De dag
dringt niet meer in de zwarte stenen vloer
waaruit hij is verbannen zonder dat ze blinkt.
De lucht is brokkelig en minder veilig
door vorst en ijzel vastgeklonken aan de grond
De muren zijn bedachtzaam als een aangezicht.
De handen broeden op een mateloze streling
en platteland benadert slechts de wegen
langs een voetstap in de sneeuw.
De dag blijft zonder mensenspraak.
Soms breekt een droge stengel gras
en het geluid is hoorbaar tot de hoeve.
De wind ruikt aan de zwarte geur van kolen
en op hetzelfde vroege uur
zegt hij zijn kamer zonder zoldering vaarwel
en eenzaamheid is goed te zien
als vlek geklemd tussen de slapen.