|
In nachtelijke duisternis verwelken lampen
over steden die herleidt zijn tot hun muren,
over dood herleidt tot afgestorven lijven,
over mensen die in elke kamer slapen.
Met open ogen stort de zee zich in de schaduw
tot aan het ogenblik dat er geen sterren
zichtbaar zijn
tot op het punt waar zij de aarde uit ziet doven
als gloeiend hete kolen in de ruiten.
De planten bouwen heel verdoken bruggen met hun
dauw
op velden waar met grote spoed
de loze kreet van treinen vliegt die iemand ziet
bij 't krieken van
de dag een honderd kilometer verder,
wezenloos en helder als een onweer.
Er zijn de stenen die wat dag bewaarden
onder stappen van de mensen
uit wiens schaduw dag niet meer kan rijzen.
|