|
Een
mens waarover niemand het nog heeft
zal aan de einder slechts een streepje zijn,
na in zonsondergang heel groot te schijnen
gereed om tussen stenen te verdwijnen.
In nachten die hij niet omarmen kan
herkent hij aan het eind de grijze poort
waarachter twee of drie vertrekken liggen
die een kubus maken van de stilte.
Het licht verliest terrein op stoppelvelden,
gehaast snelt iemand naar een hooggelegen plaats.
Het kan nog zijn dat hij wat mompelde
tot schapen die voorbijgaan in zijn dromen.
Op vlucht voor stappen ergens in de vlakte,
doorkruist geroezemoes het gras
waar trillend en vol leven dauw verschijnt
die in de herfst door ochtend wordt betast.
Het is in hen dat lampen licht doet schijnen
en wie op wacht staat in het duister van de gang
moet maar een zonnestraal te pakken krijgen
om naar de deur te gaan die tot een ander leven leidt.
|