|
Ik
richt mij naar het bloedend rood
van ruiten waar geen blik meer spiegelt.
De treinen rijden amper trager in de staties,
en mijn stem verschiet ervan zonder accent te zijn.
Een bergpas trekt een spoor van smart.
De brug wacht op het eind der wereld
in haar diepe ogen zonder warmte,
onvermoeibaar herbegint mijn hart zijn rondegang.
Ik ben alleen maar een greep aarde
die door nacht en dood omgeven is.
Ik kom naar buiten met een blik
waar wanhoop en verdriet beklijft.
Mijn leven loopt met wankele stap
die nog geen weg gevonden heeft
naar vensters waar men enkel keert
door zon beschenen en ontregeld.
Teveel zonsondergangen houden halt
op hoge muren die voor altijd rusten.
En de plassen blinken afgelijnd door luchten
in het gras als zijn het verse wonden.
|