|
Bij
ondergaande zon zijn blaren aan
het lachen
op bomen die zo oud zijn als de aarde.
Het even oude beekje draagt de hemel mee
doorheen de herfst die nog van zomer dampt.
In stoppelvelden duurt het wachten voor de aarde lang
en naast haar draaien wegen rond
zoals altijd door wagensporen diep gekwetst,
waar ritselend het stro en licht een dansje zetten.
Veel grassen willen vechtend tegen wind
op middaguur de lommer zien in kringen
rondom mensen vluchtend uit de stad
maar evenwel niet verder komend dan het roggeveld.
Een vogel vliegt zeer snel van haag tot haag
op zoek naar nog een vogel maar onwetend
dat die is gestorven langs een veld
in geurig hooi dat nooit het zonlicht zag.
De heuvel die op stap ging met de gerst
is enkel nog een knieslag in de leegte
waar onbestemde dag zich recht kan houden
bovenaan
een dorp begraven in de grond.
|