|
De handen wuiven voor een afscheid
zonder naar omlaag te gaan.
En monden konden kussen niet voleinden
blijven als gebroken bruggen tussenin bestaan.
Je laatste blik is als een havenhoofd
voor ’t leven waarvan ik de diepte peil
met heel mijn huid zonder gelaat,
met alle zwaarte van de aarde.
Weldra komt
ruimte tussen ons
en zijn wij enkel nog twee wezens
waarin voorbije vreugden leven
als was het zon haar laatste licht
op muren die zij juist
verliet.
Je lichaam roert zich evenmin
als venstergloed in nachten
opgejaagd door wind en regen.
|