|
De
aarde die ik los met elke stap
is naakt van alle vrouwen die zij draagt,
gehard als korsten van een brood,
geen weg die tot de vrede leidt zoals je naam belooft.
Je aangezicht kijkt uit de hoogte, onbedekt,
een voorouder in houten kader achter glas
oneindig ver terug in tijd
zodat geroep hen niet meer kan verstoren.
Zoals jij zoekt waarom de zon nog mooier is op zee
zo zoek ik in de vrouw
wat maakt dat ik me omdraai als zij langs mij gaat
met blikken waarin dag volledig blaakt.
O! Wat een weerglans op- en neergaand in elk oog
als vuur dat oplicht in de nacht,
een vuur dat nog door niemand is ontstoken
want lichamen zijn koud zodat men ervan sterft.
En in de schaduw waar elkeen gelijkt op iedereen
en men niet meer is dan een vat herinnering,
wil ik temidden vrouwen die ik volgde déze vinden
die in haar mond de naam vormt die ik draag.
|