|
De dorpen dutten onder stenen
daken
dromend in het dorsgedreun.
De wereld rondom hen is rustig
en de blaren hoort men een voor een van bomen vallen.
De herfst wordt zichtbaar in een blik, een hand
geledigd als een omgestoten glas.
De karren stijgen klagend op de heuvels
hun gekreun verlengend als de avond valt.
In dagen vol geheimen als een laar
zijn dorpen grote vogels die er rusten
met in hun leven enkel deze vraag
hoe dunne borsten van een vensterraam doorboren.
Het water in een wagenspoor heeft trieste ogen
zoals dieren die hun schaduw volgen om naar huis te
gaan.
De avond is alleen maar een stuk grond
dat in de stilte neerslaat op de rest der aarde.
|