Niets om leven - 10/49

  

 

Français

De dood behoeft geen adem van orkanen
om in de volle zon de mensen als bij bossen neer te slaan.
Elkeen verschiet, een handvol aarde in de mond,
dat men bij leven nog meer eenzaam is dan in de dood.

Ik wurm mij in mijn eigen tunnel
met de buitenlucht die slapen knelt
en in mijn lichaam leef ik enkel voort
als drenkeling van haven tot aan haven door de zee gedragen.

De dageraad heeft moeite van riolen los te komen
die onderin de stad een hart van modder vormen.
De dageraad legt zich van dak tot dak
om met zijn dauw een slaper te beroeren.

Alleen een lemmet ligt er tussen dag en nacht,
tussen de vlakte en de bomen, tussen kruinen en de hemel,
tussen bloed en huid, de blikken en het ooglid,
tussen wezens en de overige wereld.

Tot plots een mens die wacht doet voor de rest
de vensters, onbeweeglijk tussen muren opent
als een plas
en met de schaduw in hun rug
vult steen zich met de zon.

  

© Lucien Becker, Rien à Vivre, 1947, Gallimard