|
De deur staat open tussen avondmuren
en vallen buigen voor mijn stap in ademnood.
Je hand hervindt haar adem in krachteloze wind
die zichzelf vermoord zoals een blik in water.
De laatste levensochtend gaat heel dicht aan
jou voorbij,
en hoort het kloppen van de laatste dag op aarde,
grijpt in ’t voorbijgaan naar de laatste stengel
wind.
De lucht boven je oog is enkel nog wat wasem.
Roept niemand meer tussen de mensen:
men sterft het best in eenzaamheid.
Het licht kan niet meer aan je lichaam hechten.
En aarde komt rondom je lijf met schokken naar omhoog.
Geen dode kijkt je aan, geen dode zoekt naar jou.
De wereld is alleen, een afgekapte hand.
De eeuwigheid is radeloos, ze scheidt zich van je
pad,
en meet van ster tot ster waardoor je haar
ontsnapt.
|