|
De wind kon niets beginnen met mijn adem,
de kussensloop heeft zich van slaap ontdaan.
De wereld spiegelt zich in vensterglas,
onafgewerkt, verbleekt, niet aangedaan.
De herfstbloem is vermoeid omver gevallen,
en ochtend maalt
ze fijn met elke stond
nog vochtig van haar volle wimpers.
De bronnen zijn beneveld als het hemeldak.
Een rokende onthoofde wind
draai telkenmale langs trottoirs
en vlucht met duizend stemmen weg
waar eenzaamheid is opgebaard.
Nog hoger dan de daken ligt de leegte,
maar het licht kan nooit zo hoog geraken
want weerhouden door de vale lampen
en de leeggedronken flessenhalzen.
|