|
Nieuwsgierig
kijkt de muur me aan, verrast
omdat ik levend maar toch ongenaakbaar ben
want is het niet de metser die reeds lang geleden stierf
die haar de zon gaf om haar vensters te bewaken.
Al slapend zijn zij nog aanwezig rondom mij
begaan met in hun borst de ruimte op te slaan
om zo de stilte te behouden die op dit ogenblik
de helft der wereld in haar slaap omklemt.
Als ik afwezig ben zijn zij de meester in de kamer
en geven zij zich voor het glas volledig bloot,
aan de gordijnen
trekkend die niet goed zijn opgehangen
zodat zij beter in de straat naar muren kunnen kijken.
Vlak voor het lege glas op tafel,
hebben zij een dorst naar alle water van de aarde
dat druppelend en goedig op de stenen valt
die niet zoals zijzelf hun vrijheid moesten laten.
|