Glunderend heeft een jonge bediende mee de stemmen geteld. Nu het resultaat bekend is, plakt hij sprakeloos op zijn stoel alsof het zijn schuld is. De verwarring is compleet. Voor- en tegenstemmers schelden mekaar de huid vol.

Ik tracht tijd te winnen: ‘Mensen, mensen, wij hadden afspraken over de stemming. De meerderheid heeft beslist. Ga nu naar huis. Morgen zien we mekaar aan het piket.’

Die nacht hoor ik gebonk op de voordeur. In het vale licht van de gang herken ik Jef Sleeckx en twee ACV-afgevaardigden, Jean Strackx en Nand Breugelmans. Nerveus doen ze hun verhaal. ‘Gisteravond heeft de directie de bedienden op pad gestuurd om mensen te ronselen die morgenvroeg de poort willen binnenstappen. De vakbondssecretarissen stellen aan de brug een radiowagen op om de mensen naar binnen te roepen. Piet, daar gaan brokken gemaakt worden. Er zal onder mekaar gevochten worden. Piet, we moeten nu samen naar binnen gaan.’

‘Mannen, we zullen morgen samen buiten blijven. Dat heeft de meerderheid beslist en daarmee basta. En nu wil ik terug gaan slapen. Tot seffens aan het piket.’ Die nacht slaap ik niet veel meer. Ik pieker en draai in mijn bed.

De volgende morgen ben ik vroeg bij het piket. De spanning is te snijden. Een ijzige wind onderlijnt de stress. Onze eigen microwagen heb ik opdracht gegeven zich vlak bij de poort te stationeren: ‘Als de radiowagen van de secretarissen begint op te roepen, dan roep jij nog harder.’ Die jongen doet dat prachtig. Het is één kakofonie. Enkele bedienden slenteren rond in de buurt van het fietsenrek.

Ik herken de schim van Joris: ‘Charel, rijd maar binnen, ge moogt vandaag uwe velo in de fabriek zetten.’ Na lang aarzelen stapt toch een groepje van 20 man over de brug. Geen kwartier later vliegt de damp uit de schoorstenen.

Op de nieuwsberichten van de BRT-radio wordt om het uur meegedeeld dat de staking in Balen is beëindigd. Twintig man kan geen fabriek doen draaien. Samen met de bedienden stoken ze autobanden en vuile olie op. De grote meerderheid blijft buiten. In de namiddag groeit de massa aan door de valse nieuwsberichten. Vooral de mannen die negen weken met hun voeten op de stoof hebben gezeten, hebben nu hun kabas met boterhammen al bij.

Ik moet deze situatie redden:

‘Kameraden, wij hebben bekomen waarvoor we negen weken hebben gestaakt: 10 frank per uur en gelijkschakeling. Vooral de mannen die hier in regen en kou piket hebben gestaan, moeten we bedanken. Uit colère om het bedrog hebben veel van hen tegen het voorstel gestemd. Kameraden, uit solidariteit met hen staken we vandaag nog. Morgen stappen we samen de brug over. Met deze staking hebben we getoond wie de baas is in de fabriek. Morgen in de fabriek zullen we dat verder tonen. Niet wij onder mekaar moeten ruzie maken, maar wij samen tegen de baas. Die 10 frank is een overwinning, maar die ommekeer in onze kop nog een grotere. Wie is er vandaag nog bang voor de bazen?’

Die laatste vraag roep ik zo hard in de hoop dat ze doordringt in de glazen toren.

143

Hoofdstuk 8 - Loodziekte (1971) - Inhoud

Na de staking is de wereld veranderd. We verdienen beter. De vakbondsde- legees worden verkozen en eindelijk, na bijna honderd jaar, worden de arbeiders bij ziekte onderzocht op lood, cadmium en arseen.

Vóór de staking bestond er voor de bazen en de fabrieksdokter geen loodziekte, na de staking plots wel. Als een ijverige huisdokter lood in het bloed van zijn patiënt ontdekte, stuurde de fabriek een bediende. Waren de buizen van zijn waterpomp van lood, dan schoof de directie de schuld in de schoenen van het slachtoffer. Vond een dokter teveel cadmium, dan werden de sigaretten als oorzaak ingeroepen. Pas op, de ‘zwarte’, de bijnaam van fabrieksdokter Ramaekers omwille van zijn pekzwarte haar en baard, deed ook al bloedtests, maar niemand vernam iets van de resultaten. Naargelang de uitslag van het bloedonderzoek werden de mensen wel verplaatst binnen de fabriek. Ook al voelden deze ongelukkigen zich nog zo zwak, toch logen ze tegen de ‘zwarte’ dat ze zich terug beter voelden. Immers, een arbeider die van de loodoven naar het onderhoud moest, verloor een flink pak van zijn loon. Het rad van geld, dood en ziekte draaide onafgebroken in de fabriek. Je werkte hard en verdiende iets meer, maar je werd ziek door dat werk. De fabrieksdokter stuurde je naar een minder ongezond werk waar je wel minder verdiende. Deze stoelendans maalde verder tot je te oud of te ziek werd en er voor jou geen stoel meer stond. De fabriek maakte je ziek en daarenboven strafte ze je af voor je ziekte.

Die dans kunnen we ook vandaag niet ontspringen, maar we behouden tenminste ons loon bij verplaatsing. Dat laat de zieke arbeider toe wat te recupereren. Nu verwijst dokter Vos, de huidige arbeidsgeneesheer, geregeld arbeiders voor onderzoek naar Brussel, naar het Fonds voor Beroepsziekten. Enkele jaren na de staking stellen de dokters daar vast dat veertig arbeiders lijden aan cadmiumziekte. Hun nieren zijn zwaar en onherstelbaar aangetast door cadmium, waardoor ze bloed en eiwit plassen. Creperen en sterven doen we nog even goed, maar nu erkent de fabriek tenminste dat die sluipmoordenaars van zware metalen de oorzaak vormen. Af en toe krijgt de vakbondsdelegatie zelfs inzage in de bloeduitslagen van de arbeiders. Daar was vroeger geen sprake van.

Ook de willekeurige afdankingen behoren tot het verleden. Voor een scheet werden vroeger arbeiders aan de deur gezet. Nu volg ik elke afdanking op de voet. Op een morgen komen enkele mensen op me toegelopen: ‘Piet, ze hebben een jongen van de elektrolyse afgedankt. Hij is u al een paar keer komen zoeken.’

Ik stap naar die afdeling en informeer me over deze man. ‘Fik is een prima werkman. De laatste tijd heeft hij zich wel vaak ziek gemeld. Dat is waar.’

’s Avonds zoek ik Fik thuis op. Hij zit aan tafel met zijn twee dochtertjes. Die smullen van wortelstomp met worst. Fik is aangenaam verrast me te zien.

‘Piet, mijn vrouw ligt in de kliniek en ik durf die wichtjes hier niet alleen laten. Ik wou sociaal verlof nemen, maar ge zijt ervan op de hoogte dat de personeelschef die dagen altijd wegschrijft bij ziekte. Nu beweert hij dat ik onwettig afwezig ben.’

De volgende dag ga ik me direct informeren bij de ingenieur van de afdeling die op het ontslag van Fik heeft aangedrongen. ‘Die man is voortdurend afwezig en ditmaal ook nog onwettig afwezig.’

‘Die man is gewettigd afwezig. De personeelsdienst heeft onwettig zijn sociale verlofdagen opgebruikt. En daarbij, kent u zijn familiale problemen?’

‘Daar heb ik niets mee te maken.’ De ingenieur haalt zijn schouders op.

‘Dan heb ik met u ook niets meer te maken.’ Ik stap recht naar de directeur toe. Ik eis en krijg een onderhoud.

‘U bent goed geïnformeerd, mijnheer Poppeliers, ik zal die zaak onderzoeken.’

Enkele dagen later scheur ik eigenhandig Fiks ontslagbrief kapot. Zulk nieuws verspreidt zich als een lopend vuur door de fabriek. Die kleine overwinningen maken ons groot.

De laatste weken hebben we met de ploeg van de Smidse een oude ‘molderij’ moeten ontmantelen. Dit is een afdeling waar de ertsen worden gemengd en gekorreld. Metalen constructies doorbranden, uitkappen en demonteren midden stof en rook. Zelf hebben we als vakbond briefjes verspreid onder de zinkwerkers waarin wordt opgeroepen dat ze zich bij blijvende hoofdpijn, buikkrampen en vermoeidheid tot de bedrijfsdokter moeten wenden voor onderzoek. Nu voel ik zelf deze ziektetekens. Ik ga op consultatie bij dokter Vos. Hij onderzoekt me en neemt een staal bloed. Een week later velt Vos het medisch verdict: ‘Poppeliers, ge hebt loodziekte. Twaalf dagen lang zult ge dagelijks een inspuiting krijgen. Daar zult ge wel terug van opknappen.’

Elke dag na mijn werk stap ik de infirmerie binnen. Ondanks mijn ziekte blijf ik werken. Ik wil de flauwerik niet uithangen en bij mijn mensen blijven.

‘Dokter, ik word slechter in plaats van beter van uw spuiten. Dag na dag krijg ik minder kracht in mijn rechterarm.’

‘Dan zal ik u in de kliniek moeten laten opnemen, Piet.’

‘Maar niet in dat kliniekske van de fabriek.’

Zowat alles wordt in het fabriekskliniekje aan het kanaal behandeld: wondverzorgingen, ongevallen en ziektes, tot bevallingen toe. De fabriek betaalt bijna alle kosten, maar het ziekenhuis is tegelijk één grote vergeetput. Hoeveel arbeiders zijn daar aan lood, cadmium en arseen niet in stilte weggekwijnd? Daar kraait geen haan meer naar.

‘Neen, dokter Vos, ik wil wel naar een kliniek, maar ik wil weten waar ik aan toe ben.’

Het ziekenhuis van Balen-Wezel. ‘Zowat alles gebeurt in het kliniekje aan het kanaal: bevallingen, wondverzorgingen, behandeling van ongevallen en ziekten. De fabriek betaalt bijna alle kosten, maar het ziekenhuis is tegelijk één grote vergeetput. Hoeveel arbeiders zijn daar aan lood, cadmium of arsenicum niet in stilte weggekwijnd?’

Ik besluit met het busje van Jos De Boel van de ziekenkas ‘de Voorzorg’ mee naar de polikliniek van Hasselt te rijden. Daar opent de dokter de verwijsbrief van zijn collega Vos. Zijn zwijgen duurt lang. Hij kijkt me vluchtig aan en zucht: ‘Loodziekte, mijnheer Poppeliers. Ge zijt hier aan het verkeerde adres. Ik zal u een brief meegeven voor de internist van de kliniek in Lommel.’

Negen dagen lig ik daar in een wit bed. Elke dag worden mijn water en bloed onderzocht. Ook hier stelt de dokter voor me met injecties te behandelen. Na mijn ervaring met de spuiten van dokter Vos in de fabriek, wimpel ik deze behandeling kordaat af. ‘Vitaminen’, beweerde Vos.

‘Edta’, verklaarde de apotheker, ‘iets dat tegen loodziekte gegeven wordt. Het zou het lood uit je lichaam drijven.’

Ik ben er enorm bang van, omdat sommige werkmakkers me hebben toevertrouwd dat ze na die inspuitingen zo impotent waren als een gecastreerde kater. De loodziekte die mijn rechterarm verlamt, maakt me bang, maar die spuiten die mijn middelste been dreigen te verlammen, maken me nog veel banger.

Gelukkig kan ik stilaan mijn vingers beter bewegen. ‘Ik voel me al veel beter, dokter. Mag ik naar huis?’

Ik mag naar huis, op voorwaarde dat ik een papier van genezing teken. Genezen ben ik nog lang niet. De buikkrampen blijven wel weg. Mijn rechterarm wint ook aan kracht. Maar kwellende nachtmerries spoken nog door mijn slaapkamer. Steeds droom ik van loodovens, molens, treintjes... de hele zinkfabriek draait ’s nachts op volle toeren in mijn hoofd. Ik zweet, draai en keer.

‘Zeg, Piet, waart ge vannacht weer op de Vielle Montagne bezig?’

Door mijn gewoel in ons bed slaapt Anna ook slecht. De droom van vannacht moet ik kwijt. Het is een van de raarste dingen die ik in mijn leven heb meegemaakt. Bijna ging ik hierdoor weer in tovenarij geloven. Ik zal hem vertellen.

‘Het is stikdonker. In de verte aan de horizon flikkeren en beven groene vlammetjes op en neer. Mijn nieuwsgierigheid stuwt me vooruit. Hoe dichter ik nader, hoe duidelijker ik trommels hoor roffelen en hoge vrouwenstemmen hoor zingen. Ik sluip dichterbij door het struikgewas. Tamtams en zang doen mijn lichaam trillen. Ik duw een tak weg en sta plots oog in oog met een adembenemend schouwspel. Als reuzenhagedissen spuwen hoge stenen ovens groene tongen. De gloeiende brij stroomt in kommen. Gespierde negers blazen op grote pijpen. Als blaasbalgen wakkeren  die het vuur aan de voet van de oven aan. Een tovenaar kronkelt rond de oven als een sissende slang. Schuivend en wiegend danst een rij naakte vrouwen rond de god van het groene goud. Hun hoge, scherpe stemmen zingen: "Op de top van de Kalabi staat een hoge oven, een hoge oven met een dikke buik, een erfenis van onze vader Lupadila, een hoge oven waaruit koper vloeit en vloeit..." Verdomme, nu merk ik het pas, die groene brij, dat is koper, gewoon koper. Hoe is het mogelijk dat ik dat niet herkend heb?’

Met die vraag schrik ik wakker. Het hele schouwspel laat me niet los. Ik wil de zoveelste nachtmerrie wegduwen. Al die zware metalen in mijn lichaam kwellen en martelen mijn geest.

In de namiddag wordt er aan de voordeur gebeld. Dan weten we dat het vreemden zijn, want hier op de buiten komen alle bekenden langs de achterdeur. Zonder te kloppen stappen ze naar binnen en fluiten of roepen als ze geen bewoner bemerken. De voordeur kraakt terwijl ze zwaar over de vloer schuurt. Ik sta even perplex. Een oude neger met deukhoed en lange regenjas lacht me toe. In zijn rechterhand draagt hij een bruine valies.

‘Bonjour, chef, wilt ge wat snoep van me kopen?’

Terwijl hij dit vraagt, opent hij tegelijk de koffer vol exotische snoepjes. Even zie ik spoken. De negers rond de groene vuren flitsen door mijn hoofd. De straatventer merkt mijn verwarde blik op en herhaalt voorzichtig zijn vraag.

‘Komt gij van de Congo?’ antwoord ik met een wedervraag.

‘Ja, monsieur, maar ik probeer nu hier mijn boterham te verdienen.’

Ik ken die zwarte leurders al langer, maar het feit dat deze man juist vandaag langskomt in dit godvergeten gat, maakt me even oerbang.

‘Kom binnen, kom binnen, ik moet u ook wat vragen.’

De man aarzelt, sluit dan toch zijn koffer en stapt mee naar binnen. Aandachtig observeert hij de woonkamer. Die gastvrijheid is hij niet gewoon.

‘Ga zitten. Een tas koffie?’

‘Oui, monsieur, merci, merci...’

De oude ogen van de bezoeker vragen naar verdere uitleg van zijn gastheer.

‘Kijk, vriend, ik had vannacht een rare droom en ik wil u daarover wat vragen.’

‘Mais, monsieur, ik ben wel zwart, maar alle zwarten zijn geen tovenaars of waarzeggers.’

‘Dat begrijp ik, man, maar die droom lijkt me overgewaaid uit Afrika en misschien, misschien kunt u hem verklaren?’

Ik laat hem niet de kans om te weigeren en vertel meteen mijn droom. Met grote ogen volgt hij mijn verhaal.

De Boma, zo noemen we in de Kempen deze zwarte leurders, fronst zijn wenkbrauwen.

‘Uw droom is geen droom, maar werkelijkheid, monsieur. U hoeft me niet te geloven, maar ik verzeker u dat reeds in de 15de eeuw op die manier in Katanga zink werd gemaakt. Ik herken in uw droom de verhalen van mijn grootvader. Elk jaar in de maand mei, als de sorghumoogst was binnengehaald, verklaarden de dorpshoofden de kopercampagne voor open. Dan stond het ganse dorp enkele dagen in rep en roer. Al het materiaal werd terug bovengehaald, gekeurd en hersteld: hakken en houwelen, manden om de ertsen te vervoeren en blaasbalgen uit antilopenhuid. De vrouwen kookten proviand voor de reis. De tovenaars riepen de mijngeesten op: "Gij zijt ons voorgegaan. Gij hebt de poorten van het gebergte geopend voor uw kinderen. Wijs ons terug die schatten aan." Na enkele dagen vertrok een lange karavaan naar de groene bergen. Vlak bij een bergriviertje werd een voorlopig kamp opgeslagen. Zonder verpozen begonnen de kinderen en de vrouwen ertsblokken van de bovenlaag te verslepen. De mannen groeven grachten en putten tot dertig meter diep. Alleen pure malachiet werd verzameld en opgestapeld.’

Met verstomming luister ik naar het Afrikaans verhaal. Even aarzelt mijn vreemde bezoeker om verder te vertellen als hij mijn extase bemerkt. Mechanisch herhaal ik: ‘Alsjeblieft, ga verder, ga verder...’

‘Monsieur, maanden duurde dit labeur. Twintig tot dertig ovens van twee meter hoogte werden opgebouwd. Zoals hier in de Middeleeuwen vormden deze mijnwerkers en metaalbewerkers ook een ambachtsgilde. "De kopervreters" werden ze genoemd. Aan het hoofd van elke ploeg ovenmannen stond een meester-smelter. Hij was ingewijd in de eeuwenoude, strenge riten. Onderaan in de oven kwam een laag gloeiende houtskool. Daarboven werden een vijftigtal kapotgeslagen blokken malachiet gestrooid. Een dichte rookpluim steeg dan ten hemel. De top werd gedicht met stukken termietennest en tenslotte klei. Alleen aan de voet van de oven waren er vier gaten, waarin buizen zaten. Daaraan werden de blaasbalgen van antilopenhuid bevestigd. Ondertussen wierp de meester-smelter heilige vruchten in de oven en besprenkelde hem met wijwater. Met gezangen en kreten moedigden de ovenmannen de blazers aan. Zo steeg de spanning ten top. Zullen de aanbeden berggeesten eens te meer hun macht en kracht tonen? Als de groene sulfervlammen uit de ovens sloegen, was het alsof de geesten tussen hen ronddwaalden in die tropische nachten. De ovens bromden en hijgden als getergde leeuwen. Tot plots een beekje koper als bij een mirakel uit het gemartelde lichaam van de oven vloeide...’

‘Verdomme, hoe is dat mogelijk. Dat is het, dat is het. Dat heb ik in mijn droom gezien. Maar wat ge nu vertelt, is dat een sprookje of een legende? Was uw grootvader daarbij?’

‘Mais, oui, mais oui, monsieur... zeker! Mijn grootvader was zelf een kopervreter. Generaties voorouders hebben eeuwenlang op die manier koper geproduceerd. Met de kommen gestold koper vertrokken de karavanen dan terug naar hun dorpen. Daar werd het opnieuw gesmolten en gezuiverd in kleinere ovens en ten slotte in de vorm van staven, draad, hakken, kogels en halsbanden gegoten. Naar het westen, dwars door Angola, vertrokken er karavanen met vijf tot tien ton koper naar de kust van de Atlantische Oceaan. In de archieven van de West-Indische Compagnie in Den Haag werd reeds in de 16de eeuw melding gemaakt van belangrijke transporten koper vanuit de havens aan de westkust. Noordwaarts werd het Katangese koper geëxporteerd tot aan Ivoorkust. In oostelijke richting bereikte het de Indische Oceaan, vanwaar het vanuit de haven van Malindi naar Indië werd verscheept.’

‘Ik had me nooit kunnen voorstellen dat in Afrika al eeuwen koper werd gemaakt. In de school hebben de paters en nonnekes ons altijd geleerd dat de Belgen de beschaving in Congo hebben gebracht. Ik dacht dat Congo voordien een wildernis vol wilden was.’

Ik heb het nog moeilijk om het verhaal van Boma te geloven. ‘Beschaving? Ons koper, zink, kobalt, zilver en goud stalen ze en ze maakten ons tot slaven. Uw tweede Koning van België, Leopold II, was een van de grootste rampen voor Afrika.’

‘Hebt gij zelf ook in de mijn gewerkt?’

‘Mais, oui, monsieur...’

‘Monsieur, monsieur, die ken ik niet. Zeg maar Piet. Of hoe is dat in ’t Frans? Pierre?’

‘Bon, monsieur Pierre... Oui, ik heb zestien jaar in de mijn van Kipushi gewerkt. Oh, oui, in België wordt ze de "Prins Leopold-mijn" genoemd sinds het bezoek van de jonge Leopold III in 1925. Het was een ondergrondse mijn met fantastisch rijke ertsaders. Mijn gezondheid ging er echter

De kopervreters werden ze genoemd. Aan het hoofd van elke ploeg ovenmannen stond een meester-smelter.

‘Ik heb zestien jaar in de mijn van Kipushi (in Congo) gewerkt. In België wordt ze de Prins Leopold-mijn genoemd sinds het bezoek van de jonge Leopold III in 1925'

151

snel achteruit. Daarom ben ik machinist geworden op de trein naar de havenstad Boma. Met mijn spaarcenten ben ik later ingescheept voor België om hier mijn geluk te wagen.’

‘En zijt ge hier gelukkig, Boma?’

‘Ik verdien genoeg om mijn familie wat geld te sturen, dat wel. Maar ik mis Congo. Het is als een geliefde ver over zee. Ik mis haar geuren, kleuren en geluiden. Soms tracht ik de fijne parfum van de oranjebloesem op te snuiven of de walm van brandend hout ’s avonds rond het kampvuur. Soms meen ik de modderlucht van de stroom te ruiken of voel ik de droge avondwind uit de brousse mijn haar strelen. Soms meen ik in de verte het trommelen en hommelen van de tamtam te horen of dan weer de zangerige klacht van een vrouw diep uit de aarde. Of de roep van nachtdieren: het geschrei van de luierik op zoek naar een wijfje en het bange geblaf van jakhalzen. Soms kijk ik hier naar de maan en kan moeilijk geloven dat het dezelfde maan is als in Afrika. Bij ons is de maan een godin. Geen godin die de mensen bespioneert, want ze heeft geen ogen. De maan is een menselijke godin. Ze wordt stilaan geboren, groeit tot een volle maan om weer af te sterven. Bij volle maan betovert haar pracht de nacht. Ja, monsieur Pierre, ik mis Afrika.’

‘Monsieur Boma, gij weet zoveel over Congo en zijn geschiedenis. Hoe is dat mogelijk?’

‘Monsieur Pierre, ik zal u iets verklappen wat ik geen enkele Belg ooit verteld heb. U herinnert zich misschien dat kort na onze onafhankelijkheid in 1960 onze eerste president Patrice Lumumba door soldaten van adjudant Mobutu werd vermoord. Die legeropstand was bedacht, betaald en geleid vanuit Brussel en Washington. Drie jaar later heb ik me bij een verzetsgroep aangesloten. Die stond onder leiding van de Nationale Bevrijdingsraad van Pierre Mulele. Toen we er in 1964 in lukten Kisangani te veroveren, stuurde de Belgische regering van Lefèvre en Spaak Amerikaanse C130’s vol para’s op ons af.

De meeste opstandelingen waren jong en onervaren. Het werd een slachting. Ik kon vluchten. Nog één jaar hield ik het vol in de maquis rond het Tanganikameer ten noorden van Shaba. Teruggekeerd in mijn geboortestreek van Jadotstad, vreesde ik voor verraad en besloot naar België te vluchten. Hier las ik alle kranten en boeken die ik over mijn land vond.’

‘Monsieur Boma, wij...’

‘Mijn naam is Jean-Baptiste, Pierre. In Brussel noemt iedereen me gewoon Jean.’

Enkele Belgische para’s bereiden zich voor op de strijd. Toen de vrijheidsstrijders onder leiding van Mulele er in 1964 in lukten Kisangani te veroveren, stuurde de regering van Lefèvre en Spaak Amerikaanse C130's vol Belgische para’s op hen af.

‘Bon, Jean, gij en ik, wij hebben veel gemeen. We werkten allebei voor Union Minière, maar we hebben ook allebei gevochten tegen dezelfde bazen. We zijn allemaal kopervreters.’

Jean knikt. Ik voel dat onze harten op hetzelfde ritme bonzen. De twee mannen zitten enkele seconden zwijgend tegenover mekaar.

‘Jean, gij zijt wel een tovenaar. Gij hebt niet alleen mijn droom verklaard, maar me ook genezen. Ik voel me precies al veel beter.’

‘De blanke en zwarte arbeiders van Union Minière hebben meer banden met mekaar dan met hun blanke of zwarte bazen. Lijden en vernederd worden, maar toch terugvechten, dat is de beste medicijn, Pierre.’

‘Verkoopt gij pillen of snoep? Toon me eens wat ge allemaal bij hebt!’

Ik koop tien pakjes snoep. Jean bedankt me. We nemen afscheid. Nadien loop ik te ijsberen door het huis. Ik voel me zalig gelukkig, maar toch onrustig. Ik had zijn adres moeten vragen.

‘Wat ligt al die snoep hier?’ Ik heb niet gehoord dat Anna is thuisgekomen.

‘Oh, gekocht van Jean.’

‘Jean? Welke Jean? Ik ken gene Jean.’

Hij verkocht dat voor Congo.’

‘Voor de missies?’

‘Neen, Anna, niet voor de missies, voor de goei zaak in Congo.’

Anna geeft de moed op. Ze haalt haar schouders op, zucht en legt de snoep in de keukenkast.

Hoofdstuk 9 - De vakbond (1971-1972) - Inhoud

De duiven stappen kirrend in het rond. Hun borsten en kelen zwellen. Hun ogen glanzen. Hun paringsdans intrigeert me. Hoe sterk pronkt en vecht elk dier niet om zich voort te planten? De mannetjes tonen hun kracht, de vrouwtjes hun pracht. Bij de mens ligt dat anders: sommige willen meer. Zij willen geen nest, maar een kasteel. Zij willen niet alleen genoeg voedsel voor hun kroost, maar bergen voedsel om te woekeren. Zij willen niet alleen genoeg geld voor hun gezin, maar geld om de halve wereld te bezitten. Maar wij, Kempense boeren en arbeiders, wij zijn duiven gebleven. Wij dansen en vechten om een vrouw te verleiden en te beminnen. Wij zijn content met genoeg geld om een nest te bouwen en onze kroost groot te trekken.

Boven mijn duivenhok merk ik hoe de wind de rookpluimen van de fabriek aan flarden scheurt. Ik bedenk dat Griffier en Joris ook maar een bijrol spelen in het toneelstuk van onze fabriek. De echte hoofdrolspelers zijn onzichtbaar. Zo onzichtbaar als góden. De oude góden als de zon, de maan, donder en bliksem zijn gedegradeerd tot een stuk weerbericht. De eeuwige God van onze voorvaders, ‘Onze Vader, die in de hemelen zijt’, vindt in zijn kerken meer museumbezoekers dan aanbidders. Over deze wereld heersen nieuwe góden die ons doen lachen en wenen, vechten en vluchten, leven en sterven. Op mijn bankske in mijn tuin vraag ik me even af of mijn ziekte misschien een straf is van de nieuwe góden. Door te staken heb ik gezondigd tegen hun heilige wetten van concurrentie en winst.

Hun tempels en kerken zijn de banken. Hun kathedraal de beurs. Hun priesters bankiers, speculanten en renteniers. Ik zucht diep.

En wij, arbeiders? Waar staan wij? Meer en meer van mijn makkers lopen over naar dit nieuwe geloof, de ene in de ijdele hoop ooit zelf priester te worden, de andere in het valse geloof dat geluk te koop is. In onze metaalfabriek lopen, springen en dansen we op het tromgeroffel van de nieuwe góden. In de koolmijnen kruipen, wroeten en boren we tot aan de poorten van de hel. Zelfs onze vrouwen maken munitie voor de oorlog en rollen de sigaren voor de priesters van het oude en nieuwe geloof.

Aan het gehucht ‘de Blauwe Kei’ staat een cirkel van stenen waar onze jagende voorouders zoenoffers brachten aan de zon en de maan. Later was het boerenleven één groot zoenoffer dat rijkdom en weelde bracht in kloosters en kastelen. Nu zijn wij het nieuwe zoenoffer. Nu doet ons zweet en bloed nieuwe paleizen voor de nieuwe rijken verrijzen. Ik droom van een wereld zonder zoenoffers aan de zon, zonder slavenarbeid op het land van paters en baronnen, zonder loonarbeid in de fabrieken van bankiers en renteniers. Ik droom van een wereld waar de zon en de maan, de grond en de fabrieken van iedereen zijn. Ik droom van een wereld zonder góden die verblinden, zonder priesters die preken, zonder rijken die verknechten... Ik droom van een wereld waar het goed is voor iedereen die werkt voor zijn boterham.

Ik wandel en pieker. Ik bewonder mijn prei en selder, mijn sla en wortelen. Als ik ga vissen aan het kanaal voel ik me jager, hier in mijn tuin een boer en ginder in Vieille Montagne een arbeider.

‘Piet, komen eten. Waar blijft ge? Uw soep wordt koud.’

Uit de kordaatheid van de stem van mijn vrouw maak ik op dat het niet de eerste keer is dat ze me roept. Fluitend stap ik over het grasveld. Ik voel dat mijn krachten hernemen. Ik zal blij zijn terug aan de slag te kunnen. Die fabriek is als een hoer: ze maakt me ziek en kapot en toch lokt ze me in haar vreemd bed. De kameraadschap op het werk wakkert gevoelens van warme verbondenheid aan. ‘Piet, wat zit ge weer te dromen? Uw soep wordt koud.’

De zomer van 1971 is een bloedhete zomer in de Kempen. Het is alsof elke fabriek de fakkel van de revolte wil overnemen. Elke staking verbreekt de opgelegde vrede van akkoorden tussen vakbondstop en patronaat. In 1970 waren er alleen al in de metaalsector 48 stakingen, waarvan 31 wilde. Maar dit jaar, 1971, gaan 89 fabrieken in staking en daarvan zijn 84 wilde stakingen. Van 1969 tot 1972 is er een piek in het aantal stakingsdagen in België. Gemiddeld wordt er die drie jaren 1,3 miljoen dagen per jaar gestaakt, hetgeen voordien rond de 200.000 lag. Juist in die periode van juni 1968 tot januari 1974 zit de BSP steeds mee in de regering. Hun ministers en vakbondsleiders vormen een dijk om deze vloedgolf van stakingen mee op te vangen. In 1945 had BSP-minister Spaak luid van de daken geschreeuwd dat het ogenblik aangebroken was om het probleem van de macht te stellen. Na 26 jaar ononderbroken deelname aan Belgische regeringen heeft de BSP vooral de macht van het kapitaal en de staat vergroot. Het aantal rijkswachters is gestegen van 12.800 naar 18.800. En die komen nu goed van pas. De laatse jaren ziet de Kempen zwart van rijkswachters. Bij elke staking doemen ze op om het piket te intimideren of uit mekaar te kloppen, om werkwilligen binnen te loodsen en stakingsleiders en leden van Amada op te pakken.

Op 23 juni leggen de arbeidsters van Bell Telephone in Geel spontaan het werk neer. De vakbondstop roept op tot werkhervatting, maar ’s anderendaags liggen ook de Bell-fabrieken van Gent, Antwerpen en Hoboken plat. Op 24 juni start een wilde staking in de glasfabriek Glaverbel van Mol. Een stakerscomité van arbeiders en Amada leidt de staking gedurende vier weken. Op 29 juni volgt de flessenfabriek van Mol en op 6 juli de uitlaatfabriek Bosal in Geel. Die zomer constateer ik dat onze staking in Balen geen alleenstaande brand is, maar dat de Kempen één vuurhaard is. Overal zijn de werkende mensen het beu door het patronaat, maar ook door de vakbondstop, betutteld en bedrogen te worden. Looneisen komen steeds naar boven, maar ook eisen om een menselijker behandeling in de fabriek. In 22 stakingen in die jaren ’70-’71 staat een conflict met de vakbondstop vooraan op de agenda. Hoe kon het zover komen?

Met het sociaal pact van 1944 startte een verzoeningspolitiek tussen het patronaat en de arbeidersbeweging, gepatroneerd door CVP en BSP. Deze waren ideaal geplaatst om de vakbonden aan de leiband te houden. De houding van die partijen en de hondstrouwe syndicale top van ABVV en ACV zal al die jaren bij wilde stakingen niet verschillen van die van het getroffen patronaat: werkwilligen beschermen, piketten veroordelen als ordeverstoring, oproepen tot werkhervatting, referenda organiseren, militante arbeiders en delegees intimideren en zelfs uitsluiten, fors uithalen naar partijen en groepen die de staking wel steunen.

Tijdens onze staking hebben we op de meeting in het college De Valk in Leuven samen met studenten en leraars het Groot Arbeiderscomité, het GAK, opgericht. Hiermee willen we een antwoord geven op die tactiek van patronaat en vakbondstop. Het GAK neemt de verantwoordelijkheid op zijn schouders om alle arbeiderscomités in België te verenigen: ‘met het vooruitzicht te strijden voor de onmiddellijke belangen van de werkers en om de mensheid te bevrijden van het kapitalistisch systeem.’ Jef Sleeckx is een van de grote bezielers van het GAK. Krachtig waarschuwt hij dat ‘de beslissende elementen van de vakbondsleidingen ideologisch en materieel totaal in de burgerlijke democratie zijn ingeschakeld.’ Ondanks het revolutionair elan van deze beweging kiest Jef nadien toch juist de weg van de burgerlijke democraten en stapt in de BSP van Willy Claes.

Die zomer van 1971 ga ik vaak samen met leraars en studenten van het GAK steun bieden aan de stakingspiketten in de Kempen. Ook op andere plaatsen in het land rijzen de comités van arbeiders en intellectuelen als paddestoelen uit de grond: in Forges de Clabecq, Michelin in Brussel, Caterpillar in Charleroi, Cockerill-Yards in Hoboken, Bell-Geel en later Boel in Temse en Ford in Antwerpen. Door meetings, solidariteitsacties, betogingen en volkskampen komen duizenden arbeiders voor het eerst in contact met een wereld waarin zij ditmaal de hoofdrol spelen. Wij rijden van de ene staking naar de andere meeting. Op enkele jaren tijd heb ik mijn auto versleten. Ons Anna klaagt steen en been dat ik nooit thuis ben. Toch trachten we zoveel mogelijk onze vrouwen bij de activiteiten te betrekken. Zonder hun steun draait onze beweging vierkant.

Rust ken ik dat jaar niet. Op 14 september 1971 gaat de scheepswerf Boel in Temse in staking. De stakers eisen inspraak en betere arbeidsomstandigheden. Na een paar dagen staking kijken zowel patronaat als vakbondstop aan tegen een strijdbaar stakingscomité van ACV- en ABVV-delegees. Met enkele kameraden van het GAK reizen we naar het ochtendpiket in Temse om er onze steun te betuigen. Daar leer ik ACV-hoofddelegee Jan Cap kennen. Hij zal steeds een vriend blijven.

De vakbondstop wuift ook deze staking weg als het werk van ‘kuiperijen van extremisten’. Het VBO, het Verbond der Belgische Ondernemingen, schrijft zelfs een brief naar alle bedrijven van het Waasland met de uitdrukkelijke vraag niemand van Boel tijdelijk in dienst te nemen. Vandaag trachten BOB en rijkswacht tweedracht te stoken onder het piket, morgen knuppelen hun gummistokken het piket uit elkaar.

Ik nodig de Boelstakers uit om samen met ons aan de Vieille Montagne een steunomhaling te organiseren. Met Jan Cap en zijn maats spreek ik af om in de vroege uurtjes bij mij thuis samen te komen. Na een stevig ontbijt van spek met eieren trekken we samen naar de ochtendploeg van de fabriek. ‘Jongens, denk erom, gij weet wat staken betekent. Nu hebben deze mannen van den Boel onze steun nodig’, schreeuw ik door de megafoon.

Bijna iedereen stopt voor de brug en tast in zijn portemonnee, ’s Namiddags hebben we 12.000 frank steun opgehaald. De Boelstakers vliegen

Piet Poppeliers, Jan Cap, zijn vrouw Diane en uiterst links Anna Fonteyn, de vrouw van Piet. ‘Dit is niet mijn engelbewaarder die zo reclameert. Dit is ons Anna of misschien zijn die twee wel een en dezelfde. Zonder de steun van onze vrouwen thuis houden we het hier aan de poort niet vol. ’

me om de hals. Samen zingen we de Internationale voor de brug van Vieille Montagne. Maar liefst elf weken blokkeren de scheepswerkers de poort van de Boelwerf. Later, na de staking, zal de ACV-top haar eigen ACV- delegatie van Boel aan de deur zetten.

In de eerste vrije vakbondsverkiezingen na de staking in Vieille Montagne word ik verkozen. 562 stemmen haal ik van de in totaal 1.180 stemgerechtigden. Dat een verkozene zoveel stemmen scoort, is nog nooit gebeurd. Ik ben blij, vooral omdat het een erkenning is voor al ons werk tijdens de staking. Door die verkiezingsuitslag voel ik me gesterkt. De patroon weet nu dat als hij aan mijn oor trekt, er vele oren pijn voelen. Veel letters heb ik nooit gegeten en ik besef nog steeds dat ik een kloot ben, maar toch een vernuftige kloot. Nu ik als hoofddelegee plots veel werktijd vrijgesteld krijg voor mijn syndicaal werk in de fabriek, heb ik het daar moeilijk mee. Aanvankelijk ga ik toch eerst enkele uren werken, maar de andere delegees dwingen me om al mijn tijd te wijden aan het vakbondswerk. Soms voel ik me erg nuttig: als ik het werk op een afdeling kan stilleggen om stofmetingen en gasmaskers te eisen of als ik voor gevaarlijk werk een loonsverhoging van 50% klaarkrijg. Soms zit ik gevangen in prullerij van papierwerk, hoewel ook die kleine hulp voor sommige makkers veel betekent. Een behoorlijk aantal zinkarbeiders kunnen immers niet lezen of schrijven. Dan komen ze op hun kousenvoeten met hun loonbriefje af.

‘Zeg, Piet, hoeveel loon en hoeveel premie heb ik deze maand? Ik zie dat niet goed.’

Dan leg ik ze dat telkens opnieuw geduldig uit en vraag nooit of ze niet zelf kunnen lezen. Als ik ze daarna gelukkig zie, deelt mijn hart in dat geluk. Een van hen, de Fik, is zo achterdochtig dat hij daarna nog eens uitleg gaat vragen aan een delegee van het ACV. Op een dag moet de ploeg van Fik een heel vuil werk uitvoeren. Ik kom daar toe en schrijf met krijt op een betonnen balk: ‘Voor vuil werk, meer loon’. Even later passeert Fik daar, hij staart naar die witte letters en veegt kwaad met zijn mouw ‘loon’ uit.

‘Fik, waarom doet ge dat nu?’ vraag ik hem geprikkeld.

‘Fik is helemaal niet zot, gij denkt dat ik niet kan lezen, zeker!’

Veel mooie momenten brengt het vakbondswerk met zich mee, maar ook veel ambras en problemen. Zo leer ik mijn soldaten wel kennen. Op een dag geef ik uitleg aan een groepje arbeiders. Als daar een baas langskomt, grijpt een van de toehoorders vliegensvlug een schop en hervat het werk alsof zijn leven ervan afhangt. ‘Wat is hier aan de hand, Poppeliers?’

‘Luister, mijnheer Joris, deze mensen hebben mij uitleg gevraagd en het is mijn plicht die te geven. Voor de rest gaat u dat geen bal aan.’

Zonder hem nog aan te kijken stap ik naar de man met zijn schop.

‘Mouwfrotter, ik geef die uitleg geen twee keer. Leg die schop neer en kom mee luisteren.’ Met een kop zo rood als een tomaat vervoegt de bange haas terug onze rangen. Het gebeurt wel vaker dat ik met mijnheer Joris in de clinch ga.

Als Marcel Vertommen voor de derde maal te laat komt, wil Joris hem ontslaan. ‘Met zulke mannen kan ik hier niets aanvangen, Poppeliers.’

‘Mijnheer Joris, ik ken het gezin van Marcel. Hij heeft veel problemen thuis met zijn vrouw en vier kinderen. Als hij zonder werk valt, kan hij zijn toestand helemaal niet meer de baas. Als hij zich morgen uit wanhoop in het kanaal verdrinkt, stel ik u verantwoordelijk.’

Mijn chanterende uitlatingen doen Joris’ kop rood oplopen. ‘Poppeliers, ik geef hem nog één kans, de laatste kans...’

‘Voor mij is het nooit de laatste kans.’

Enkele weken later komt Marcel weer te laat. ‘Mijn vrouw ligt in de kliniek en omdat mijn kinderen bij mijn schoonbroer worden opgevangen, ben ik daar ook gaan overnachten. Ik geef toe, Piet... we zijn opgestaan om op tv naar de boksmatch van Cassius Clay te kijken en... ’s morgens hebben we ons verslapen.’

Met dat verhaal van Marcel stap ik naar het bureau van Joris. ‘Mijnheer Joris, hoeveel zijn er vanmorgen nog te laat gekomen? Vannacht was er een boksmatch die rechtstreeks werd uitgezonden. Dat hebt ge me niet verteld, hé!’

‘Poppeliers, ik had u verwittigd. Die man speelt niet alleen met mijn, maar ook met uw voeten. Beseft ge dat?’

‘Dat kan me niet schelen, maar hij blijft hier werken.’

Marcel is zelf een sukkelaar. Omdat zijn vrouw voortdurend ziek blijft, worden zijn kinderen in een opvangcentrum in Rekem geplaatst. Op een dag komt hij zonder te verwittigen een ganse dag niet opdagen.

‘Ik ben mijn kinderen gaan bezoeken in Rekem, Piet.’

Terwijl ik deze verontschuldiging aan Joris opbiecht, is hij me deze keer te vlug af. Hij laat ondertussen een bediende naar Rekem telefoneren. Marcel was er die dag niet op bezoek geweest. Marcel wordt nu onherroepelijk ontslagen.

‘Maar ik eis dat hij in het huis van de fabriek mag blijven wonen.’

Vieille Montagne bezit 403 woningen in Balen-Wezel, niet minder dan 80% van het totale aantal. Een derde van de grond in Wezel is eigendom van de fabriek. Wie als arbeider zonder woning komt te staan, zit in slechte papieren. Sinds een tiental jaren stelt de directie een renteloze lening van één miljoen ter beschikking van elke arbeider die zelf een huisje wil bouwen. Die vrijgevigheid heeft een keerzijde: zo wordt de zinkarbeider niet meer als huurder, maar als schuldenaar aan de fabriek geketend.

Toen ik in 1977 op brugpensioen werd gesteld, woonde Marcel met zijn gezin nog in dat huis van de Vieille Montagne. Veertien dagen later kreeg hij het bevel de woonst te ontruimen.

In de parochiezaal van Balen-Wezel timmert een groepje vrijwilligers van het GAK aan het decor voor een toneelstuk over onze staking. Groenten uit Balen is de titel van het stuk. Het werd geschreven door Walter van den Broeck, ook een schoolmeester. De première gaat door op 8 januari 1972. Met de opbrengst mogen we de kas van ons arbeiderscomité spekken. Door onze strijd hebben we als Balense zinkarbeiders de universiteit van

In de parochiezaal van Balen- Wezel timmert een groepje vrijwilligers (rechts Piet) van het GAK aan het decor voor het toneelstuk Groenten uit Balen over onze staking. (Foto Jef Geys)

Leuven, de scheepswerven van Boel en een vakbondsdelegatie uit Denemarken leren kennen. De staking heeft onze wereld vergroot. Dat er zelfs een toneelstuk over onze staking is geschreven, streelt onze ijdelheid, maar bewijst vooral de impact van zulke stakingen op de maatschappij. Zelfs de BRT heeft het toneelstuk gefilmd en enkele weken later op tv uitgezonden. De beweging toont haar biceps en die lijkt elke maand nog toe te nemen. Maar achter de coulissen van ons toneelstuk worden complotten voor een tegenbeweging gesmeed.

Toen de studentenleiders in 1968 de beweging van Leuven Vlaams ombogen van een Vlaams-nationalistische naar een sociale beweging, van ‘Walen buiten’ naar ‘Bourgeois buiten’, zochten sommigen steun bij de BSP. Bij partijvoorzitter ‘Kop’ Van den Eynde vingen ze bot: ‘Het was katholiek, langharig en had geen partijkaart. Wat moest hij daarmee?’ De Kop zag voor de revolterende jeugd geen rol weggelegd in zijn toneelstuk. En de nieuwe generatie van jonge BSP-leiders zoals professor Simonet uit Anderlecht en Willy Claes uit Hasselt? Viel daar geen heil van te verwachten?

Bij de vorming van de regering Eyskens-Cools de 21ste januari 1972 wordt de jonge Claes direct minister van Onderwijs. De naoorlogse wet van 19 maart 1954 had kinderen van arbeiders, zoals Claes zelf, de kans gegeven om verder te studeren. De ‘prins-student’ zag naast zich op de banken de ‘arbeider-student’ verschijnen. In 1963 kreeg één op drie universiteitsstudenten een studiebeurs. Deze nieuwe student had geen geld om pinten te pakken en te bissen of trissen. En welke maatregel neemt de piepjonge minister Claes? Hij verdriedubbelt het inschrijvingsgeld aan de universiteit tot 5.000 frank, hij voert een numerus clausus in voor vreemde studenten en krimpt de kredieten in voor de sociale sector van de universiteiten... De tegenbeweging komt uit de startblokken, maar onze beweging blijft groeien.

Na de grote mijnstaking in de winter van 1970 en onze staking in de winter van 1971, gaan de 1.250 chemiearbeiders van Tessenderlo op 25 januari 1972 een bikkelhard gevecht aan met hun bazen. Een derde hete winter kondigt zich aan. Ook deze stakers lanceren de eis van 10 frank loonsverhoging, maar het gaat hen om meer dan om de centen alleen. Vooral het hoog aantal arbeidsongevallen met afschuwelijke brandwonden en oogletsels, de vele longziekten en het moordende werktempo zijn ze kotsbeu.

Dit chemisch bedrijf ligt geplakt tegen de dorpskom van Tessenderlo. Als de wind in de verkeerde hoek zit, spoken rossige dampen met de stank van rotte eieren door de straten. Als een tijdbom tikt die fabriek. Iets meer dan dertig jaar geleden, op 29 april 1942, tijdens de nazi-bezetting, is het gebeurd: de fabriek ontplofte. 189 doden, 21 vermisten en 900 zwaar gewonden was de eindbalans. Honderden woningen lagen plat. Toch besliste de directie de fabriek op dezelfde plaats terug op te bouwen.

De chemiepatroons behandelen hun arbeiders onmenselijk voor de staking, maar ook tijdens de staking. Een kaderlid scheurt met zijn wagen op het stakerspiket in: een arbeider blijft zwaargewond achter. Een vrachtwagenchauffeur wordt tegengehouden door het piket. Hysterisch schreeuwt een directielid hem toe: ‘Rijd ze maar allemaal kapot!’

Stakers die een huis van de fabriek bewonen, krijgen een dreigbrief in hun brievenbus.

Langs koppelbazen ronselt de chemiepatroon onderkruipers. Die logeren in de kantine van de fabriek en krijgen er gratis eten en slapen. Bij het uitbreken van de staking is de regering van CVP en BSP juist drie dagen oud. Ze staat bol van de ‘socialistische’ ministers: Cools op Binnenlandse Zaken, Simonet op Economische Zaken, Vranckx op Justitie en Claes op Onderwijs. Toch sturen ze de stakers geen steun, wel de rijkswacht. Die maakt van Tessenderlo een bezet dorp. Ze loodst vrachtwagens buiten en rammelt het piket uit mekaar om ratten(12) te beschermen. De rijkswachtterreur is zo schandalig dat zelfs de ACV-vakbondssecretaris Nouwen zich geroepen voelt om klacht neer te leggen bij de procureur des Konings te Hasselt. Maar de Kempense chemiea.rbeiders plooien niet voor de dreigingen van hun patronaat en de matrakslagen van de rijkswacht. Na de Kempense mijnwerkers en de metaalarbeiders zijn deze chemiearbeiders vast besloten hun oude ketens te verbreken. Een stakerscomité van vakbondsverkozenen neemt vanaf de eerste week de staking in handen.

‘250 studenten geneeskunde uit Leuven, Luik, Brussel en Antwerpen stapten in stoet van Geel naar Tessenderlo om er de stakers te steunen en te protesteren tegen de verhoging van de erelonen. De betoging werd georganiseerd door de vereniging van Vlaamse Studenten. In slogans werd beweerd dat de geneeskunde in dienst staat van het kapitaal.

Op donderdag 17 februari ben ik in Tessenderlo een kijkje gaan nemen. 250 studenten geneeskunde uit Leuven, Antwerpen, Gent en Luik stappen die dag van Geel naar Tessenderlo. Om 5 uur wordt de studentenmars verwacht. Aan de ingang van het dorp wachten we hen op. Pas rond 6 uur horen we hen roepend en zingend dichterbij komen. Hun slogans spreken duidelijke taal: ‘12% voor de dokters: Neen! 10 F voor de arbeiders: Ja!’ De dokters hebben van de nieuwe regering zonder slag of stoot een cadeau van 12% opslag gekregen. Een chemiearbeider verdient gemiddeld 8.000 frank per maand, een dokter 100.000 tot 300.000 frank per maand. Dokters zien dus hun jaarinkomen stijgen met 134.000 tot 432.000 frank. Het inwilligen van de eis van 10 frank loonopslag zou de patroon maar 24.000 frank per jaar kosten.

Wat ik daar in Tessenderlo heb gezien, vergeet ik nooit meer. Het is de handtekening van deze nieuwe tijd. De slogans van de studenten zwellen tot een hoogtepunt van kracht. Dan wordt het muisstil. Treuzelend stommelt de stoet vooruit in de schemering van enkele straatlantaarns. De verkleumde studenten staan verbouwereerd tegenover een donkere, onbekende massa. Als bij een onhoorbaar startschot storten arbeiders en studenten zich in mekaars armen. Met applaus, omhelzingen en schouderkloppen laten de stakers voelen hoe fel ze deze onverwachte steun op prijs stellen. Ik verbijt een traan en lach zenuwachtig.

Hand in hand, schouder aan schouder, lacht, zingt, roept en scandeert de stoet van stakers en studenten Tessenderlo binnen. Vanuit alle zijstraten stromen nu mensen toe. Bejaarden sluiten hun voordeur en spoeden met eendenpasjes de betoging achterna. Kwajongens stoppen hun spel. Moeders met baby’s op de arm en kleuters aan de rok verlaten hun kookpotten. Als in een draaikolk eindigt deze beweging op het dorpsplein. Het opgewekt heen en weer gepraat dooft uit als ACV-vakbondsleider Nouwen het woord neemt: ‘Wij willen liever staande sterven dan op onze knieën voortkruipen...’

Ook arbeiders van Agfa-Gevaert uit Antwerpen en stakers van de Société Carbochimique uit Tertre spreken woorden van solidariteit. In Tertre is reeds op 19 januari een staking losgebroken. Wanneer André Maes, een mijnwerker van Amada, het woord neemt, stormt burgemeester Persoons naar boven en tracht de microfoon uit zijn handen te rukken. Huilend en tierend wordt de burgervader echter tussen twee stevige stakers afgevoerd. Persoons is een welstellende bakker in het dorp. Als een staker hem beschuldigt brood te leveren aan de ratten in de fabriek, beleeft de notabele een ware afgang. Spontaan beschimpen omstanders hem om zijn verradersrol. ‘Wij eten thuis geen rattenvoer. Ge hoeft bij ons geen brood meer te leveren.’

‘Vreet uw rattenvergif zelf op, Persoons.’

Op enkele minuten valt een geëerde burgervader en bakker van zijn sokkel. Als een schurftige hond met ingetrokken hoofd druipt hij af.

Ondanks de bijtende kou op zulke winteravonden warmen de felle toespraken niet de handen en voeten op, wel de harten en hoofden. Wij stappen op naar de fabriek. ‘Geen zeven, geen acht, geen negen, maar tien frank!’ klinkt het uit één mond.

Een kordon rijkswachters met wapenstok verspert ons de weg. Met gehesen spandoeken marcheert het volk door de smalle straat. Tot bij de fabriek geraken we niet. Zonder meelij knuppelen de rijkswachters in op jongeren, ouderen, vrouwen en kinderen. Het roepen en huilen deert deze gedrilde klopmachine niet. Deze brutale charge drijft de massa terug naar het dorpsplein. Een ambulance scheurt loeiend de verlaten straat in. Een oudere man wordt zwaargewond weggevoerd. Als ik later op de avond naar huis wil, moet ik langs een controlepost van de rijkswacht passeren. Waar men in deze dagen gaat langs Kempense wegen, komt men rijkswacht tegen. Het enige antwoord van de regering op deze prachtige mars van studenten en arbeiders is repressie.

Na acht weken staking keuren de stakers nipt een voorstel van 7 frank loonsverhoging goed. Op maandag 20 maart stappen ze terug de poort van Tessenderlo-Chemie binnen.

In 1972 bestaat de moeder van alle Belgische fabrieken, de Société Générale, 150 jaar. Via haar handelsfiliaal Société Générale des Minerais controleert de moedermaatschappij praktisch de hele non-ferro-sector in België. Meer dan 70% van de productie wordt uitgevoerd. Ook in Vieille Montagne dient dit gevierd.

Onze BSP-minister van Onderwijs, Willy Claes, schrijft het voorwoord in de feestbrochure. Premier Gaston Eyskens verklaart op de plechtigheid dat ‘de regering en de Société Générale hetzelfde doel nastreven’. De 20.000 arbeiders van de non-ferro voelen dagdagelijks wel een immens verschil, vooral in hun knoken en hun portemonnee.

In 1960 met de onafhankelijkheid van Congo verloor de Union Minière du Haut-Katanga de directe controle over de ertswinning. In 1966 werden zelfs al haar bezittingen genationaliseerd. Maar van maarschalk Mobutu kreeg de maatschappij drie jaar later een formidabel bedrag als schadeloosstelling. Daarenboven bleef de commercialisering van het Congolese koper in handen van een dochtermaatschappij van de Union Minière.

Begin jaren ’70 gedragen de socialistische ministers zich als handelsreizigers voor de Société Générale. Op 4 april 1972 wonen vice-premier Cools en minister van Ontwikkelingssamenwerking Harmegnies het MPR-congres van de partij van Mobutu bij.

In september van dat jaar vliegt minister van Economische Zaken Simonet naar Kinshasa. Hij wil voor ACEC bestellingen lospeuteren bij het mammoetproject van de Inga-stuwdam. Eind augustus 1973 wordt Eerste Minister Leburton feestelijk onthaald door Mobutu. Hij krijgt zelfs de titel van erelid van de MPR. Als in mei 1974 een kritisch boek over Mobutu van de hand van journalist Jules Chomé in België verschijnt, is Mobutu razend. Leburton springt zijn boezemvriend direct bij. Hij spant een proces aan tegen Chomé. Zelfs stelt de socialistische kopman voor onze wetgeving en desnoods de grondwet te wijzigen om toe te laten zulke boeken te verbieden. In oktober 1974 zit Leburton terug met zijn voeten onder de rijkelijke tafel van Mobutu. In naam van het BSP-bureau nodigt hij een delegatie van de MPR van Mobutu uit op het volgende ideologische congres van de BSP. Als Luk Van den Bossche, de voorzitter van de Jong-Socialisten, een pamflet wil uitdelen tegen de aanwezigheid van de MPR op dit congres, wordt hij door een woedende André Cools als een schooljongen weggejaagd. De brave hoofdredacteur van het weekblad Links mag zelfs zijn toespraak in de prullenmand gooien. Hij krijgt spreekverbod.

Samen met de mensen van Links heeft mijn vriend Jef Sleeckx een Roodboek voorbereid. Alleen de afdelingen Geel en Mol steunen deze tekst op het congres. Toch benadrukt Simonet in zijn slottoespraak dat de linkervleugel van de BSP in belangrijke mate bijdraagt tot de ‘uitstraling van de partij’.

Het tumult op dat BSP-congres herinnert me aan de woorden van Jean, de zwarte snoepventer: ‘blanke en zwarte arbeiders hebben dezelfde blanke en zwarte meesters, wij zijn de kopervreters.’ Leburton stapt in feite verder op de platgetreden paden van zijn voorgangers Vandervelde en zijn illustere dorpsgenoot Joseph Wauters. Vandervelde, Wauters en nu Leburton waren alle drie voormannen van de sociaal-democraten. Alle drie hebben ze voor hun dikke vrienden van de Société Générale baanbrekend werk verricht in Congo: Vandervelde om de kolonisatie goed te praten en op te starten voor de Eerste Wereldoorlog, Wauters om tussen de twee wereldoorlogen de wurggreep van de Société nog te verstevigen en Leburton om het neokolonialisme te installeren na de ‘onafhankelijkheid’ van Congo.

Kort daarop wordt de Belgisch Zaïrese samenwerking verder verzilverd. De Société Générale nodigt President Mobutu uit voor een bezoek aan de koperraffinaderij van Olen. Zaïre blijft de voornaamste leverancier van ruw en verwerkt koper. In Maluku plannen ze zelfs samen een nieuwe koperraffinaderij.

Het voetbalveld van Olen-Fabriek doet dienst als heliport. Midden een sneeuwbui landt de helikopter van Mobutu. CvP-minister Chabert vergezelt hem. Honderden schoolkinderen zwaaien met Belgische en Zaïrese vlaggetjes. Corbiau, Lejeune en Poncelet, de kopstukken van MHO (Metallurgie Hoboken-Overpelt), leiden de Zaïrese president rond in de fabriek. Nadien toasten ze op de goede samenwerking. In Brussel verwelkomt het koningshuis Mobutu met een feestelijk banket. Verleden jaar in de zomer bezochten koning Boudewijn en koningin Fabiola hun vriend Mobutu. De rijken vinden mekaar. Hun vriendschap kent geen grenzen en hun geld en fortuinen nog minder.

Koning Boudewijn en koningin Fabiola op bezoek bij hun goede vriend Mobutu. De rijken vinden mekaar. Hun vriendschap kent geen grenzen en hun geld en fortuinen nog veel minder.

Het zijn kopermonsters. Als een waterval stort de stroom van koper zich in hun schrokkerige magen. In hun extase van hebberigheid proeven ze het zweet en het bloed van de blanke en zwarte arbeiders niet. Hun kolossale darmen en levers verteren dit koper tot goud, geld en kastelen. Boudewijn bezit de fenomenale erfenis van zijn overgrootvader Leopold II. Mobutu bezit in België en Frankrijk tezamen 26 eigendommen, waarvan twee kastelen in het Brusselse. Zijn totale rijkdom wordt geschat op 5 miljard dollar. Blanke en zwarte metaalarbeiders scheppen deze fabuleuze rijkdommen voor een blanke koning en een zwarte president. Ik besef meer en meer dat wie het kapitaal en de fabrieken bezit, ook al het geld en de macht controleert. Geld kent geen kleur. In een ontwerpresolutie van ons Groot Arbeiderscomité hebben we dit in punt vijf als volgt verwoord: ‘Kapitaal, staatsmacht en vakbondsleidingen werken samen om de massa in bedwang te houden en ze uit te buiten. Tegen deze echt bestaande drievuldigheid moet de strijd gevoerd worden.’

Met de toename van het aantal comités in het GAK groeit onze zelfzekerheid midden een onzeker Europa. In Spanje blijft Franco aan de macht. In Griekenland hebben de kolonels de macht gegrepen. In Italië gonst het van de geruchten over een nakende putsch. Het GAK zoekt mee een antwoord op de opmars van rechtse dictaturen in Zuid-Europa: ‘In geval van militaire staatsgreep hebben de comités de plicht om de strijd voort te zetten en om de werkers aan de macht te brengen.’

Het lichaam van het GAK wordt groter en groter, maar het hoofd is steeds minder eensgezind waarheen de benen moeten marcheren en waarvoor de handen moeten werken.

Ik pieker en twijfel hoe het verder moet. Op de vergaderingen van het GAK beweert de RAL (Revolutionaire Arbeidersliga) dat er toch nog heil valt te verwachten van een regering van de linkse krachten en de grote vakbonden. Amada noemt zichzelf een communistische partij in opbouw en verdedigt dat er zonder partij geen organisatie mogelijk is. Soms leer ik bij uit die discussies. Soms vind ik het zinloos gekrakeel dat enkel verdeeldheid zaait. Dan bekruipt me de angst dat die uitbarstingen onze hemel zullen verduisteren en tenslotte het GAK uit mekaar zullen doen spatten.

Ondertussen slooft in het kabinet Eyskens-Cools een andere BSP’er, de Leuvense Justitieminister Vranckx, zich af om de oude wetten aan te passen aan deze nieuwe tijden van revolte en opstand. Vranckx richt een Bureau voor Criminele Informatie op, dat later verrot door corruptie en infiltratie. Hij brengt de rijkswacht als legereenheid onder in een eengemaakt commando. In Brussel wordt plechtig een centrale rijkswachtcomputer geïnstalleerd. De jeugdpolitie wordt versterkt. De BSP-minister dient een wetsvoorstel in om de verblijfsvoorwaarden voor vreemde arbeiders te verscherpen: een contract van maximaal vier jaar bij dezelfde patroon zonder de mogelijkheid van gezinshereniging. Als kroon op zijn werk tegen de subversie komt Vranckx op de proppen met het wetsontwerp 430. Dat wil het bestaan verbieden van ‘groepen waarvan de samengebundelde actie ertoe strekt de openbare orde en veiligheid te verstoren door beroep te doen op geweld.’ Elk stakingscomité en iedere actiegroep kunnen hieronder vallen, ook ons Groot Arbeiderscomité en Amada. Het protest is massaal en blijft aanhouden. In een massabetoging van studenten en arbeiders tegen dat wetsvoorstel 430 stap ik samen met een delegatie zinkarbeiders van Balen door de straten van Leuven. Vranckx moet zijn bekakt wetsvoorstel ophouden.

Door de crisis van de jaren ’30 en de miljoenen doden van de Tweede Wereldoorlog hebben veel mensen alle vertrouwen in het kapitalistisch systeem verloren. Hele generaties kijken op naar de verwezelijkingen van de Sovjetunie, China en Cuba. Hele generaties zien op televisie en in de krant dagelijks de overwinningen van de revolutionairen in Vietnam, Congo, Angola en Cuba. Toch nam de BSP na de oorlog terug de draad op van haar ideoloog uit de jaren ’30, Hendrik de Man. Voor de BSP van de jaren ’70 blijft het kapitalisme de kip met het gouden ei: ‘Geen kip, geen ei’. Dit socialisme noemt zich ‘modern’, maar wil zoals De Man mee en beter die kip voederen: ‘Hoe beter de kip gevoed, hoe meer en hoe groter de eieren’. Evenals De Man verwerpen ze de idee dat de kippenboerderij best eigendom van het volk wordt. Wie met het gros van de eieren aan de haal gaat, staat niet eens ter discussie.

Deze moderne socialisten bluffen dat ze betere kippenboeren zijn dan de kapitalisten zelf. Simonet in de regering-Eyskens en nadien Claes in de regering-Leburton tonen zich als ministers van Economische Zaken voorbeeldige leerlingen van De Man. Dat belooft voor ons.

Hoofdstuk 10 - De nieuwe tijden (1973-1991) - Inhoud

In vijf jaar tijd, van 1968 tot 1973, telt België vier regeringen, alle met BSP en CVP. Het zijn beruchte tijden. Ik zie dat de wereld van boeren en arbeiders een bocht neemt. In drie hete winters rekenen de Kempense mijnwerkers en arbeiders in verbeten stakingen af met de terreur van hun bazen en het verraad van hun vakbondstop. In vier hete zomers bejubelen we Eddy Merckx als hij afrekent met al zijn concurrenten in de ronde van Frankrijk. Die jaren heb ik ook rondom mij veel zien veranderen. Zo heeft de ontdekking van één pilletje zelfs de liefde verbeterd. We kunnen naar hartelust vrijen en samen beslissen hoeveel kindjes onze bruine kan groot trekken. Waarom wordt zo’n pil niet voor het werken uitgevonden? Een pil die plezier geeft in het werk zonder belazerd te worden door de bazen? Dat varkentje moeten we zelf wassen, dat weet ik. Maar hoe? Heeft onze staking echt veel veranderd? Dezelfde hoge pieten trekken aan de touwtjes en dezelfde knechtjes likken hun hielen. Rijke mensen die niet werken, beslissen verder over het lot van arme mensen die wel werken. Fabrieken sluiten, boerderijen verkrotten. Ploegen roesten aan de rand van het veld...

Ons Kempens boerke verdwijnt voorgoed van het toneel. Het landbouwbeleid van de jonge Europese Gemeenschap geeft de doodsteek aan de kleine boeren. Juist na het beëindigen van onze staking in Vieille Montagne op 23 maart 1971, trekken woedende boeren als een orkaan door Brussel. De beelden op tv vergeet ik niet vlug. Het zijn de eerste die ik in kleur zie: rode vlammen en rood bloed. De boeren breken kasseien uit en steken auto’s en trams in brand. Verkeersborden, kiosken en telefooncellen worden neergehaald. Winkels en restaurants worden geplunderd. Koeien worden in stadsparken en kantoren gejaagd. Zonder schroom stormen de boeren af op de politiekordons. Eén Waalse boer, Adelin Porignaux, blijft dood achter. Een horizontaal afgevuurde traangasgranaat trof hem. De organisator van deze betoging, de Belgische Boerenbond, staat paf. Ook hij schuift de schuld in de schoenen van ‘agitatoren, vreemd aan de betoging’.

In het parlement krijgt deze boerenkrijg tegen een regering met de CVP geen applaus op de katholieke banken.

Van de overgrote meerderheid van de Kempense bevolking voor de Tweede Wereldoorlog is de boerenstand nu herleid tot de kleinste klasse. De loonarbeiders hebben hun riek geruild voor een hamer. Kleine boeren verdienen niet langer het zout op hun patatten. De nog overlevende boeren worden eerder contractarbeiders. Zij telen of kweken zelfstandig, maar alles ligt vast in een contract met een grote maatschappij uit de voedingsnijverheid, de Boerenbond op kop. Deze boeren moeten veel investeringen doen om de kop boven water te houden en komen door leningen in de wurggreep van de banken. In 1978 blijven er slechts 100.000 boeren over in heel België. De boerenpsalm is uitgezongen.

De arbeider heeft in onze Kempen bijna een eeuw zijn boerenklompen blijven dragen. Die klompen waren het houten symbool van zijn afkomst en een teken van verknechting. Eeuwen predikten pastoors dat de hemel alleen met zweet en pijn werd verdiend en dat God het zo gewild had. Toen voor de Eerste Wereldoorlog de revolte in zijn geest ontwaakte, heeft de BWP hem het geloof aangepraat dat eigen coöperatieve ondernemingen stilaan maar zeker de kapitalistische ondernemingen in de afgrond zouden duwen. De oude Anseele heeft die stelling nog met vuur verdedigd. Vandaag wordt de jonge Anseele minister van PTT in de eerste regering Eyskens-Cools. Hij zet onze wereld nog meer op zijn kop: met ons spaargeld richt hij privé-ondernemingen op om de staatskas nog beter te plunderen. Samen met de gebroeders Navez uit Bergen start hij de immobiliëngroep III op. Dit is een firma voor bouwpromotie met een lamentabel startkapitaal van 15 miljoen frank. Op zijn beurt krijgt III echter financiële ondersteuning van de immobiliëngroep I. Naast de bank Paribas(13) hebben in deze groep I ook De Volksverzekering van het ACW, de Prévoyance Sociale van de BSP en de ABB van de Boerenbond hun aandelen. Tot grote verbazing van de eigen Regie van Gebouwen van de RTT(14) tekent de jonge Anseele een miljardencontract dat de bouw van alle grote RTT-gebouwen toewijst aan de groep III. Zo worden miljoenen uit de staatskas doorgesluisd naar eigen coöperatieven, partijkas en eigen bankrekening.

Al vlug wordt duidelijk dat III ook enkel en alleen gebouwen voor de RTT rechtzet. In amper drie jaar tijd scharrelt ze een winst bij mekaar van 600 miljoen. De gebouwen met deze promotor kosten immers tweemaal meer dan deze door de Regie zelf ontworpen. Ingenieur De Maegt, de architect-directeur bij de RTT, klaagt tijdens een persconferentie aan dat dit voor de staat een meeruitgave van 6 miljard betekent. Hij wordt prompt ontslagen.

In april 1973 is het RTT-schandaal op zijn hoogtepunt. In een wanhoopspoging om de arbeiderswereld te sussen geeft Anseele op 1 mei 570.000 frank aan de stakende dokwerkers. De vakbondstop onder controle van de BSP hongert de dokstaking uit. De CVP-BSP-regering stuurt de rijkswacht af op de dokkers... en tegelijk biedt een BSP-minister hen judasgeld aan.

Aan generaties verpauperde arbeiders heeft de BWP en nadien de BSP het fabeltje van de coöperatieve ondernemingen als alternatief voor het kapitalisme opgedisseld. Eerst waren het de bakkerijen en winkels, nadien de ziekenkassen en verzekeringsinstellingen die ons uit onze miserie zouden bevrijden. Begin jaren ’70 daalt echter het aandeel van de coöperatieven in de handel van 25% in 1962 naar nog slechts 10% in 1975. Nu de koopkracht van de arbeiders toeneemt, ziet het kapitalisme ook brood en winst in de consumptiesector. Nu de prins van de coöperatieven uit het BSP-sprookje door de kapitalistische draak wordt opgepeuzeld, vertellen de BSP-ministers op radio en tv een nieuw verhaal: ‘Het kapitalisme moet niet meer door coöperatieve ondernemingen worden weggeduwd, maar van binnenuit verbeterd. Wat overblijft van de coöperatieve beweging, kan daarom ook best mee in de dans van het privé-kapitaal stappen om die te helpen pasjes naar links te zetten.’

De voornaamste coöperatieve BSP-bootjes die een eeuw kapitalistische stormen hebben overleefd zijn: de PS(15) (verzekeringsmaatschappij), CODEP (spaarbank), COOP (distributie), FEBECOOP (sociaal-cultureel), de apotheken en de drukkerijen.

Enkele cijfers uit 1975: de PS ontvangt 3,7 miljard aan premies en verzekert daarmee voor 52 miljard aan kapitalen. Het totale bedrag aan deposito’s bij CODEP bedraagt 8,3 miljard frank. In 1971 is er een winst van 12,6 miljoen. De distributie kent een omzet van 4 miljard en de apotheken van 3 miljard.

Consequent met hun nieuwe politiek nemen de christelijke coöperatief LVCC en de socialistische FEBECOOP (met kapitaal van PS) in april 1974 samen 30% van de aandelen van Distrimas, een nieuwe nv, samen met Carrefour (Fr.) en Delhaize. Deze maatschappij moet het monopolie van GB-INNO-BM helpen breken om zo ons als kleine verbruikers beter te beschermen. Door deze operatie verdubbelt Distrimas zijn kapitaal van 200 miljoen naar 457 miljoen. Eén jaar later bedraagt haar totaalomzet reeds 5,5 miljard. In 1978 koopt Delhaize de aandelen van Carrefour af en verovert zo een meerderheidsparticipatie.

Met het spaargeld van generaties arbeiders spelen Leburton en Willy Claes als voorzitters van de Sociale Voorzorg nu zelf kapitalistje. Goedkopere voedingswaren in de coöperatieven, hogere intrest in de spaarkassen van BAC (ACW) en CODEP (BSP-ABVV) of minder hoge verzekeringspremies bij de Sociale Voorzorg... zelfs naar die kleine beloften kunnen we fluiten. Het winkeltje om de hoek wordt de nek omgewrongen. De Welvaart op de Molsekiezel en in de Kloosterstraat, de bollenwinkel van de Moskes in de Kerkstraat... één voor één moeten ze hun winkeldeur sluiten.

Het winkeltje om de hoek wordt de nek omgewrongen. De Welvaart op de Molsekiezel en in de Kloosterstraat, de bollenwinkel van de Moskes in de Kerkstraat... één voor één moeten ze hun winkeldeur sluiten.

Kranten en boeken zijn machtige wapens om onze geesten te veroveren, maar de tv is pas een echt paard van Troje. Magistraal worden daar waarheid en leugen gemengd als wijn en gif tot een verdwazende drank, ’s Avonds, moegewerkt en afgepeigerd, weggezonken in kunstlederen zetels, staren we als konijnen naar deze verblindende lichtbak. De jonge BSP-garde in de regering weet dit nieuwe medium excellent te gebruiken. Bijna dagelijks dringen hun toespraken binnen in onze huiskamers. Nieuwe tijden, nieuwe ideeën en nieuwe sprookjes... ‘Als de kapitalistische draak niet te verslaan is, moeten de rode prinsen haar, zoals Jonas in de buik van de walvis, van binnenuit te lijf gaan. Ze moeten strategische posities veroveren in kapitalistische ondernemingen en banken.’

Alle beheerders van coöperatieven en socialistische ministers uit de beginjaren zeventig ontfermen zich voorbeeldig over deze strategische opdracht.

Minister van Economische Zaken in de regering Eyskens-Cools, Henri Simonet, bezorgt als kersverse minister de firma MBLE(16) 100 miljoen staatssteun. Het ene plezier is het andere waard. Enkele maanden later krijgt hij een postje als beheerder van MBLE aangeboden. Deze groep profiteert samen met Philips, Siemens en de Société Générale van het miljardencontract voor de bouw van atoomreactoren en elektronische apparatuur voor vliegtuigen en tanks. In 1968 wordt Simonet voorzitter van de raad van beheer van de ULB(17). Direct stuurt hij de rijkswacht af op zijn contesterende studenten.

J. Lemaire is de stichter van FEBECOOP. Voor zijn twee zoontjes heeft hij goed gezorgd. Henri Lemaire is naast voorzitter van de PS-verzekeringen, beheerder van het Emile Vandervelde-Instituut, voorzitter van de raad van beheer van de ULB, regent van de Nationale Bank en voorzitter van FEBECOOP. Zijn tweede zoon, Raymond Lemaire, zetelt in de directie van de Beroepsunie van Belgische Verzekeringsmaatschappijen. Tevens is hij voorzitter van CODEP, van de verzekeringsmaatschappij Aviabel van Royale Beige en ten slotte beheerder van de Bank Brussel-Lambert.

W. Frays is directeur van het Instituut Emile Vandervelde en redactielid van het tijdschrift Socialisme. Hij wordt directeur van de NMKN(18), beheerder van de ULB en lid van de Hoge Raad voor Financiën. In 1980 zal hij directeur worden van de Nationale Bank.

André Bayens was onder de socialistische ministers van Economische Zaken de kabinetschef van dit ministerie. Hij lukte erin om niet minder dan veertig functies te cumuleren. Later is hij is dan ook de beste kandidaat voor het beheer van het paradepaardje van de BSP: de staatsolieraffinaderij Ibramco.

Edmond Leburton is tegelijk minster van Staat, volksvertegenwoordiger, burgemeester van Borgworm, voorzitter van het Nationaal Verbond der Socialistische Mutualiteiten, voorzitter van SODEPE (uitgeverij van Le Peuple) en beheerder van de PS.

Jos Van den Eynde (‘de Kop’) is minister van Staat, volksvertegenwoordiger, afgevaardigde beheerder van de nv Excelsior, directeur-beheerder van SV Ontwikkeling, hoofdredacteur van Volksgazet, schepen in Deurne en beheerder van het Gemeentekrediet. Na de staking van ’60-’61 verbood de Kop dat het weekblad Links nog langer op de persen van Excelsior gedrukt werd.

Onze coöperatieven worden herleid tot beleggingsfondsen. De politieke rol die vader Anseele hen had toebedeeld is uitgeteld. Zoon Anseele wordt stiekem uit het kabinet Leburton verwijderd na het uitlekken van het RTT- schandaal. Wel blijven de winsten van de coöperatieven de voornaamste bron van inkomsten voor het partijapparaat en de BSP’ers aan de top.

De BSP-prinsen Claes en Simonet hebben voor ons nog een andere tactiek bedacht om het kapitalistische monster te onthoofden: ‘Door regeringsdeelname de privé-economie ondergeschikt maken aan het algemeen belang en sleutelsectoren zoals energie stilaan in handen van de staat loodsen.’

In 1970 heeft de regering Leburton daarom ‘de wet op de economische expansie’ klaargestoomd. Die laat toe staatsgelden door te sluizen naar de privé ingeval van grote investeringen. Claes wordt vanaf 1973 bijna ononderbroken als minister van Economische Zaken de dirigent van dit orkest. In feite is zijn muziek totaal afgestemd op de nieuwe noden van een kapitalisme in crisis. Vele sectoren zijn verouderd. Ze staan voor grote investeringen en daar is veel geld voor vandoen. Tegelijk eisen de olieproducerende landen voor de eerste maal in de geschiedenis een hogere prijs voor hun olie.

Het antwoord van Claes is Ibramco, een project voor een eigen nationale olieraffinaderij samen met Iran. Ibramco wordt een gemengde onderneming van de staat en Petrofina. De staat bekostigt vooral de infrastructuur: raffinaderij, oliepijpleidingen en wegen met een prijskaartje van 8 miljard frank. West-Duitsland en Japan zijn de Belgische regering echter te vlug af en tekenen eerder een contract met de sjah van Iran. Ibramco is een doodgeboren kind. Om er de crisissfeer goed in te houden organiseert Claes autoloze zondagen. Claes staat enorme prijsstijgingen van de petroleum toe. Alleen reeds in België stijgt de extra winst van de petroleummaatschappijen daardoor met 30 miljard per jaar.

De grote ‘energiecrisis’ is vooral te voelen in de portemonnee van het volk. Als haar antwoord op die stijging van de petroleumprijs plant de Société Générale de bouw van peperdure kerncentrales. Met hetzelfde argument, namelijk dat de openbare sector meer greep moet krijgen op de energiesector, sluit Claes het contract van de eeuw. Een gemengde onderneming privé-staat is het resultaat. Dit houdt in dat de staat 25% van de bouwkosten voor de kerncentrales zal betalen. Voor alle sectoren komt er nadien zulk een plan-Claes om zogezegd de meubels te redden. In feite bekostigt de belastingbetaler het grootste deel van de nieuwe investeringen. Massale sluitingen en afdankingen in de mijnen, metaal, scheepsbouw en textiel zijn het gevolg. Het nieuwe lied van Claes en de BSP herhaalt het oude lied van Hendrik De Man van voor de oorlog. Zijn plan wou eveneens de privé-economie langs staatsinterventie heroriënteren naar het algemeen belang.

Ook in onze sector, de non-ferro, staan grote investeringen voor de deur. De productie van zware metalen langs de droge weg of door verhitting wordt in alle fabrieken vervangen door de elektrolyse. Bij het oude procédé bleven er veel onzuiverheden in het metaal. Veel kostbaar metaal ging zo verloren. Bij de productie langs de natte weg worden ook andere metalen zoals cadmium, koper en lood beter gerecupereerd. Bovendien is de automatisering van dit procédé makkelijker te realiseren en is er dus minder werkvolk bij nodig. In Vieille Montagne Balen wordt de elektrolyse in 1971 opgestart, in Metallurgie Overpelt in 1974. In beide fabrieken wordt daardoor het aantal arbeiders gehalveerd van 2.000 naar 1.000. Die moderniseringen verscheuren mijn vakbondsziel. Ik besef dat er veel arbeidsplaatsen verloren gaan. De patroon en de regering hangen een nieuwe wortel voor onze ogen: ze bieden de oudere arbeiders een aanlokkelijk brugpensioen aan. Velen van hen, moe en ziek, kiezen eieren voor hun geld. In 1977 ga ik zelf op 57-jarige leeftijd met brugpensioen.

Nog enkele jaren na mijn pensioen ben ik actief in het GAK. De acties verplaatsen zich van fabriekspoorten naar treinen en ziekenhuizen. We kopen een kaartje tweede klas en reizen eerste klas. In ziekenhuizen liggen rijke mensen voor een kleine ingreep alleen op een kamer eerste klas, terwijl arme mensen met ernstige ziekten samen op zaal creperen. Onze regering deelt alle diensten op in klassen en tegelijk beweert ze dat er geen klassen bestaan.

De vergaderingen van het GAK lijken meer en meer op intellectuele boksmatchen. Dat alle comités samen aan één zeel blijven trekken, blijkt een illusie. Het GAK spat niet uit mekaar zoals bij een slaande echtelijke ruzie. Het sterft een stille, trage dood. Uit de as van het GAK stijgen nog drie vogels op. Alle drie vliegen ze in een andere richting. De RAL zal in haar eigen bad, het grote linkse front, verdrinken. Amada smeedt zijn arbeiderscomités aan mekaar tot een nieuwe arbeiderspartij, de PVDA. De groep rond Jef Sleeckx sluit zich aan bij de BSP. Ik blijf samen met Jef op stap gaan: van acties en betogingen voor de MS-patiënten tot het proces tegen 28 dokwerkers na hun staking.

Door kapitaalpremies, rentetoelagen, navorsingssubsidies, versnelde afschrijvingen, vrijstelling van onroerende voorheffing op investeringen, subsidies bij aanwervingen (het plan van SP’er De Wulf), premies voor stagiairs, belastingsvrijstelling op reserves, vermindering van patronale RMZ-bijdragen (operatie Maribel) en verminderde elektriciteitsprijzen krijgt MHO alleen al in 1981 een cadeau van de staat van 510 miljoen. In de periode van 1973 tot 1984 geeft de staat op die manier 424 miljard frank aan de grootindustrie om rationaliseringen door te voeren.

De Lommelse fabriek wordt niet gerenoveerd, maar in 1975 met de grond gelijkgemaakt. De zinkfabriek van Rotem stopte haar productie reeds vroeger. De arseenfabriek van Reppel sloot haar deuren in 1969. Verspreid over de zes hectare van het fabrieksterrein blijft er tot op vijf meter diepte 12.000 ton arsenicum achter.

In 1981 haalt de Société Généralenen financiële krachttoer uit waardoor alle belangrijke fabrieken uit de non-ferrosector terechtkomen in één maatschappij: de nieuwe Union Minière.

Lej Jacobs met hond op de terreinen van de vroegere zinkfabriek van Lommel. ‘Onze streek wordt troosteloos achtergelaten. Waar bijna honderdjaar de zinkarbeiders van Lommel-fabriek zwoegden en ploeterden, blijji een dode, troosteloze vlakte achter. ’

 Daardoor controleert de Générale heel deze sector. Door de overproductie in de non-ferro sluit Union Minière opnieuw verschillende fabrieken: in 1981 de Societé de Prayon in Luik en VTR in Machelen en in 1989 de fabriek Cuivre et Zinc in Luik. In 1988 is Union Minière goed voor een winst van 1,5 miljard frank.

Toch daalt de werkgelegenheid verder van 19.110 in 1980 naar 14.328 in 1987. Tijdens de ondernemingsraad van 29 mei 1990 krijgen de vakbondsafgevaardigden van Overpelt-fabriek een koude douche: de zink-elektrolyse, de slagader van de fabriek, wordt in 1992 gesloten: 458 arbeiders verliezen hun job. Nog hetzelfde jaar sluit de Generale in onze streek een ander bedrijf uit zijn stal: de PRB van Balen, Poudreries Reunies de Belgique: 1.400 arbeiders en arbeidsters vliegen op de keien. Na de Tweede Wereldoorlog heeft de Generale vijf grote bedrijven in de Noorderkempen gesloten. Ze laat er een sociaal en ecologisch kerkhof achter.

Van microbe tot paard, alles wat leeft vormt samen het kloppende hart van moeder aarde. De bossen geven ons zuurstof om te ademen, de graanvelden brood om te eten en de rivieren water om te drinken. De lucht, de grond en het water zijn de drie bouwstenen van elk leven op aarde. Hier heeft de winsthonger van de Société Générale deze drie bouwstenen van het leven verkracht. Onze streek wordt troosteloos achtergelaten. Waar bijna honderd jaar de zinkarbeiders van Lommel-fabriek zwoegden en ploeterden, blijft een dode, troosteloze vlakte achter. ‘De Sahara’ noemen de Lommelaars vandaag deze zandvlakte van ongeveer 400 hectare. Het grondwater is ondrinkbaar door cadmium- en arseensporen. Zelfs de voedingsindustrie op de Maatheide kan het water niet gebruiken. Rond ons huisje in de Waaltjes, tussen Vieille Montagne Balen en het centrum van Lommel, pachtten boeren wijdse velden van de fabriek en wonnen er maïs. Die is ernstig vervuild door zware metalen. De boeren verdwijnen. In een straal van drie kilometer rond de fabrieken wordt ons afgeraden groenten te kweken in onze tuintjes. Tuinbouw, landbouw en veeteelt zijn in grote delen van de Noorderkempen onmogelijk door de vervuiling van zware metalen. Wie betaalt de rekening van deze winstorgie? Alleen een eerste sanering van de fabrieksruïnes van de fabriek van Reppel kost de gemeenschap een half miljard frank. Recente studies van de Leuvense universiteit bewijzen dat omwonenden van de fabrieken meer kans maken op nierziekten. Zelfs kleine hoeveelheden arsenicum zijn kankerverwekkend.

In 1989 bestaat MHO, Metallurgie Hoboken-Overpelt, een van de dochters van de Generale, honderd jaar. Dat wordt zwaar gevierd. In het Dommelhof van Neerpelt houdt de heer Bossuyt, directeur-generaal van MHO, een gelegenheidstoespraak: ‘Dat onze producten het zo goed doen in de ongenadige concurrentiestrijd in deze sector, is enkel het resultaat van onze technische en menselijke meerwaarden.’

Wat een geleerde taal! Meerwaarde? Wat is meerwaarde? Ik ben maar ne stommerik, maar ik dacht dat de eerste econoom en filosoof die het woord ‘meerwaarde’ heeft ontleed en er de echte betekenis aan gaf, Karl Marx heette. Het verschil tussen de waarde die de arbeider produceert en het loon dat hij krijgt, dat noemde die de ‘meerwaarde’. Heeft Bossuyt het over die meerwaarde, die de Generale zich meer dan een eeuw heeft toegeëigend? Op het einde van de tachtiger jaren bedraagt die 300 miljoen per jaar voor MHO. Dat geld belandt op de bankrekeningen van beheerders en aandeelhouders. Het grootste deel van die meerwaarde vloeit dus niet terug naar ons bedrijf als investering, niet voor de bescherming van onze gezondheid, niet voor de sanering van onze streek...

Het Kempens boerke dat drie dagen moest werken voor de baron voelde en wist dat hij drie dagen voor een rijke grootgrondbezitter werkte. Wij als loonarbeiders van de zinkfabrieken werken ook enkele dagen per week voor de rijke kapitaalbezitters, maar wij zien of voelen het niet direct. Geld verdoezelt de uitbuiting. Vele Kempense boerkes vonden zelfs dat ze goed werden betaald aan de ovens. Zij ruïneerden hun gezondheid voor enkele franken meer. Van Leopold II tot Albert II, van Schulte tot de Generale, van Congo Vrijstaat tot Zaïre, van Katanga tot de Noorderkempen... brachten de zware metalen ongelooflijke rijkdommen mee voor koningen en kapitalisten en ongelooflijk lijden voor zwarte en blanke arbeiders. Mijn kameraad Jaak drukt dit zo uit: ‘Het geld voor Union Minière, voor ons alleen de misère.’ En over miserie kan Jaak Van Bommel meespreken. Op 43-jarige leeftijd begint reuma zijn lichaam te slopen. Daardoor moet hij het werk op Vieille Montagne staken. De vlam van de staking van ’71 is nooit in zijn ziel uitgedoofd. Hij zet zijn strijd voort als lid van de PVDA.

Als ik in de zomer ’s avonds langs het kanaal zit te vissen, kleurt het rood van de avondzon de wolkenparaplu’s van Vieille Montagne goud. Dit beeld straalt zoveel rust uit. Maar ik weet dat onder deze vergulde torens niet wordt gebeden of gezongen, maar geleden en gevloekt. Nu ik niet meer in de fabriek werk, mijd ik haar meer en meer zoals een verloren geliefde. Zoals een grootvader geluk vindt in de jeugdige kracht van zijn kleinkinderen, vinden mijn twijfels over de zin van onze strijd rust bij het zien van de kinderen van ’71. De studenten van toen hielden woord. Ze richtten organisaties op van derdewereldhelpers, dokters en advocaten, die de kant kiezen van de onderdrukten, hier en over heel de wereld. Mijn eigen huisarts, dokter Staf Henderickx, heeft in Lommel zelf een groepspraktijk van Geneeskunde voor het Volk opgestart. Mijn dochter Marina is actief in het Filipijnencomité. De belangrijkste zoon uit die familie is de nieuwe arbeiderspartij zelf: de Partij van de Arbeid. Aan dokter Staf geef ik toe: ik voel me te oud en te zwak om nog verder mee te vechten, maar ik steun u.

Jaar na jaar, traag maar zeker, sloopt het lood mijn lichaam. Mijn krachten verzwakken. Meer en meer schrompelt mijn wereld ineen tot de wereldjes van mijn tuin, het duivenhok en het kanaal. In de zomer van 1991 word ik bedlegerig. Mijn huisarts komt enkele zondagen met me praten. Voor ik sterf, wil hij een boek over mijn leven schrijven. Terwijl buiten de zon brandt, voer ik een verloren gevecht tegen de dood. Soms zweet en bibber ik zoals vroeger aan de oven. Toen vocht ik terug tegen de kwelduivels van hitte en hel. Nu bliksemen ze me tegen de grond. Ik plak aan mijn bed. Opstaan kan niet meer.

Op 14 juli 1991 blaast Pietje Poppeliers zijn laatste adem uit. Hij had nog zoveel te doen. Wie zal er nu zijn duiven soigneren? Vanaf die dag scheren ze niet meer in cirkels over de vlakte tussen de fabriek van Vieille Montagne en de kerktoren van Lommel.

Slot - Inhoud

Het verhaal van Jon Van Bommel, Lej Jacobs en Piet Poppeliers is het verhaal van de moeizame geboorte van een bewuste arbeidersgeest in de ziel van brave Kempense boerenzonen. In de jaren zeventig staken ze hun gebogen hoofd omhoog. Alle stakingen waren stakingen voor meer loon, maar ook en vooral voor meer waardigheid en rechten.

Een nieuwe generatie van jonge arbeiders verbrak eeuwenoude ketens van kerk, koning en kapitaal. Tegen de pers, de rijkswacht en hun eigen vakbondstop in staakten zij verbeten om meer geld en macht te veroveren.

In deze revolte kregen ze steun uit onverwachte hoek. Voor de eerste maal in de Belgische geschiedenis werden studenten bondgenoten van de arbeidersstrijd. Dat huwelijk liet twee kinderen na in Lommel: Geneeskunde voor het Volk en de Partij van de Arbeid.

Maar die strijd is niet gestreden. Wie ’s nachts bij volle maan langs het kanaal verdwaalt, ziet boven de dennenbossen de brandende wagens van de duivelse Schulte en bokkenrijder Jon Van Bommel vechten op leven en dood. Wie zich bij stormweer in de ‘Sahara’ waagt, hoort in de wind het gebrul van Johny Walker tegen Lej Jacobs. Wie op een mistige winteravond over de brug van het kanaal van Vieille Montagne stapt en aandachtig luistert, kan de stem van Piet Poppeliers horen en het applaus en geroep van de stakers.

Wie ooit in de Noorderkempen op bezoek komt, zal het Kempens boerke niet meer vinden en de arbeider die zijn pet afneemt voor pastoor en patroon evenmin. De zonen en dochters van Jon en Piet hebben geleerd een vuist te maken.

Noten - Inhoud

Deel I - Het boek van Jon Van Bommel

(1) Teuten: rondtrekkende leurders uit de Kempen die hun koopwaar tot ver in Nederland en Duitsland aan de man brachten.

(2) Uchteren: samen met de buurtbewoners rond de open haard tot in de ochtenduren babbelen.

(3) Schupteuten: doordat er in de Noorderkempen veel teuten waren, gebruikte men voor alle inwoners van deze streek soms de benaming ‘teuten’.

(4) Haren: scherpen van de zeis. Breken: uiteenstrooien van het hooi met een gaffel. Wennen: omdraaien van het hooi om het te laten drogen. Teilen: het hooi in rijen leggen. Heukelen: hoopjes hooi maken. Opperen: hooi opstapelen in grote hooimijt.

(5) Stort: Boord van zandhopen langs het kanaal ontstaan door het storten van het uitgegraven zand.

(6) Luiksen: Historisch behoorde heel Limburg bij het prinsbisdom Luik, terwijl Lommel steeds deel was van het Groothertogdom Brabant. Daarom noemen de Lommelaars de inwoners van de rest van Limburg tot de dag van vandaag de ‘Luiksen’

(7) Horten: de hort opgaan; in de buurt gaan luistervinken.

(8) Dwalm: hij die dwaalt, dwaas.

Deel II - Het boek van Piet Poppelier

(9) Tuieren: Een grazend dier aan een touw of ketting vastleggen of hoeden langs de kant van de weg.

(10) Reusel: Het gestolde vet uit de spekpan.

(11) Zeurg: oude benaming voor een tweezitzetel.

(12) Ratten: scheldwoord voor werkwilligen tijdens een staking.

(13) Paribas: Bank van Parijs en de Nederlanden. Directeur was toen de socialist Maurits Naessens die mee Immobiliëngroep I oprichtte, waarvan Pierre Navez directeur werd.

(14)  RTT: Regie voor Telegraaf en Telefoon, later geprivatiseerd tot Belgacom.

(15) PS: Prévoyance Sociale, verzekeringsmaatschappij van de Socialistische Partij.

(16) MBLE: Wapenfabrikant met onder andere een vestiging in Anderlecht, de gemeente van burgemeester Simonet. Minister van Landsverdediging was toen Paul Vanden Boeynants. De NATO was aan modernisering van zijn bewapening toe. In de projecten voor de bouw van kernreactoren en elektronische apparatuur voor tanks en vliegtuigen vinden we MBLE, Philips, Siemens en Bell-ITT terug. Vanden Boeynants was ook beheerder van Philips.

(17) ULB: Université Libre de Bruxelles.

(18) NMKN: Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid, nu Het Blauwe Fabriekje.

Historische figuren - Inhoud

Leopold I (1790-1865) p.10

De eerste koning van België van 1831 tot 1865, uit het huis van Saksen-Coburg. Hij huwde in 1816 Charlotte Auguste, de enige dochter van de Britse koning George IV.

Leopold 11(1835-1909) p.13

De tweede koning van België van 1865 tot 1909. Hij was een erg autoritaire vorst die zich enorm verrijkte, vooral door de annexatie van Congo als persoonlijk bezit.

Baron Stanislas Emsens p.21

Beheerder van Eternit. Lid van het directiecomité van SIPEF en BBL. Directeur van Sibelco (zandwinning in Mol en Lommel, grindwinning aan de Maas).

E.D. Morel p.30

Britse journalist die de leiding nam in de internationale campagne tegen de wreedheden en onrechtvaardigheden van Leopold II in Congo.

Edward Anseele (1856-1938) p. 37

Pionier van de coöperatieve beweging met de oprichting van ‘De Vooruit’ in 1880. Medestichter van de Belgische Werkliedenpartij in 1885. Vanaf 1894 kamerlid voor de BWP. Hij bekleedde na de Eerste Wereldoorlog verschillende ministersposten.

Camille Huysmans (1871-1968) p.37

Secretaris van de Tweede Internationale van 1905 tot 1921. Kamerlid voor de BWP en later BSP van 1910 tot 1965. Minister van Kunsten en Wetenschappen van 1925 tot 1927. Tijdens WO II vluchtte hij naar Londen. Van 1946 tot 1947 premier en van 1947 tot 1949 minister van Onderwijs.

Emile Vandervelde (1866-1938) p.50

Medeoprichter van de BWP in 1885. Parlementslid voor de BWP vanaf 1894. Vanaf 1900 voorzitter van de Tweede Internationale. In 1914 benoemd tot minister van Staat en tijdens WO I minister in de regering in ballingschap. Minister van Justitie van 1918 tot 1921 en minister van Buitenlandse Zaken van 1925 tot 1927.

Louis Bertrand (1856-1943) p.51

Medestichter van de BWP en later ook van het dagblad Le Peuple. Voortrekker van de coöperatieve beweging. Kamerlid voor de BWP van 1894 tot 1926 en vanaf 1918 tevens ondervoorzitter van de Kamer.

Joris Helleputte (1852-1925) p.51

Kamerlid van 1889 tot 1925 voor de Katholieke Partij. Oprichter van de Belgische Boerenbond in 1890 en van de Belgische Volksbond in 1891, een corporatieve arbeidersbeweging. Minister van Landbouw en Openbare Werken van 1910 tot 1918.

Albert 1(1875-1934) p.57

Derde koning van België van 1909 tot 1934. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij opperbevelhebber van het Belgische leger.

Charles Woeste (1837-1922) p.57

Conservatief volksvertegenwoordiger voor de Katholieke Partij uit Aalst in dezelfde periode als Pastoor Daens, waarmee hij voortdurend op voet van oorlog leefde.

Charles de Brocqueville (1860-1940) p.57

Volksvertegenwoordiger voor de Katholieke Partij uit Turnhout van 1892 tot 1919. Eerste Minister van 1911 tot 1918 en tegelijk minister van Landsverdediging. Ook in de jaren twintig werd hij in verschillende regeringen minister. Van 1932 tot 1934 werd hij opnieuw Eerste Minister met bijzondere volmachten om de economische crisis te bestrijden.

Wilhelm II (1859-1941) p.70

Keizer van het Duitse Rijk van 1888 tot 1918. In 1890 kwam hij in conflict met kanselier Bismarck en ontsloeg hem. Voor alles wilde Wilhelm II een eigen Duits koloniaal rijk. Daarom bouwde hij een sterk leger uit, waarmee hij de Eerste Wereldoorlog voerde. Op het einde van die oorlog moest hij voor zijn eigen muitende troepen naar Nederland vluchten, waar hij tot zijn dood leefde in het stadje Doorn.

Patrice Lumumba (1925-1961) p.153

Voorzitter van het in 1958 opgerichte Mouvement National Congolais. Na de onafhankelijkheid in 1960 werd hij de eerste premier van Congo onder president Kasavubu.

Mobutu Sese Seko (1931-1997) p.153

Na de moord op premier Lumumba werd Mobutu opperbevelhebber van het Congolese leger. In 1965 zette hij na een staatsgreep president Kasavubu af en werd tot zijn dood in 1997 de brutale dictator van Congo.

Theo Lefèvre (1914-1973) p.153

Kamerlid voor de CVP van 1946 tot 1971 en senator van 1971 tot 1973. Voorzitter van de CVP vanaf 1950 tot 1961. Premier in een coalitieregering metdeBSPvan 1961 tot 1965. Tenslotte nog minister van Wetenschapsbeleid van 1968 tot 1972.

Paul Henri Spaak (1899-1972) p.153

Voornaam BSP-politicus. Minister van Buitenlandse Zaken van 1936 tot 1949, van 1954 tot 1957 en van 1961 tot 1966. Eerste Minister van 1938 tot 1939 en van 1947 tot 1949. Eerste voorzitter van de algemene vergadering van de Verenigde Naties. Secretaris-Generaal van de NAVO van 1957 tot 1961.

Willy Claes(1938- )p.l58

Sinds 1968 volksvertegenwoordiger voor de BSP. Minister van Nationale Opvoeding van 1972 tot 1973. Minister van Economische Zaken van 1973 tot 1974, van 1977 tot 1981 en van 1988 tot 1992. Minister van Buitenlandse Zaken in 1992. Secretaris-Generaal van de NAVO in 1997.

Gaston Eyskens (1905-1988) p.163

Vanaf 1939 kamerlid voor de CVP. Minister van Financiën van 1945 tot 1949 en van 1965 tot 1967. Minister van Economische Zaken in 1950. Gouverneur van de Wereldbank van 1947 tot 1949 en van 1965 tot 1966. Eerste Minister van een regering met de Liberale Partij van 1949 tot 1950 en van 1958 tot 1961 en van een CVP-BSP-regering van 1968 tot 1972.

Hendrik De Man (1885-1953) p.170

BWP-politicus. Stichter van de Centrale voor Arbeidersopvoeding in 1910 en de Arbeidershogeschool in 1921. Minister van Openbare Werken van 1935 tot 1936, de periode waarin hij zijn Plan van de Arbeid lanceerde. Minister van Financiën van 1936 tot 1938. Collaboreerde met de nazi-bezetter tijdens WO II, waarvoor hij bij verstek tot twintig jaar gevangenis werd veroordeeld.

Geraadpleegde boeken en bladen - Inhoud

Boeken - Inhoud

De doodende fabrieken der Kempen, August Dewinne, 1912.

Dossier Belgische Werkliedenpartij, Ludo Martens, 1996.

L’Etat Indépendant du Congo, commandant Liebrechts, 1897.

De Generale 1822 - 1992, Jo Cottenier, 1989.

De geschiedenis van de BSP, Guido van Meir, 1974.

Histoire du travail et des travailleurs, Pierre Brizon, 1926.

Het historisch en politiek noodlot van België, Léon Paschal, 1924.

Jezuïeten in Kongo met zwaard en kruis, A.M. Delathuy, 1986.

De Kampen van Kongo, Bruno De Meulder, 1996.

De Kempen in de 19de en in ’t begin der 20ste eeuw, E. Vliebergh, 1908.

Van klokkespijs tot beiaard, de CCMB, 1979.

Kroniek van België, Lieven Struye, 1991.

Lommel tussen 1890 en 1914, Fran^ois Vanduffel, 1983.

Het ontstaan van de maatschappelijke werken in Limburg, Georges Vols, 1969.

De opkomst van het socialisme in Limburg, Willy Massin, 1975.

La Patrie Beigepour la commémoration du centenaire, 1930.

Staking in Rotem, Mathieu Rutten, 1993.

Union Minière du Haut-Katanga, 1956.

Van teuten en toen, PietTeuwens, 1989.

Vierjaar lang onder het juk van Duitse pinhelmen, A. Vanden Boer, 1994.

Wat zoudt gij zonder ’t werkvolk zijn?, Jaak Brepoels, 1981.

Zaïre, Mark Vandommele, 1981.

De zoete dood, Michel Franssens, Staf Henderickx, Martin Lagrain, 1983.

Bladen - Inhoud

Het Algemeen Belang
Alle Macht aan de Arbeiders
Het Belang van Limburg
Gazet van Antwerpen
Humo
Internationale Solidariteit
De Kempische Arbeider
Het Laatste Nieuws Links
Het Nieuwsblad
Solidair
Het Volk
De Volksgazet
De Volksmacht

Achterblad - Inhoud

In 1860 laat Jon zijn eerste schreeuw in een lemen hut met strooien dak op de Heuvelse hei als zoon van een Lommelse dagloner. In zijn leven zal Jon zien hoe de stille Kempen wordt ingepalmd door kanalen, spoorwegen en fabrieken. Zijn boerenkiel zal hij ruilen voor een werkmansplunje. Samen met priester Jans zal hij de eerste pasjes zetten van een katholieke vakvereniging...

In 1920 wordt in Riethoven, een boerendorpje net over de grens met België, Piet Poppeliers geboren. Oorlog, verzet en deportatie zullen zijn jonge leven doorkruisen. Maar zijn vechtlust zal van hem in 1971 de leider maken van de grote staking in Balen...

Eeuwen stonden kerken en kastelen in het midden, nu banken en fabrieken. Honderd jaar zinkindustrie schudde de Kempense mens en natuur meer door mekaar dan de vorige vijfduizend. Aan de hand van lief en leed van Jon, Lej, Piet en hun families wordt de geschiedenis van de zinkarbeiders geschilderd.

Dit boek is het verhaal van de stervende boer en de ontwakende arbeider. Dit epos van de kleine man legt zijn miserie en vernedering bloot, maar tegelijk zijn verzet en grootheid. In deze roman dromen, vloeken en vechten we met hen mee van in hun wieg tot in hun kist.

- Inhoud

Staf Henderickx (°1949) is werkzaam als huisarts bij Geneeskunde voor het Volk. Hij publiceerde o.a. De zoete dood, milieuvervuiling in de Noorderkempen (epo, 1983) en is co-auteur van het Zwartboek orde van geneesheren (EPO, 1986).