|
Onder
het as van vuren liggen stenen
die niet misvormen of verbranden,
en zich door gras en wortels graag omringen
die zullen sterven door de tijd en door de winter.
Zij vrezen niet het felste licht
dat in hun half gesloten ogen uitkomst zoekt
waarlangs de dood niet doorgeraakt
zonder het hart van dingen te doordringen.
Zij zijn verstrooid als vruchten van een boom
sinds lange tijd begraven in de diepte van de aarde
want eeuwen, hierin goed geholpen door de wind
gaan in de aanval tegen alles wat rechtop wil blijven staan.
Maar zonder een moment het zwijgen op te heffen
zien zij slechts mensen van gewicht
die naar hen grijpen en hen wiegen in hun handen
zoals ze doen met ingeslapen dieren.
Zij hebben echter niemand nodig
het ontstaan der wereld te gedenken
dat zij beter kennen dan wie leefde in een tijd
toen zij hen leerden hoe een vuur met steenslag te bereiden.
|