|
Mijn hart slaat in zijn linnenzak van bloed
de pijn vergetend die mijn lichaam heeft gevoeld
en staat dan even stil bij wonden
zacht en ongesloten kloppend in mijn slapen.
Kent het mijzelf, mijn blik, mijn hoofd,
waar smart uit loskomt, hard en knellend
als venster van de huid die licht
van alle opgehoopt geschreeuw?
Als waker van mijn slaap en nachten
weet zij niets af van mijn dromen
herinnert zich toch wel dat sterren zich vertonen
op plaatsen waar de aders open komen.
In plassen waar ik lijd, waarin ik wacht
en waar ik enkel ben omgeven door mezelf,
leidt hij de blinde gang van bloed
om op een dag te sterven als een afgeschoten vogel.
|