|
Al wat ik nu beleef,
dus dat ik sterven moet,
is niet te plaatsen buiten wat mij wacht.
Wat schiet er dan nog van mij over
in handen die ik vasthoud, die ik pak?
Het bloed vloeit onder bruggen die vertrekken van
mijn hart
naar mensen en naar blikken die ik enkel nog
benader
door tekens van de hand en van de lippen
waarmee ik pas in eenzaamheid veranker.
In ‘t diepste van de nacht vertrekken wegen
wachtend boven heuvels op de dag.
Door vensters waar een kaarsje brandt
zien zij door levenden omringde doden,
die niet geloven in gebeden die zij zeggen
en doden blijven eenzaam achter hun gesloten ogen
zonder wegen te herkennen die passeren
en nachten van hun licht afgeven.
|