|
Het
lot der avond spiegelt in het glas
waar avondzon vanaf het dak in valt.
En
mensen die de ochtend niet gaan halen
houden het als wijzer in hun oog.
Een
laatste zonnestraal brengt kasten weer tot leven
die
evenwel geen kans meer zien de kamer te verlaten
doordat
ze, zwaar van bos waaruit zij zijn gehakt
niet
verder komen dan de trappenhal.
De huizen kruipen dicht bijeen, heimelijk
gebogen
over slapers en de tafels
waar alleen een schotel rest van
dag
als afgrond open voor de strakke nacht.
De
zon verlaat met moeite enkl’e blaren
door
aarde gierig vastgeklemd als was het goud,
maar
uit de verte geeft een spiegel of een tegel
het bevel om tussen bomen voort te maken.
Het
uur komt dat de stad de wegen achterlaat
in
het gestommel van de laatste deur die sluit,
wanneer
het dorp een ogenblik gelukkig is
omdat
haar rook hoog opstijgt in de hemel.
|