|
Zo
mooi is leven, mooi om bij te huilen.
Op elke viersprong wijzigt zij van hoofd
van elke kus verandert zij de mond,
van elke vrouw verwisselt zij de borsten.
De blikken zijn soms mooier bij de een dan bij de ander
en van elke vrouw is iedereen
verwarrend als de laatste zonneglans
die schijnt over een stad die wegzinkt in de nacht.
In hoeken van de lippen ligt er bloed
maar niemand kan het stelpen
het komt naar boven van het hart
zodat herinnerd wordt dat monden bronnen zijn van branden.
De kamers in ’t hotel zijn vaal
maar lichaamsvreugde brand er hevig
in lijven die verstrengeld zijn
en dorstig voor een ganse zomer.
De handen rennen, worden een en mediteren,
verwonderd bij contact of elke halte
dat heel een bos gaat ruisen,
en zee stijgt tot zijn hoogste golf.
Het hart blijft echter onverschillig
voor woorden waarmee liefde warmte krijgt:
het wil nog niet, het kan niet kiezen
want vrijheid is vooralsnog mooier dan de liefde.
|