|
Elk leven dat gemetseld is in stilte
verdwaalt in ‘t wisselen van dag en nacht
en enkel bij het sterven wordt het zonneklaar
dat eeuwen leven op getijden,
het ritmisch stappen op de vloersteen van de
eeuwigheid,
het schreeuwen zonder echo’s tollend in de nacht,
als kleine bliksems, in de kreten
waar voor immer mensenmonden sluiten.
Vertrek spoedig. Reeds kan je me niet meer vervoegen.
De liefde is een schipbreuk in de zonneschijn.
Gescheiden door een vlakte van vertraging,
val jij niet samen met mijn eeuwige minuut.
Nochtans werd levensvreugde vrouw
op dorpels van te hoge deuren in de dag
waar mannen zich in volle zon staan wassen
met een schaduw die eensklaps met hen tesamenvalt.
|